- Arrest van 18 maart 2011

18/03/2011 - C.10.0087.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De echtgenoot die vergoeding vordert ten voordele van het gemeenschappelijk vermogen, moet niet bewijzen dat de aangroei van het eigen vermogen van een van de echtgenoten met gelden uit het gemeenschappelijk vermogen is gefinancierd; het is aan de echtgenoot die de vordering tot betaling van een vergoeding betwist, het vermoeden van artikel 1405, vierde lid, Burgerlijk Wetboek te weerleggen en aan te tonen op welke manier hij de aangroei van zijn eigen vermogen heeft gefinancierd.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0087.N

W. V.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

H. D., die voorheen woonplaats heeft gekozen bij gerechtsdeurwaarder Marcel De Blauw, met kantoor te 2800 Mechelen, Lange Heergracht 59,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 23 september 2009.

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wetsbepalingen

- De artikelen 1315, 1399, derde lid, 1405, 4°, 1432 en 1436 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 Gerechtelijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich zonder oorzaak ten laste van een ander mag verrijken, zoals onder meer bevestigd in de artikelen 1235, 1376 en 1377 Burgerlijk Wetboek.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest, na verweersters hoger beroep en eisers inci¬denteel beroep deels gegrond te hebben verklaard, hervormt het beroepen von¬nis onder meer op volgend punt, waarbij het de zaak terugzendt naar de boedel¬notaris ten einde de ver¬goeding te bepalen, verschuldigd door de eiser aan het gemeenschappelijk ver¬mogen voor de verwerving van de grond en de oprich¬ting van de woning, be¬houdens het door de gemeenschappelijke lening gefi¬nancierde gedeelte en dit op basis van de in het arrest aangegeven principes, zo nodig te herwaarderen op basis van artikel 1435 Burgerlijk Wet¬boek en wijst al het meer of anders gevorderde dan in het beschikkend gedeelte gesteld, als ongegrond af.

Het hof van beroep stoelt zijn beslissing op volgende gronden:

"2.2

(De verweerster) vorderde (namens het gemeenschappelijk vermogen) voor de notaris een vergoeding voor de volledige constructieprijs van het onroerend goed, zijnde 166.195,95 euro (6.704.328 frank) en eveneens voor de oplegsom door (de eiser) betaald aan de deelgenoten voor de toebedeling van de grond waarop de woning is opgetrokken.

(De eiser) stelde dat de oplegsom, evenals een deel van de bouw van de woning werd betaald door middel van een hypothecair krediet, afgesloten door de beide partijen bij KBC, voor een bedrag van 73.128,59 euro en dat het saldo, zijnde 102.363,00 euro, werd betaald met gelden die hij bezat vóór het huwelijk met (de ver¬weerster).

De boedelnotaris heeft aanvaard dat uit de door (de eiser) neergelegde stukken blijkt dat hij vóór het huwelijk 54.164,74 euro (2.185.000 frank) bezat op diverse re¬keningen en dat uit de vereffening verdeling van zijn vorige huwelijk aan hem de som van euro 133.862,50 (5.400.000 frank) is toebedeeld in diverse effecten. Uit het feit dat de woning werd opgetrokken binnen de eerste 14 maanden van het hu¬welijk, voor een bewezen bedrag van 7.079.328 frank of 175.491,96 euro, voor de verwerving van de grond en de bouw ervan, terwijl slechts 73.128,59 euro werd ge¬financierd, leidt de boedelnotaris af dat het saldo niet met gemeenschapsgelden kan betaald zijn, nu partijen op die korte periode deze sommen niet konden ver¬dienen.

Bijgevolg acht de notaris het vermoeden voorzien in artikel 1408 BW weerlegd voor wat betreft de kostprijs van de bouw van de woning en de opleg betaald aan de deelgenoten voor de verwerving van de grond, in de mate dit niet gefi¬nancierd werd door de vermelde hypothecaire lening. De vordering van (de ver¬weerster) van een vergoeding terzake werd dan ook door de boedelnotaris ver¬worpen. (De verweerster) stelde daartegen een ontvankelijke zwarigheid in.

