- Arrest van 21 maart 2011

21/03/2011 - C.10.0244.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De opheffing van het strafbare karakter van het misdrijf van instandhouding door artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, heeft het verval van de op het misdrijf gesteunde strafvordering tot gevolg, maar deze wijziging brengt evenwel niet met zich mee dat de instandhouding, die strafbaar was in de periode waarin zij plaatsvond, niet langer de grondslag kan uitmaken van een herstelvordering voor de burgerlijke rechter.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0244.N

1. A. D. V.,

2. DE VREESE LOGISTIC nv, met zetel te 9790 Wortegem-Petegem, Petegemplein 29,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederostraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen, met kantoor te 9000 Gent, Gebr. Van Eyckstraat 2-6,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 april 2009.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 24 februari 2011 verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, voegt in artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 de volgende tekst als derde lid in: "De strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, geldt niet voor zover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijke kwetsbare gebieden, voor zover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg."

2. Bij arrest 14/2005 van 19 januari 2005 vernietigde het Grondwettelijk Hof in artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals ingevoerd bij decreet van 4 juni 2003, de woorden "voor zover ze geen onaantastbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg".

Ingevolge voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof geldt de strafsanctie voor het misdrijf van instandhouding alleen in het geval van instandhouding in een ruimtelijk kwetsbaar gebied.

3. De opheffing van het strafbare karakter van het misdrijf van instandhouding door artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, heeft het verval van de op het misdrijf gesteunde strafvordering tot gevolg.

Deze wijziging brengt evenwel niet met zich mee dat de instandhouding, die strafbaar was in de periode waarin zij plaatsvond, niet langer de grondslag kan uitmaken van een herstelvordering voor de burgerlijke rechter.

4. Krachtens artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999, kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.

5. Deze maatregelen hebben een civielrechtelijk karakter. Als bijzondere vorm van vergoeding of teruggave strekken zij ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad.

6. De vordering van de stedenbouwkundig inspecteur tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand is een burgerlijke rechtsvordering zoals bedoeld in artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en is bijgevolg onderworpen aan de regels inzake verjaring van de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf.

Overeenkomstig artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade. Zij kan echter niet verjaren voor de strafvordering.

7. De appelrechters stellen vast dat de verweerder de herstelvordering grondt op de instandhoudingsmisdrijven van de zonder voorafgaande vergunning uitgevoerde reliëfwijziging en bestemmingswijziging.

Zij oordelen dat het bij decreet van 4 juni 2003 ingevoerde artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 enkel een schulduitsluitingsgrond bevat, die het strafbare karakter van de instandhouding niet opheft en die geen afbreuk doet aan de kwalificatie van de feiten als misdrijf.

Zij oordelen voorts dat, aangezien de herstelvordering, overeenkomstig artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, niet verjaart voor de strafvordering, en tot op heden geen einde gesteld is aan de instandhouding van de inbreuk van de reliëfwijziging, de daarop gesteunde herstelvordering niet verjaard is.

8. Door aldus te oordelen dat het misdrijf van instandhouding was blijven bestaan na de invoering van artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 bij decreet van 4 juni 2003, en de herstelvordering, gelet op artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, derhalve niet kon verjaren, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre het hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare rechtszitting van 21 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Ruimtelijke ordening Vlaams Gewest

  • Inbreuken en sancties

  • Misdrijf van instandhouding

  • Opheffing van het strafbare karakter