- Arrest van 17 maart 2011

17/03/2011 - C.10.0255.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het nieuwe artikel 301, §10, tweede lid, dat het recht op uitkering uitsluit bij een nieuw huwelijk van de uitkeringsgerechtigde, is niet van toepassing wanneer de echtscheiding van de partijen met toepassing van de oude artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek uitgesproken is vóór 1 september 2007 (1). (1) Zie Cass., 12 april 2010, AR C.09.0243.F, n° 247, www.cass.be.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0255.F

L. J.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

S. J.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Charleroi van 30 september 2009.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11, 141 en 142 van de Grondwet;

- de artikelen 2, 229, 231 en 301 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 229, 231 en 301 zoals ze van kracht waren vóór de opheffing of vervanging ervan bij de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding;

- artikel 301, inzonderheid § 3 en 10, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het werd ingevoegd door artikel 7 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding;

- artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding;

- artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de eiseres niet-gegrond, bevestigt de beroepen beslissing die vanaf 1 september 2007 de uitkering na echtscheiding heeft opgeheven die de verweerder aan de eiseres verschuldigd was op grond van het vonnis van 9 juli 2004, en veroordeelt de eiseres in de kosten van hoger beroep. Het baseert die beslissing op de onderstaande redenen:

"De criteria op grond waarvan de uitkering na echtscheiding van (de eiseres) wordt vastgesteld en beëindigd, hetzij nader wordt uitgewerkt, worden bepaald door de nieuwe wet (van 27 april 2007) en dus door het nieuwe artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek. (...)

Artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 luidt als volgt: ‘Indien de echtscheiding werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek, blijft het in artikel 301 van hetzelfde Wetboek bepaalde recht op een uitkering verworven of uitgesloten krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden'.

Die overgangsbepaling is duidelijk wat het beginsel ervan betreft: aangezien de echtscheiding uitgesproken is ten nadele (van de verweerder) kan (de eiseres) van hem een uitkering na echtscheiding vorderen op grond van de vroegere wet. De wet wijkt, wat de nadere regeling betreft, niet af van de beginselen van het gemeenrechtelijke overgangsrecht die vereisen dat de nieuwe wet terstond wordt toegepast. Bijgevolg moet de in het voormelde artikel vervatte afwijking op beperkende wijze worden uitgelegd: de woorden ‘recht op een uitkering' slaan op het beginsel van het ontstaan van het recht op een uitkering maar niet op de nadere regeling ervan, die onder de nieuwe wet valt (...).

Er dient immers op gewezen dat artikel 45, § 5, van de voornoemde wet van 27 april 2007 werd vernietigd door het arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 december 2008 (...). Die bepaling luidde als volgt: ‘Artikel 301, § 4, van hetzelfde wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7, is van toepassing op de uitkeringen tot levensonderhoud, die zijn vastgesteld door een vonnis dat voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet'.

Indien de duur van die uitkering niet bepaald is, begint de termijn van artikel 301, § 4, te lopen op de datum van inwerkingtreding van deze wet. Indien de termijn van de uitkering wel bepaald werd, blijft hij van toepassing en mag hij de vastgestelde grens niet overschrijden (cf. supra).

Dat nieuwe artikel 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek preciseert in zijn eerste lid dat de duur van de uitkering niet langer mag zijn dan die van het huwelijk en, in zijn tweede lid, dat de rechtbank, in geval van buitengewone omstandigheden, de termijn kan verlengen, indien de uitkeringsgerechtigde aantoont dat hij bij het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, om redenen onafhankelijk van zijn wil, nog steeds in staat van behoefte verkeert.

Dat arrest van het Grondwettelijk Hof (...) heeft enkel betrekking op artikel 45, § 5, van de voornoemde wet van 27 april 2007, namelijk op de overgangsbepaling betreffende de beperking in de tijd (dus, tot de duur van het huwelijk) van de onderhoudsuitkeringen die vastgesteld zijn in een vonnis vóór de inwerkingtreding van de voornoemde wet van 27 april 2007. (...)

Aangezien het nieuwe artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek in § 10, tweede lid, vermeldt dat de onderhoudsuitkering eindigt in geval van een nieuw huwelijk, moet worden gesteld dat (de eiseres) geen recht meer heeft op haar uitkering (...) vanaf 1 september 2007, de datum van inwerkingtreding van dat nieuwe artikel."