De eerste rechter heeft op dit punt de zaak terug gezonden naar de boedelnota¬ris voor een verduidelijking van het gevolg dat de notaris trekt uit de vaststelling dat na aftrek van de niet gefinancierde investeringen in de aankoop van de grond en de bouw van de woning, er van de eigen gelden die (de eiser) had voor het huwelijk, een som van 85.663,63 euro overblijft. In de overwegingen (3.4.3) heeft de eerste rechter wel reeds gesteld dat de rechtbank, in navolging van de boedelnotaris, van oordeel is dat (de eiser) aan de hand van de door hem voorge¬legde stukken aantoont dat - met uitzondering van de hypothecaire lening - de grond en de constructie van de echtelijke woonst door hem werden gefinancierd met eigen gelden en dat het niet bewezen is dat (de verweerster) eigen gelden zou geïnvesteerd hebben, al dan niet afkomstig van haar ouders.

2.3

Het wordt niet betwist dat (de eiser) tijdens het huwelijk door uitbetaling van een aantal deelgenoten een bouwgrond heeft verworven en dat daarop, eveneens tijdens het huwelijk, een woning gebouwd is, zodat deze woning door natrekking vermoed wordt een eigen goed te zijn.

Het wordt evenmin betwist dat de woning gedeeltelijk gefinancierd werd met een hypothecair krediet op naam van beide echtgenoten en dat dit krediet werd vol¬daan met gemeenschapsgelden.

2.4

De echtgenoot die een vergoeding vordert ten bate van het gemeenschappelijk vermogen moet enkel aantonen dat de andere echtgenoot tijdens de duur van het stelsel persoonlijk voordeel heeft gehaald uit bepaalde gelden. Het gemeen¬schappelijk karakter van deze gelden moet hij niet bewijzen.

De vaststelling dat tijdens het huwelijk door uitbetaling van diverse deelgenoten door een van de echtgenoten een bouwgrond werd verworven en nadien op dit eigen goed een woning werd opgetrokken, volstaat derhalve om te vermoeden dat dit met gemeenschapsgelden gebeurde, zonder dat werkelijke bewijzen van betaling door de huwgemeenschap moeten voorgelegd worden, wegens het vermoeden van artikel 1405, 4°, BW. De echtgenoot die dit vermoeden wil omkeren moet bewijzen dat hij met eigen gelden betaalde.

Te dezen kan (de verweerster) bijgevolg volstaan met te verwijzen naar het per¬soonlijk voordeel dat (de eiser) heeft gehaald tijdens het huwelijk, met name de verwerving van een grond door uitkoop van de andere deelgenoten en de bouw van een woning, terwijl (de eiser), om te ontsnappen aan de verplichting om aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding te betalen, moet bewijzen dat hij een en ander met eigen gelden betaalde.

2.5

(De eiser) legt enkele verklaringen voor van zijn vorige echtgenote, mevrouw Leys, die bevestigt dat hij uit de vereffening en verdeling van hun huwelijksgemeen¬schap destijds de som van 133.862,50 euro (5.400.000 frank) heeft gekregen, be¬staande uit diverse soorten waardepapieren.

Tussen echtgenoten kunnen alle middelen van recht als bewijs worden aange¬wend. Een eenzijdige onderhandse schriftelijke verklaring dient evenwel be¬schouwd te worden als een welwillendheidsverklaring en kan bijgevolg geen doorslaggevend bewijs opleveren van een bepaald feit. Zulke verklaring kan hoogstens aanvaard worden als een aanvullend bewijs. Er wordt te dezen echter geen enkel document voorgelegd met betrekking tot het bestaan en/of de sa¬menstelling van de genoemde effectenportefeuille of van de omzetting ervan in cash geld om de facturen van de bouw van de woning te kunnen betalen, hoe¬wel er van al deze transacties, die noodzakelijkerwijze gebeurden via een bank, schriftelijke sporen zouden moeten te vinden zijn. Er wordt trouwens evenmin enige materiële transactie bewezen van deze gelden ter betaling van de facturen met betrekking tot de bouw van de woning. De neergelegde facturen geven geen enkel uitsluitsel over de herkomst van de gelden waarmede ze betaald zijn.

