- Arrest van 23 maart 2011

23/03/2011 - P.10.1355.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De kamer van inbeschuldigingstelling die, op het hoger beroep, op regelmatige wijze kennis neemt van de zaak, dient op verzoek van een partij de regelmatigheid van een onderzoekshandeling te onderzoeken (1). (1) Zie Cass., 24 nov. 1999, AR P.99.1524.F, A.C., 1999, nr. 628; Cass., 3 dec. 2003, AR P.03.1545.F, A.C., 2003, nr. 618.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1355.F

S. K.,

Mr. Didier Grignard en mr. Alexandre de Fabribeckers, advocaten bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 juni 2010.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

De echtgenoot van de eiseres is op 23 november 2009 te Luik overleden in omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de opening van een gerechtelijk onderzoek wegens moord.

De eiseres heeft op 5 mei 2010 een verzoek gericht aan de onderzoeksrechter tot opheffing van het verbod het lichaam te cremeren.

Bij beschikking van 7 mei 2010 heeft de onderzoeksmagistraat het verzoek ontvankelijk maar niet gegrond verklaard.

Het bestreden arrest dat uitspraak doet over het hoger beroep dat tegen die beschikking is ingesteld, verklaart het verzoek niet ontvankelijk.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering uitspraak doet

Het bestreden arrest verklaart het verzoek dat op het voormelde artikel 61quater is gegrond, niet ontvankelijk op grond dat het stoffelijk overschot van het slachtoffer geen goed is in de zin van die bepaling.

De beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling die met toepassing van artikel 61quater uitspraak doen, zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en vallen niet onder de gevallen die in het tweede lid van dat artikel zijn bedoeld. Buiten de gevallen waarin het hof van beroep uitspraak heeft gedaan over de regelmatigheid van de in het verzoek bedoelde onderzoekshandeling, kan tegen die arresten geen cassatieberoep worden ingesteld vooraleer in de zaak een eindvonnis of -arrest is gewezen.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk en het eerste middel van de eiseres dat geen betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, behoeft geen antwoord.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die verzuimt uitspraak te doen over het gevraagde toezicht op de regelmatigheid van een onderzoekshandeling

Tweede middel

De eiseres verzocht bij conclusie voor de kamer van inbeschuldigingstelling dat het verbod op crematie zou worden nietigverklaard, op grond dat dit verbod artikel 19 Grondwet en artikel 9 EVRM schendt.

De kamer van inbeschuldigingstelling die op het hoger beroep op regelmatige wijze kennisneemt van de zaak, diende overeenkomstig artikel 235bis, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, de regelmatigheid van de onderzoekshandeling te onderzoeken, waarom aldus was verzocht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre de kamer van inbeschuldigingstelling het toezicht op de regelmatigheid van de onderzoekshandeling met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering niet uitoefent.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, als voorzitter, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 23 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onderzoekshandelingen

  • Regelmatigheid

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Regelmatige aanhangigmaking

  • Toezicht

  • Verplichting