- Arrest van 18 maart 2011

18/03/2011 - C.10.0382.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het is de rechter niet verboden de argumenten die de procespartijen voor het eerst in pleidooien aanvoeren, in zijn beoordeling te betrekken, mits hij het recht van verdediging niet miskent.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0382.N

J. P.,

eiser,

aan wie rechtsbijstand werd verleend op 24 juni 2010, (Nr. G.09.0222.N),

vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. P. N.,

2. C. N.,

beiden in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van Inter Controle en Herwerking bvba,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 oktober 2009.

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 744 Gerechtelijk Wetboek moeten de conclusies uitdrukkelijk de eisen van de concluderende partij uiteenzetten alsook de middelen in feite en in rechte waarop iedere eis steunt.

2. Volgens artikel 756bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek betekent, onverminderd de in artikel 735, § 3, bedoelde regels, het ontbreken of het ambtshalve weren van de conclusies geen verbod tot pleiten en geldt dit pleidooi niet als conclusie. Volgens het tweede lid van dat artikel kan een partij na het pleidooi van haar tegenpartij antwoordconclusies indienen.

3. Het is de rechter niet verboden de argumenten die de procespartijen voor het eerst in pleidooien aanvoeren, in zijn beoordeling te betrekken, mits hij het recht van verdediging niet miskent.

4. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de artikelen 741, 744, 756bis en 1042 Gerechtelijk Wetboek eraan in de weg staan dat de rechter zijn beslissing steunt op elementen die tijdens de pleidooien werden aangevoerd, faalt het naar recht.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser op de rechtszitting gevraagd heeft om ter zake van de door de verweerders in de pleidooien nieuw aangevoerde elementen, een conclusie te mogen indienen.

In zoverre het middel de miskenning aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de schending van artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, kan het niet worden aangenomen.

6. De appelrechters die hun beslissing steunen op door de partijen ter rechtszitting gegeven toelichting, miskennen het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen niet.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt niet dat de eiser het bedoelde stuk aan de appelrechters heeft overgelegd, noch dat de appelrechters van dit stuk hebben melding gemaakt.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op de som van 630,66 euro in debet en voor de verweerders op de som van 171,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 18 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Argumenten in pleidooien

  • Beoordeling door de rechter