De redenering van de boedelnotaris die besluit dat eigen gelden van (de eiser) wer¬den aangewend bij gebreke aan voldoende gemeenschapsgelden, kan niet ge¬volgd worden, nu zelfs indien zou aangetoond worden dat er in de bedoelde pe¬riode onvoldoende gemeenschapsgelden voorhanden waren om alle facturen te betalen, daaruit niet noodzakelijk volgt dat dan bewezen is dat de betalingen ge¬beurden met eigen gelden van (de eiser).

2.6

Bijgevolg blijft (de eiser) in gebreke om te bewijzen dat de uitkoop van de deelge¬noten bij de verwerving van de grond en de bouw van de woning, buiten het door de lening gefinancierde gedeelte, met eigen gelden gebeurden, waaruit volgt dat hij een vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermo¬gen.

2.7

Er dient niet verder ingegaan te worden op de vorderingen betreffende het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde eigen gelden op het ogenblik van het aan¬gaan van het huwelijk of over de aanwending van gelden al dan niet geschonken door de ouders van mevrouw, nu deze elementen, zelfs zo bewezen, gelet op het bovenstaande, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

Evenmin dient ingegaan te worden op de ondergeschikt gevraagde overlegging van een strafdossier in verband met klachten wegens meineed door mevrouw Leys, nu haar verklaring om hoger vermelde redenen niet als bewijs wordt aan¬vaard" (arrest pp. 6-9).

Grieven

1. Naar luid van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is ver¬goeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen telkens als een echtgenoot persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Dit recht op vergoeding is gesteund op de theorie van de vermo¬gensverschuiving zonder oorzaak, zodat vereist zijn de verrijking van het ene vermogen, de verarming van het andere en een noodzakelijk verband tussen deze beide elementen.

Het recht op vergoeding kan, naar luid van artikel 1436 Burgerlijk Wetboek, door alle middelen van recht bewezen worden.

De echtgenoot die een vergoeding eist voor het gemeenschappe¬lijk vermogen, draagt, overeenkomstig de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek, de bewijslast.

Hij zal vooreerst het feit of de rechtshandeling moeten bewijzen waaruit een vergoedingsrecht is ontstaan, m.n. de aangroei van het eigen vermogen van de andere echtgenoot, en zal vervolgens het gemeenschappe¬lijk karakter van de gebruikte gelden moeten bewijzen. Dit laatste wordt echter vermoed op grond van artikel 1405, 4°, Burgerlijk Wetboek, naar luid waarvan gemeenschappelijk zijn alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.

De bewijslast dat geen gemeenschappelijke gelden werden aan¬gewend rust derhalve op de beweerdelijk vergoedingsplichtige echtgenoot, die, overeenkomstig artikel 1399, derde lid, Burgerlijk Wetboek, door alle middelen van recht, zelfs van algemene bekendheid, het bewijs van het karakter van de aangewende gelden kan leveren.

2. Het bestreden arrest verwerpt de redenering van de boedelnota¬ris, die besluit dat eigen gelden van de eiser werden aangewend bij gebreke aan voldoende gemeenschapsgelden. Zelfs indien zou aangetoond worden dat er in de bedoelde periode onvoldoende gemeenschapsgelden voorhanden waren om alle facturen te betalen, volgt naar de appelrechters "daaruit niet noodzakelijk dat dan bewezen is dat de betalingen gebeurden met eigen gelden van (de eiser)". Het bestreden arrest besluit dat de eiser in gebreke blijft om te bewijzen dat de uit¬koop van de deelgenoten bij de verwerving van de grond en de bouw van de woning, buiten het door de lening gefinancierde gedeelte, met eigen gelden ge¬beurden, en dat de eiser dienvolgens vergoeding verschuldigd is aan het gemeen¬schappelijk vermogen.

3. Voormelde redengeving van het bestreden arrest sluit even¬wel niet uit dat de betalingen niet zouden gebeurd zijn met gemeenschappelijke gelden. Het bestreden arrest oordeelt slechts dat niet bewezen is dat de betalin¬gen met eigen gelden van eiser zouden gebeurd zijn.

