- Arrest van 23 maart 2011

23/03/2011 - P.10.1757.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De procureur des Konings kan vorderen dat een persoon die door de onderzoeksrechter niet in verdenking is gesteld naar het vonnisgerecht wordt verwezen; in dat geval wordt de persoon vervolgd zowel in de hoedanigheid van inverdenkinggestelde als in de hoedanigheid van persoon tegen wie de strafvordering is ingesteld (1). (1) Zie Cass., 23 okt. 2002, AR P.01.1088.F, A.C., 2002, nr. 562; Cass., 17 okt. 2006, AR P.06.0829.N-P.06.0860.N, A.C., 2006, nr. 492.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1757.F

I. T. A.,

II. P. E.,

III. M. J.,

Mr. Jean-Pierre Buyle en mr. André-Pierre André-Dumont, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 oktober 2010.

De eiser M. J. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

B. Cassatieberoep van M. J.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die het hoger beroep van de eiser tegen de verwijzingsbeschikking inzake het bestaan van voldoende aanwijzingen van schuld, niet ontvankelijk verklaart.

De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, voor het overige, het hoger beroep van de eiser tegen de verwijzingsbeschikking niet gegrond verklaart.

De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep op grond dat het voorbarig is ingesteld.

Met toepassing van de artikelen 135, § 2, en 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, kan de inverdenkinggestelde wanneer, zoals te dezen, de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan over een grond van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering, onmiddellijk cassatieberoep instellen tegen die beslissing.

Er is geen grond om akte te verlenen van de afstand van het cassatieberoep dat door dwaling is aangetast.

Eerste middel

Beide onderdelen samen

De eiser, die door de onderzoeksrechter niet in verdenking is gesteld, voert aan dat de appelrechters de artikelen 61bis en 130 Wetboek van Strafvordering hebben geschonden, door te oordelen dat hij in de hoedanigheid van inverdenkinggestelde naar de correctionele rechtbank kon worden verwezen. Het middel voert ook aan dat het arrest door een motiveringsgebrek is aangetast, daar het de eiser aldus als inverdenkinggestelde omschrijft.

Krachtens het voormelde artikel 61bis gaat de onderzoeksrechter over tot de inverdenkingstelling van elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan. Die bepaling belet de procureur des Konings evenwel niet om de verwijzing van een niet inverdenkinggestelde persoon naar het vonnisgerecht te vorderen. In dat geval wordt de persoon vervolgd ongeacht de hoedanigheid van inverdenkinggestelde dan wel van persoon tegen wie de strafvordering is ingesteld.

Het arrest, dat oordeelt dat het gebrek aan inverdenkingstelling niet inhoudt dat de eiser onmogelijk naar de correctionele rechtbank kan verwezen worden en dat de raadkamer een inverdenkinggestelde kan verwijzen wegens feiten waarvoor geen of slechts een gedeeltelijk gerechtelijk onderzoek was gevoerd, maar waarvoor de procureur des Konings zijn verwijzing vordert, omkleedt, zonder in de tegenstrijdigheid te vervallen die de eiser eraan toeschrijft, zijn beslissing regelmatig met redenen en verantwoordt ze naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel verwijt het arrest dat het de artikelen 73 en 83 Faillissementswet en 198, § 1, Wetboek van Vennootschappen schendt, door te beslissen dat de verjaring pas is beginnen te lopen na de ontbinding en de sluiting van de vereffening van de geviseerde vennootschappen, die de onbetaalde belastingen verschuldigd zijn.

Uit geen van de aangevoerde bepalingen volgt dat het gebruik van een vals stuk niet kan blijven duren na de sluiting van de verrichtingen van het faillissement van een rechtspersoon.

Aangezien de wet het gebruik van valse stukken niet heeft gedefiniëerd, staat het aan de rechter om in feite te beoordelen wat een dergelijk gebruik uitmaakt en met name na te gaan of dat gebruik een ander blijft misleiden of schaden en aldus de door de vervalser gewenste uitwerking blijft hebben.

Het arrest oordeelt dat de eiser uit het enkele feit dat de geviseerde vennootschappen ontbonden werden, niet kon afleiden dat de belastingadministratie geen slachtoffer meer was van de valsheid en van het gebruik van het valse stuk, aangezien de ontbinding van die vennootschappen ze niet vrijstelt van de verplichting om binnen de wettelijke termijnen een aangifte in de vennootschapsbelasting in te dienen en om de eventueel verschuldigde belasting te betalen, met inbegrip van de voorheffingen.

Met die overwegingen beslissen de appelrechters naar recht dat de verjaring niet verkregen was.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van M. J. in zoverre het gericht is tegen de beslissing die zijn hoger beroep niet ontvankelijk verklaart.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, als voorzitter, de raadsheren Albert Fettweis, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 23 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Regeling van de rechtspleging

  • Verwijzing

  • Geen inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter

  • Wettigheid