- Arrest van 21 maart 2011

21/03/2011 - C.10.0631.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer na de uitspraak van de dwangsomrechter komt vast te staan dat de voldoening van de hoofdveroordeling reeds voordien onmogelijk was, dan verliest de dwangsom iedere zin als prikkel om de nakoming van de hoofdveroordeling te verzekeren en strekt zij enkel tot bestraffing van de schuldenaar.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0631.N

G. M.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

G. L.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 juni 2010.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 24 februari 2011 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1385quinquies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde, de dwangsom opheffen, verminderen of de looptijd ervan verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

2. Wanneer na de uitspraak van de dwangsomrechter komt vast te staan dat de voldoening van de hoofdveroordeling reeds voordien onmogelijk was, dan verliest de dwangsom iedere zin als prikkel om de nakoming van de hoofdveroordeling te verzekeren en strekt zij enkel tot bestraffing van de schuldenaar.

3. Het arrest dat voor de toepassing van artikel 1385quinquies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek weigert rekening te houden met de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen om reden dat deze onmogelijkheid reeds bestond vóór de hoofdveroordeling is niet naar recht verantwoord.

4. Deze uitlegging van artikel 1385quinquies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek dat overeenkomt met artikel 4 Eenvormige Wet is voor de handliggend zodat geen prejudiciële vraag dient te worden gesteld.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare rechtszitting van 21 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Onmogelijkheid aan de hoofdveroordeling te voldoen

  • Onmogelijkheid die reeds bestond voor de uitspraak