De eiser kan evenwel ter weerlegging van het vermoeden dat betalin¬gen gebeurd zijn met gemeenschappelijke gelden, bewijzen door alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen, dat die gemeenschappelijke gelden he¬lemaal niet voorhanden waren ten tijde van de uitgaven. Aldus wordt het be¬wijs geleverd dat er geen verarming is gebeurd van het gemeenschappelijk ver¬mogen, en dat er derhalve ook geen reden is tot vergoeding op grond van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek.

Door derhalve, op de gronden die het bevat, het bewijs zoals weer¬houden door de boedelnotaris te verwerpen, vereist het bestreden arrest ten on¬rechte, ter weerlegging van het vermoeden dat gemeenschappelijke gelden wer¬den aangewend en ter inwilliging van de aanspraken van verweerster op ver¬goeding ten voordele van dit gemeenschappelijk vermogen, het bewijs van aanwending van eigen gelden. Het volstaat dat wordt aangetoond dat het ge¬meenschappelijk vermogen zich niet kan verarmd hebben omdat het niet over voldoende gelden beschikte om de betalingen te verrichten. Het bewijs dat eigen gelden van de aangesproken echtgenoot werden aangewend is niet noodzake¬lijk, nu ook niet uit te sluiten is dat wanneer geen eigen gelden werden aange¬wend, eigen gelden van de andere echtgenoot voor de uitgave zouden zijn ge¬bruikt, en niet gemeenschappelijke gelden. Het bestreden arrest schendt aldus de artikelen 1315, 1399, derde lid, 1405, 4°, 1432 en 1436 Burger¬lijk Wetboek, artikel 870 Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbe¬ginsel dat niemand zich zonder oorzaak ten laste van een ander mag verrijken, zoals bevestigd in de artikelen 1235, 1376 en 1377 Burgerlijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 1398, 1406, 1407, eerste gedachtestreepje, 1408, eerste en vijfde gedachtestreepje, 1432, 1435 Burgerlijk Wetboek.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest, na verweersters hoger beroep en eisers inci¬denteel beroep deels gegrond te hebben verklaard, hervormt het beroepen von¬nis onder meer op volgend punt, waarbij het de zaak terugzendt naar de boedel¬notaris ten einde de vergoe¬ding te bepalen, door eiser verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen voor de terugbetaling van de eigen leningen, vol¬gens de principes aangegeven in het arrest en binnen de perken van het door verweerster gevorderde, en zo nodig te herwaarderen op basis van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek en wijst al het meer of anders dan in het beschikkend gedeelte gesteld, gevorderde, als ongegrond af.

Het hof van beroep stoelt zijn beslissing op volgende gronden:

"8.1

(De eiser) heeft op 4 februari 1994 (dus vóór het huwelijk) een onderhandse lening afgesloten voor een bedrag van 198.314,82 euro (8.000.000 frank) bij ABB ter over¬name van de aandelen van de cvba Van Dessel. Tijdens het huwelijk op 17 oktober 1998 hebben beide partijen een kredietovereenkomst afgesloten bij KBC voor een bedrag van 131.383,57 euro (5.300.000 frank) ter herfinanciering van de voormelde lening.

De boedelnotaris stelde dat de oorspronkelijke lening evenals het krediet tot herfinanciering van deze lening behoren tot het eigen vermogen van (de eiser) en dat dit vermogen een vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk ver¬mogen, in de mate dat dit laatste heeft ingestaan voor de afbetalingen.

Ten onrechte stelde de eerste rechter dat dit standpunt niet duidelijk is en werd de zaak ter verduidelijking teruggezonden naar de notaris. Het komt immers de rechter zelf toe te bepalen welke wettelijke principes moeten toegepast worden en omtrent het middels een zwarigheid bestreden standpunt van de notaris een beslissing te nemen.

8.2

(De eiser) betoogt dat de kredietovereenkomst uitdrukkelijk stipuleert dat de kre¬dieten zullen aangewend worden voor de uitoefening van ‘hun handels- be¬roeps- of ambachtelijke activiteit', zodat het ingevolge artikel 1408, 3°, BW handelt om een gemeenschappelijke schuld en er geen aanleiding is tot enige vergoe¬ding.

