- Arrest van 17 maart 2011

17/03/2011 - F.10.0003.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het cassatieverzoekschrift is ontvankelijk wanneer het afschrift ervan de geïdentificeerde handtekening draagt van een persoon wiens hoedanigheid van advocaat bij een welbepaalde balie blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan (1). (1) Het O.M. had ambtshalve een middel van niet-ontvankelijkheid tegen het cassatieberoep opgeworpen. Het was immers van oordeel dat art. 1080 Ger.W. werd geschonden in onderling verband gelezen met art. 378 WIB92 waaruit volgt dat het cassatieverzoekschrift inzake inkomstenbelastingen op straffe van nietigheid zowel op het origineel als op het afschrift ervan door een advocaat moet zijn ondertekend. In deze zaak droeg het afschrift van het cassatieverzoekschrift dat, overeenkomstig art. 1079 Ger.W. aan de verweerder was betekend, de vermelding dat dat geschrift opgesteld was door meester W., advocaat bij de balie van B., maar was het bekleed met een onleesbare handtekening, met daarbij de naam 'M... S... loco', zonder vermelding dat de ondertekenaar de hoedanigheid van advocaat bezat (vgl. Cass., 29 okt. 1999, AR F.98.0032.F, n° 576, www.cass.be). Het Hof was gevoelig voor de verdediging van de verweerders dat het onderzoek van de overige stukken van het dossier de vereiste zekerheid kon bieden dat de ondertekenaar van het afschrift de hoedanigheid van advocaat bezat, zodat het vormgebrek dat de ontvankelijkheid van het beroep aantastte, aldus ongedaan werd gemaakt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0003.F

1. M. T. en,

2. H. N.,

Mr. Paul Bruno Waegenaere, advocaat bij de balie van Bergen,

tegen

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 19 juni 2009 van het hof van beroep te Bergen.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In het cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, voeren de eisers twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Betreffende het middel van niet ontvankelijkheid dat ambtshalve door het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 1097 Gerechtelijk Wetboek tegen het cassatieberoep is opgeworpen: het afschrift van het cassatieverzoekschrift is niet door een advocaat ondertekend

Het afschrift van het cassatieverzoekschrift draagt de geïdentificeerde handtekening van Muriel Safi wier hoedanigheid van advocaat bij de balie van Brussel blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Eerste middel

Volgens artikel 11, § 1, van de Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen zijn, onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 9, 10 en 13 van die Overeenkomst, de salarissen, lonen en andere soortgelijke bezoldigingen slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de persoonlijke activiteit, die de bron van deze inkomsten is, wordt uitgeoefend.

Luidens artikel 10, § 1, van die Overeenkomst zijn de bezoldigingen in de vorm van salarissen, lonen, wedden, soldijen en pensioenen toegekend door één van de verdragsluitende Staten of door een publiekrechtelijke rechtspersoon van deze Staat, die geen nijverheids­ of handelsactiviteit uitoefent, uitsluitend in deze Staat belastbaar.

Uit het onderling verband tussen die bepalingen volgt dat artikel 11 niet geldt voor de bezoldigingen die worden toegekend door een verdragsluitende Staat of door een publiekrechtelijke rechtspersoon van een verdragsluitende Staat, die geen nijverheids­ of handelsactiviteit uitoefent.

Artikel 10, § 3, van de Overeenkomst sluit overigens de toepassing van artikel 10, § 1, uit wanneer de bezoldigingen worden betaald aan verblijfhouders van de andere Staat, die de nationaliteit van deze Staat hebben.

Aangezien de vorenstaande artikelen van die Overeenkomst niet anders bepalen, zijn in een dergelijk geval de bezoldigingen, overeenkomstig artikel 18 ervan, slechts belastbaar in de Staat waar de begunstigde verblijft.

Het arrest dat beslist dat de inkomsten die worden verkregen door de verweerder, een Belgische onderdaan die in België verblijft, wegens zijn activiteit in dienst van een publiekrechtelijke rechtspersoon naar Frans recht die geen nijverheids­ of handelsactiviteit uitoefent, terecht in België werden belast, maakt een juiste toepassing van de voormelde bepalingen van die Overeenkomst.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De artikelen 39 en 58 van het Verdrag over de werking van de Europse Unie houden geen verband met de grief.

In dat opzicht is het middel niet ontvankelijk.

Voor het overige voeren de eisers aan dat voormeld artikel 10, § 3, indruist tegen artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in zoverre het verwijst naar de nationaliteit van een belastingplichtige om hem te belasten in de ene verdragsluitende Staat veeleer dan in de andere; de eisers vorderen dat een prejudiciële vraag word gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de bestaanbaarheid van die bepaling van de Overeenkomst met voornoemd artikel 18.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest C-336/96 van 12 mei 1998 geoordeeld dat een dubbelbelastingovereenkomst enkel ten doel heeft te vermijden dat dezelfde inkomsten in elk van de twee staten worden belast. Een dergelijke overeenkomst beoogt niet te garanderen, dat de door de belastingplichtige in een van de staten verschuldigde belasting niet hoger is dan die welke hij in de andere staat zou moeten voldoen.

Dat arrest komt tot de slotsom dat de bepalingen van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van werknemers aldus moeten worden uitgelegd, dat ze zich niet verzetten tegen de toepassing van bepalingen van een dubbelbelasting-overeenkomst volgens welke voor grensarbeiders een verschillende belastingregeling geldt al naargelang zij in de particuliere dan wel in de openbare sector werkzaam zijn, en, in het laatste geval, al naargelang zij al dan niet de nationaliteit bezitten van de staat waaronder de dienst ressorteert, waarbij zij werkzaam zijn.

Uit dat arrest volgt dat artikel 18 van het Verdrag niet in de weg staat aan de toepassing van artikel 10, § 3, van de Overeenkomst van 10 maart 1964, zodat er geen grond bestaat om de door de eiseres voorgestelde prejudiciële vraag te stellen.

In zoverre het middel ontvankelijk is, kan het niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep;

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Gustave Steffens en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 17 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier .

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verzoekschrift

  • Afschrift

  • Geïdentificeerde handtekening

  • Ondertekenaar

  • Geen vermelding van hoedanigheid

  • Identificeerbaar

  • Ontvankelijkheid