Grieven

Artikel 301, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het bestond vóór de wijziging ervan bij artikel 7 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding luidde als volgt: "de rechtbank kan aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen, uit de goederen en de inkomsten van de andere echtgenoot, een uitkering toekennen die, rekening houdend met zijn inkomsten en mogelijkheden, hem in staat stellen kan in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven"; § 3, inzonderheid het tweede lid, en § 4, voegden daaraan toe: "§ 3. (...) Indien de toestand van de uitkeringsgerechtigde een ingrijpende wijziging heeft ondergaan zodat het bedrag van de uitkering niet meer verantwoord is, kan de rechtbank de uitkering verminderen of opheffen" en "§ 4. Het bedrag van de uitkering mag in geen geval hoger zijn dan een derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoot".

Het nieuwe huwelijk van de uitkeringsgerechtigde had, op zich, niet tot gevolg dat zijn recht op die uitkering verviel. Zij kon enkel gewijzigd of opgeheven worden indien en voor zover de toestand van de gerechtigde, wegens dat nieuwe huwelijk, verbeterd was en gelijkwaardig was geworden aan die welke hij had gekend tijdens het huwelijk dat door de echtscheiding was ontbonden.

De wet van 27 april 2007 heeft de vroegere gronden van echtscheiding waarin de oude artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek voorzagen, opgeheven en ze alle vervangen door de echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk van de echtgenoten. Daarbij werd de regeling van de uitkeringen na echtscheiding eveneens volledig gewijzigd.

Het nieuwe artikel 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 27 april 2007 luidt als volgt:

"Bij gebrek aan overeenkomst zoals bedoeld in § 1, kan de rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toestaan ten laste van de andere echtgenoot.

De rechtbank kan het verzoek om een uitkering weigeren indien de verweerder bewijst dat verzoeker een zware fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt.

In geen geval wordt de uitkering tot levensonderhoud toegekend aan de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de persoon van de verweerder of aan een poging tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon (...)".

§ 3 preciseert: "De rechtbank legt het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken.

De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde (...).

De onderhoudsuitkering mag niet hoger liggen dan een derde van het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot".

Het nieuwe artikel 301, § 10, tweede lid, luidt voortaan als volgt: "De uitkering eindigt in ieder geval definitief in geval van een nieuw huwelijk van de uitkeringsgerechtigde of op het ogenblik waarop deze laatste een verklaring van wettelijke samenwoning doet, tenzij de partijen anders overeenkomen".

De wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding bevat uitdrukkelijke overgangsbepalingen waaronder artikel 42, § 3, dat luidt als volgt: "Indien de echtscheiding werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek, blijft het in artikel 301 van hetzelfde Wetboek bepaalde recht op een uitkering verworven of uitgesloten krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden".

Eerste onderdeel

Artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding moet in die zin worden uitgelegd dat, als de echtscheiding uitgesproken is vóór 1 september 2007, zijnde de datum van inwerkingtreding van de wet, de vroegere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, inzonderheid artikel 301 van dat wetboek, zowel de voorwaarden tot toekenning van de uitkering (het "recht op een uitkering") als de criteria en gebeurtenissen waarop de rechter zich moet baseren om het bedrag ervan te bepalen (de "nadere regeling van de uitkering").

Die uitlegging is de enige die de coherentie van alle overgangsbepalingen van de wet verzekert.

Bovendien dienen de gerechtelijke rechtscolleges, wanneer een wetsbepaling op twee of meer wijzen kan worden uitgelegd, enkel die uitlegging in aanmerking te nemen waarin de bewuste wetsbepaling in overeenstemming is met de Grondwet. Het Grondwettelijk Hof heeft evenwel, in zijn arresten 115/2009 van 16 juli 2009 en 141/2009 van 17 september 2009 voor recht gezegd dat artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie miskent, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat de nieuwe wet enkel van toepassing is op de wijze van vaststelling van de uitkering tot levensonderhoud, terwijl het recht op de uitkering tot levensonderhoud geregeld blijft door de oude wet. Het Grondwettelijk Hof heeft bovendien voor recht gezegd dat artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 de Grondwet niet schendt indien het in die zin wordt uitgelegd dat, wanneer de echtscheiding is uitgesproken vóór de inwerkingtreding van die wet, de daarin vermelde vroegere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven zowel voor de toekenning van het recht op een uitkering tot levensonderhoud als voor de wijze van vaststelling daarvan.

In deze zaak stelt het bestreden vonnis vast dat de echtscheiding tussen partijen ten nadele van de verweerder werd uitgesproken bij een arrest van het hof van beroep te Bergen van 6 november 2001.