(De verweerster) vordert in het kader van de eerste lening een vergoeding van 66.931,33 euro, zijnde het totaal door het gemeenschappelijk vermogen betaalde be¬drag, zowel kapitaalsaflossingen als intresten en voor de kredietopening een bedrag van 65.527,60 euro, zijnde het door het gemeenschappelijk vermogen te¬rugbetaalde bedrag. Bovendien stelt (de verweerster) dat beide bedragen dienen geherwaardeerd te worden overeenkomstig artikel 1435 BW.

8.3

De lening die (de eiser) heeft afgesloten vóór het huwelijk ter verkrijging van de aandelen in de cvba Van Dessel is om die reden een eigen lening, zodat, voor zover ze is terugbetaald door het gemeenschappelijk vermogen, er aanleiding is tot vergoeding.

Ten onrechte houdt de notaris bij de bepaling van deze vergoeding enkel reke¬ning met de betaalde kapitaalaflossingen en niet met de intresten, onder verwij¬zing naar artikel 1405, 2°, BW. Dit artikel heeft immers betrekking op inkomsten uit eigen goederen en niet op intresten op schulden. Artikel 1435, 1°, BW stipuleert trouwens dat de vergoeding niet kleiner mag zijn dan de verarming van het ver¬goedingsgerechtigde vermogen, zodat de vergoeding betrekking moet hebben op alle betalingen die gebeurden met gelden van het gemeenschappelijk vermo¬gen, te dezen zowel kapitaalsaflossingen als intresten.

Eveneens ten onrechte houdt de notaris rekening met het feit dat mag aange¬nomen worden dat de eerste twee afbetalingen van 6.610 euro gebeurden met ei¬gen gelden van (de eiser), nu er onvoldoende gemeenschappelijke gelden voorhan¬den waren op dat ogenblik. Zoals hoger (zie 2.4) reeds uiteengezet wordt het gemeenschappelijk karakter van de betalingen vermoed en bewijst (de eiser) niet dat daarvoor eigen gelden werden aangewend.

8.4.

De kredietopening afgesloten door beide echtgenoten tijdens het huwelijk is in¬gevolge artikel 1408, 1°, BW een gemeenschappelijke schuld.

Het wordt kennelijk niet betwist dat de gelden voortkomende uit de kredietope¬ning werden aangewend ter herfinanciering van de eerder genoemde eigen le¬ning van (de eiser). Gemeenschapsgelden ten belope van 5.300.000 frank of 131.383,57 euro werden aldus aangewend ter delging van een eigen schuld, zodat er aanleiding is tot vergoeding.

(De verweerster) vordert op dit punt enkel vergoeding van het bedrag dat door het gemeenschappelijk vermogen op deze kredietopening is terugbetaald, zijnde 65.527,60 euro, wat haar bijgevolg kan toegekend worden.

8.5

De oorspronkelijke lening, zowel als de herfinanciering hebben betrekking op de verwerving van de aandelen in de cvba Van Dessel, zodat er aanleiding is tot toepassing van artikel 1435 BW en bijgevolg de waarde van de aandelen op het ogenblik van de vereffening moet bepaald worden en zo nodig de bedragen van de bovengenoemde vergoedingen dienen geherwaardeerd te worden.

De zaak wordt daartoe teruggezonden naar de boedelnotaris" (arrest pp. 14-16).

Grieven

Eerste onderdeel

1. Naar luid van 1398 Burgerlijk Wetboek berust het wette¬lijk stelsel op het bestaan van drie vermogens: het eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten, zoals die worden omschreven in de artikelen 1399 tot 1408 van hetzelfde wet¬boek.

Krachtens artikel 1406 Burgerlijk Wetboek blijven de schul¬den van de echtgenoten die dagtekenen van vóór het huwelijk eigen.

Luidens artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, Burger¬lijk Wetboek zijn de intresten die een bijzaak vormen van de eigen schul¬den van een der echtgenoten gemeenschappelijk.

Overeenkomstig artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echt¬genoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te vol¬doen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Naar luid van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de ver¬goeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde ver¬mogen, en wanneer de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter hebben gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbete¬ren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waar¬devermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is, en indien het ver¬vreemde goed is vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding ge¬schat op de grondslag van dat nieuwe goed.

2. Het bestreden arrest neemt op grond van de vaststelling dat de eiser op 4 februari 1994, vóór het huwelijk van partijen op 14 mei 1994, een lening heeft aangegaan voor de overname van de aandelen van de cvba Van Dessel, aan dat het een eigen lening betreft, zodat het op grond van artikel 1406 Burgerlijk Wetboek besluit tot een eigen schuld van de eiser. Het besluit, op grond van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek, tot vergoedingsplicht van de ei¬ser voor zover deze lening door het gemeenschappelijk vermogen is terugbetaald.

Het bestreden arrest oordeelt dat deze vergoeding niet alleen de kapitaalaflossingen, maar ook de door het gemeenschappelijk vermogen be¬taalde intresten omvat, op grond van de overweging, enerzijds, dat de boe¬del¬notaris ten onrechte de intresten uitsloot op grond van artikel 1405, 2°, Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op inkomsten uit eigen goederen en niet op intresten op schulden, en anderzijds dat artikel 1435 Burgerlijk Wet¬boek bepaalt dat de vergoeding niet kleiner mag zijn dan de verarming van het vergoedinsggerechtigde vermogen, waardoor de vergoeding betrekking moet hebben op alle betalingen die gebeurden met gelden van het gemeenschappelijk vermogen, m.n. te dezen zowel kapitaalaflossingen als intresten.

3. Artikel 1435 Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op het bedrag van de verschuldigde vergoeding, doet evenwel geen afbreuk aan het voorschrift van artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, van hetzelfde wetboek, dat de intresten die een bijzaak vormen van de eigen schulden van een der echtgenoten gemeenschappelijk zijn. De intresten van de lening zijn dan ook niet begrepen in de vergoedingsplicht aan het gemeenschappelijk vermogen, aangezien zij, op grond van artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, Bur¬gerlijk Wetboek, ten laste van dit vermogen blijven.

4. Het bestreden arrest kon dienvolgens niet wettig, op de gronden die het bevat, oordelen dat de vergoedingsplicht van de eiser wegens de aflossing van een eigen schuld (lening) door het gemeenschappelijk vermogen, niet alleen de kapitaalaflossingen betreft, maar eveneens de intresten (schending van de artikelen 1398, 1406, 1408, vijfde gedachtestreepje, 1432 en 1435 Bur¬gerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

5. Naar luid van 1398 Burgerlijk Wetboek berust het wette¬lijk stelsel op het bestaan van drie vermogens: het eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten, zoals die worden omschreven in de artikelen 1399 tot 1408 van hetzelfde wet¬boek.

Volgens artikel 1406 Burgerlijk Wetboek blijven de schul¬den van de echtgenoten die dagtekenen van vóór het huwelijk eigen, en naar luid van artikel 1407, eerste gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek zijn de schulden door een der echtgenoten aangegaan in het uitsluitend belang van zijn eigen vermogen, eigen.

Overeenkomstig artikel 1408, eerste gedachtestreepje, Burger¬lijk Wetboek zijn de schulden aangegaan door beide echtgenoten, geza¬menlijk of hoofdelijk, gemeenschappelijk.

Luidens artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, Bur¬gerlijk Wetboek zijn de intresten die een bijzaak vormen van de eigen schulden van een der echtgenoten gemeenschappelijk.

Krachtens artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echt¬genoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het ge¬meenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te vol¬doen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Naar luid van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de ver¬goeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde ver¬mogen, en wanneer de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter hebben gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbete¬ren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waar¬devermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is, en indien het vervreemde goed is vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding ge¬schat op de grondslag van dat nieuwe goed.

6. Het bestreden arrest stelt vast dat de kredietopening die door beide partijen op 17 oktober 1998 werd afgesloten tijdens het huwelijk ter herfi¬nanciering van de kredietovereenkomst die de eiser op 4 februari 1994 vóór het aangaan van het huwelijk had afgesloten voor de overname van de aandelen van de cvba Van Dessel, een gemeenschappelijke schuld is op grond van artikel 1408, eerste gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek.