Daaruit volgt dat het bestreden vonnis, om te beslissen dat de eiseres vanaf 1 september 2007 geen recht meer heeft op een uitkering na echtscheiding omdat zij vóór die datum is hertrouwd, toepassing maakt van artikel 301, § 10, van het Burgerlijk Wetboek zoals het werd ingevoegd door artikel 7 van de wet van 27 april 2007, omdat die wet, aldus het vonnis, krachtens artikel 42, § 3, ervan geldt voor de criteria en redenen tot bepaling en wijziging van de onderhoudsuitkering waarop de uitkeringsgerechtigde echtgenoot, die gescheiden is onder de regeling van de vroegere wet, aanspraak kan maken, terwijl het nieuwe huwelijk van die gerechtigde hierbij automatisch het einde van de uitkering tot gevolg heeft, ongeacht de toestand van de uitkeringsgerechtigde tijdens het eerste huwelijk. Het miskent aldus de algemene beginselen van het overgangsrecht en schendt de uitdrukkelijke overgangsbepalingen van de wet van 27 april 2007 (schending van de artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek en 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding), alsook de vroegere artikelen 229, 231 en 301 van het Burgerlijk Wetboek, 10, 11, 141 en 142 van de Grondwet en 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

Tweede onderdeel (subsidiair)

De automatische opheffing van het voordeel van de uitkering na echtscheiding in geval van een nieuw huwelijk, bepaald in het nieuwe artikel 301, § 10, van het Burgerlijk Wetboek, valt onder het recht op de onderhoudsuitkering na echtscheiding veeleer dan onder de wijze waarop die onderhoudsuitkering wordt vastgesteld.

Het lijdt hoe dan ook geen enkele twijfel dat, krachtens artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, het recht op een onderhoudsuitkering na een echtscheiding die is uitgesproken op grond van de artikelen 229, 231 of 232 van het Burgerlijk Wetboek, uitsluitend geregeld wordt door het vroegere artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek dat niet bepaalde dat het nieuwe huwelijk van de uitkeringsgerechtige de opheffing van de uitkering tot gevolg had maar enkel voorzag in de mogelijkheid die uitkering te wijzigen of op te heffen indien de uitkeringsplichtige ex-echtgenoot aantoonde dat het nieuwe huwelijk van de uitkeringsgerechtigde voor hem tot gevolg had dat hij een levensstandaard genoot die gelijkwaardig was met die tijdens het ontbonden huwelijk.

Daaruit volgt dat het bestreden vonnis dat het nieuwe artikel 301, § 10, van het Burgerlijk Wetboek op dit geval toepast omdat het oordeelt dat het nieuwe huwelijk van de uitkeringsgerechtigde en de daaruitvolgende opheffing van het recht op uitkering betrekking hebben op de wijze waarop de uitkering wordt vastgesteld en niet op het recht op uitkering, voormeld nieuw artikel 301, § 10, van het Burgerlijk Wetboek schendt, en, aangezien de echtscheiding van de partijen op 6 november 2001 ten nadele van de verweerder werd uitgesproken, tevens de artikelen 2, 229, 231 en 301, die laatste drie in de versie geldend vóór de wet van 27 april 2007, en het artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 schendt.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

Luidens artikel 301, § 10, tweede lid 2, Burgerlijk Wetboek, zoals het in dat wetboek werd ingevoegd door de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, eindigt de uitkering na echtscheiding in ieder geval definitief in geval van een nieuw huwelijk van de uitkeringsgerechtigde of op het ogenblik waarop deze laatste een verklaring van wettelijke samenwoning doet, tenzij de partijen anders overeenkomen.

Artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 bepaalt dat, indien de echtscheiding werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van die wet, die is vastgesteld op 1 september 2007, overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 231 en 232 Burgerlijk Wetboek, het in artikel 301 van hetzelfde Wetboek bepaalde recht op een uitkering verworven of uitgesloten blijft krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden.

Daaruit volgt dat het nieuwe artikel 301, § 10, tweede lid, op grond waarvan het recht op uitkering wordt uitgesloten in geval van een nieuw huwelijk van de uitkeringsgerechtigde, niet van toepassing is wanneer de echtscheiding van de partijen uitgesproken is vóór 1 september 2007, op grond van de vroegere artikelen 229, 231 en 231 Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden vonnis dat eerst vaststelt dat de echtscheiding tussen de partijen op 6 november 2001 ten nadele van de verweerder werd uitgesproken en dat de eiseres vóór 1 september 2007 hertrouwd is, en dat vervolgens de uitkering na echtscheiding die de verweerder aan de eiseres verschuldigd is, vanaf 1 september 2007 opheft met toepassing van het nieuwe artikel 301, § 10, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, schendt artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Doornik, rechtszitting houdend in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 17 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

  • Echtscheidingsprocedure

  • Echtscheiding op grond van bepaalde feiten uitgesproken op grond van de oude wet

  • Recht op uitkering tot levensonderhoud

  • Nieuwe wet

  • Wijze waarop de uitkering wordt vastgesteld

  • Berekening

  • Overgangsbepalingen

  • Wet in de tijd

  • Toepasselijke wet