Nu deze kredietopening van 17 oktober 1998 de herfinanciering beoogt van de eerdere eigen lening van de eiser van 4 februari 1994, beoogt zij vol¬gens het bestreden arrest "de delging van een eigen schuld", en is vergoeding verschuldigd voor het bedrag dat door het gemeenschappelijk vermogen op die kredietopening van 17 oktober 1998 werd terugbetaald, zijnde het bedrag van 65.527,60 euro, zoals door de verweerster gevorderd, en bestaande, zoals blijkt uit verweersters beroepsconclusie (p. 22, derde alinea), uit het kapitaal en de in¬tresten.

7. Nu, zoals aangevoerd in het eerste onderdeel, en hier voor zo¬veel als nodig uitdrukkelijk hernomen, voor de terugbetaling van een eigen schuld met bedragen uit het gemeenschappelijke vermogen, alleen vergoeding verschuldigd is voor de bedragen die uit het gemeenschappelijk vermogen wer¬den opgenomen ten belope van het kapitaal, en niet ten belope van de intresten, die immers op grond van artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, Burger¬lijk Wetboek, gemeenschappelijk zijn, geldt a fortiori bij de terugbetaling van een schuld die gemeenschappelijk is omdat ze werd aangegaan door beide echtgenoten (artikel 1408, eerste gedachtestreepje, BW), dat de intresten ten laste blijven van het gemeenschappelijk vermogen, ook al werd de schuld aan¬gegaan tot delging van een eigen schuld van een der echtgenoten, en is op grond van de artikelen 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek vergoeding verschuldigd.

Nu het bestreden arrest ook voor de lening van 17 oktober 1998, die een gemeenschappelijke schuld is en werd aangegaan tot delging van een eigen schuld van eiser, de vergoeding voor de bedragen opgenomen uit het ge¬meenschappelijk vermogen niet beperkt tot het kapitaal, maar uitstrekt tot de in¬tresten van deze gemeenschappelijke schuld, miskent het de artikelen 1398, 1406, 1407, eerste gedachtestreepje, 1408, eerste gedachtestreepje, 1408, vijfde gedachtestreepje, 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek.

Derde onderdeel

8. Naar luid van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te vol¬doen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Overeenkomstig artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de ver¬goeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde ver¬mogen, en wanneer de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen be¬dragen en gelden echter hebben gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbe¬teren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel in¬dien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is, en indien het vervreemde goed is vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.

9. Het bestreden arrest stelt vast dat partijen tijdens het huwelijk op 17 oktober 1998 een kredietovereenkomst hebben gesloten ter herfinanciering van een eigen schuld (lening) van de eiser, daterend van vóór het huwelijk, en toen aangegaan voor de overname van de aandelen van de cvba Van Dessel.

Deze vaststelling brengt met zich dat de tweede lening niet werd aangewend tot het verkrijgen van een goed (de aandelen) in de zin van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek, maar wel tot het delgen van een eigen schuld van de eiser.

Niettemin oordeelt het bestreden arrest dat niet alleen de oor¬spron¬kelijke lening van 4 februari 1994, maar ook de herfinanciering van 17 ok¬tober 1998 "betrekking hebben op de verwerving van de aandelen in de Cvba Van Dessel", zodat met toepassing van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek een herwaardering van de vergoeding mogelijk is.

10. Door ondanks de vaststelling dat de tweede lening een her¬financiering is van de eerste lening, en derhalve werd aangegaan tot delging van een eigen schuld van de eiser, toch te oordelen dat de tweede lening betrekking heeft op de verwerving van de aandelen, en dus de verwerving van een goed in de zin van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek, miskent het bestreden arrest de artikelen 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek, en besluit het niet wettig tot herwaardering van de vergoeding m.b.t. deze lening, waarvoor de zaak terug naar de boedelnotaris wordt verwezen (schending van dezelfde wetsbepalin¬gen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Krachtens artikel 1405, vierde lid, Burgerlijk Wetboek zijn gemeenschappelijk alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.

2. Hieruit volgt dat de echtgenoot die vergoeding vordert ten voordele van het gemeenschappelijk vermogen, niet moet bewijzen dat de aangroei van het eigen vermogen van een van de echtgenoten met gelden uit het gemeenschappelijk vermogen is gefinancierd. Het is aan de echtgenoot die de vordering tot betaling van een vergoeding betwist, het vermoeden van artikel 1405, vierde lid, voormeld te weerleggen en aan te tonen op welke manier hij de aangroei van zijn eigen vermogen heeft gefinancierd.

3. Het middel gaat ervan uit dat het volstaat dat de eiser het bewijs levert dat de gemeenschap niet over de middelen beschikte een bijdrage te leveren in de financiering, zonder dat hij dient aan te tonen op welke manier hij de aangroei van zijn eigen vermogen heeft gefinancierd.

Het middel dat uitgaat van de verkeerde rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

4. Krachtens artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Krachtens artikel 1435, aanhef, Burgerlijk Wetboek mag de vergoeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen.

Krachtens artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek zijn de intresten die een bijzaak vormen van de eigen schulden van een der echtgenoten gemeenschappelijk.

5. Hieruit volgt dat als de intrest op een eigen lening van een der echtgenoten is betaald met gemeenschapsgelden, deze echtgenoot daarvoor geen vergoeding is verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen.

6. De appelrechters die oordelen dat de notaris bij de bepaling van deze vergoeding ten onrechte enkel rekening houdt met de betaalde kapitaalaflossing en niet met de intrest, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

7. Om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, konden de appelrechters niet zonder schending van de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen oordelen dat de eiser vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen voor de intrest vervat in de terugbetalingen gedaan ingevolge de kredietopening die de partijen tijdens het huwelijk hebben aangegaan tot herfinanciering van de lening die voor het huwelijk door de eiser is aangegaan met het oog op de verwerving van de aandelen in Van Dessel cvba.

Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

8. Krachtens artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de vergoeding die het vergoedingsplichtige vermogen verschuldigd is niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Wanneer de bedragen en gelden die in het vergoedingsplichtige vermogen zijn gevallen, gediend hebben tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is.

9. Hieruit volgt dat het vermogen dat heeft bijgedragen tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed dat toebehoort aan een ander vermogen, moet kunnen meegenieten van de waardestijging die met deze bijdrage is gerealiseerd.

10. Het arrest stelt vast dat:

- de eiser voor het huwelijk een lening heeft afgesloten om de aandelen van Van Dessel cvba over te nemen;

- deze lening na het huwelijk verder werd afbetaald met gemeenschapsgelden;

- de partijen tijdens het huwelijk een kredietovereenkomst hebben aangegaan/afgesloten tot herfinanciering van het saldo van de voormelde lening;

- de bedragen verschuldigd ingevolge deze kredietovereenkomst tijdens het huwelijk gedeeltelijk werden terugbetaald met gemeenschapsgelden.

11. De appelrechters konden uit deze vaststellingen afleiden dat zowel de aanvankelijke lening als de latere kredietovereenkomst betrekking hebben op de aandelen in Van Dessel cvba. Hoewel de latere kredietovereenkomst heeft gediend om een eigen schuld van de eiser te delgen, moest zij de eiser immers toelaten deze aandelen te behouden.

De appelrechters konden dan ook zonder schending van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek en de andere in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen, oordelen dat bij het bepalen van de vergoeding waarop het gemeenschappelijk vermogen aanspraak maakt, zo nodig rekening zal worden gehouden met de waardevermeerdering die de voormelde aandelen hebben gekend.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de eiser gehouden is tot de vergoeding van de intrest door de gemeenschap betaald op de lening die door de eiser is aangegaan tot verwerving van de aandelen in Van Dessel cvba en op de kredietopening die is aangegaan tot herfinanciering van deze lening.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten en houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten voor de eiser op de som van 705,03 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 18 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Ontbinding

  • Vergoeding ten voordele van het gemeenschappelijk vermogen

  • Bewijs