- Arrest van 24 maart 2011

24/03/2011 - C.10.0111.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Indien de echtscheiding werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007, overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek, vallen het recht op de uitkering na de echtscheiding en de voorwaarden voor de vaststelling ervan, met inbegrip van de duur van die uitkering, nog steeds onder de toepassing van de vroegere artikelen 301, 306, 307 en 307bis van datzelfde wetboek (1). (1) Volgens het O.M. was het onderdeel niet ontvankelijk, aangezien het niet preciseerde welke wettelijke bepalingen door het arrest waren geschonden.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0111.F

W. P.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

F. S.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 21 april 2009 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 42, § 3, en 44 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest beslist dat de onderhoudsuitkering die het ten voordele van de verweerster toekent, niet onder de wettelijke bepalingen valt die gewijzigd zijn bij de wet van 21 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, en in het bijzonder niet onder het nieuwe artikel 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek.

Het verantwoordt die beslissing om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en in het bijzonder om de volgende redenen:

"De verweerster heeft het recht op de uitkering verkregen onder vigeur van de oude wet en volgens artikel 42, § 2, van de overgangsbepalingen kan alleen de duur van haar onderhoudsuitkering nog worden beperkt (artikel 42, § 5).

Het bedrag en de toepassingsvoorwaarden van de uitkering worden nog steeds geregeld overeenkomstig de oude wet, daar de wetgever de regels van de nieuwe wet alleen op de duur van de onderhoudsuitkering toepasselijk heeft gemaakt.

Toch moet wat dat betreft worden vastgesteld dat het Grondwettelijk Hof die bepaling in een arrest van 3 december 2008 ongrondwettig heeft verklaard en artikel 42, § 5, van de wet van 21 april 2007 heeft vernietigd, wat de hieronder uiteengezette beginselen nog meer kracht bijzet. Het Grondwettelijk Hof meent dat 'de regeling die de uitkering van rechtswege beëindigt na een duur die gelijk is aan die van het huwelijk, op discriminerende wijze afbreuk doet aan de gewettigde verwachtingen van de personen wier situatie onder de gelding van de vroegere wet was vastgesteld en enkel onder de bij die wet vastgestelde voorwaarden kon worden gewijzigd'.

Het is ondenkbaar dat het recht op uitkering, waarvan zowel de regels voor de toekenning als de criteria voor de vaststelling van het bedrag of de regels voor de wijziging ervan onder vigeur van de vroegere wet één coherent geheel vormden dat gerechtvaardigd werd vanuit de gedachte dat de uitkering na echtscheiding een vergoeding was, niet langer geheel door eenzelfde wettelijke regeling zou worden beheerd, maar tussen twee regelingen in zou vallen. Indien de onschuldige ex-echtgenoot het recht op uitkering heeft verkregen, is zijn recht niet alleen te beschouwen als een uitkering waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien maar tevens als een vergoeding die hem in staat stelt zijn bestaan voort te zetten op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven. De levensstandaard tijdens het samenleven moet het criterium blijven voor de vaststelling van het bedrag van (zie J.-Ch. Brouwers, ‘La réforme du divorce', Rev. not. b., 2007, p. 627 en 628 ; N. Dandoy, ‘La réforme du divorce : les effets alimentaires', R.T.D.F., 2007, p. 1087 e.v. ; P. Senaeve, ‘Nieuwe echtscheidingsrecht, Documentatiemap', Universiteit Antwerpen, 2007, nrs. 13 en 14 ; J.-P. Masson, ‘La loi du 27 avril 2007 réformant le divorce', J.T., 2007, 542)".

Grieven

Artikel 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het is vervangen bij artikel 7 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, bepaalt dat "de duur van de uitkering niet langer mag zijn dan die van het huwelijk". Vóór de inwerkingtreding van die bepaling werd de duur van de uitkeringen tot levensonderhoud nooit beperkt.

Artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 bepaalt dat, "indien de echtscheiding werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek, het in artikel 301 van dat wetboek bepaalde recht op een uitkering verworven of uitgesloten blijft krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden".

Artikel 44 van dezelfde wet bepaalt dat "deze wet in werking treedt op 1 september 2007".

Artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "de wet alleen beschikt voor het toekomende ; zij heeft geen terugwerkende kracht". Overeenkomstig dat artikel is de nieuwe wet van toepassing op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (Cass., 2 mei 1994, A.C., nr. 212).

Eerste onderdeel

Artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 bepaalt dat, indien de echtscheiding werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van die wet, overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek, het in artikel 301 van hetzelfde Wetboek bepaalde recht op uitkering verworven of uitgesloten blijft krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden.

Artikel 44 van de wet van 27 april 2007 bepaalt dat die wet in werking treedt op 1 september 2007.

Uit de processtukken volgt dat de echtscheiding tussen de partijen definitief is uitgesproken op 15 juni 2001, dus vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007, overeenkomstig het vroegere artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek.

Uit het arrest van 22 juni 2007 volgt dat er op die datum nog geen uitspraak kon worden gedaan over de onderhoudsuitkering. Het hof van beroep te Luik heeft immers pas bij het bestreden arrest van 21 april 2009, na de levensomstandigheden tijdens het samenleven en de huidige inkomsten van de echtgenoten te hebben vastgesteld, beslist dat de verweerster recht had op een uitkering. Zolang de feitenrechter de staat van behoefte niet heeft vastgesteld, kan niet beschouwd worden dat het recht op een onderhoudsuitkering is ontstaan.

Indien die reden aldus moet worden uitgelegd dat het recht op de onderhoudsuitkering is verkregen terwijl de vroegere wet van toepassing was, is het bestreden arrest, in zoverre het beslist dat "[de verweerster] het recht op de uitkering verkregen heeft onder vigeur van de oude wet", bijgevolg niet naar recht verantwoord. Volgens die uitlegging is het recht op de onderhoudsuitkering immers niet verkregen onder vigeur van de vroegere wet in de zin van de artikelen 42, § 3, en 44 van de wet van 27 april 2007, dat wil zeggen vóór de inwerkingtreding van die wet, aangezien het recht is verkregen op 21 april 2009.

Indien die reden aldus moet worden uitgelegd dat het recht op de onderhoudsuitkering is verkregen overeenkomstig de wet die voordien van toepassing was, is het bestreden arrest evenmin naar recht verantwoord, daar het nieuwe artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek de rechtsregel is die van toepassing is op de duur van een onderhoudsuitkering die is toegekend na de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 (tweede onderdeel).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Eerste onderdeel

Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat, indien de echtscheiding werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007, overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek, het recht op de uitkering na de echtscheiding en de voorwaarden voor de vaststelling ervan, met inbegrip van de duur van die uitkering, nog steeds onder de toepassing vallen van de vroegere artikelen 301, 306, 307 en 307bis van datzelfde wetboek.

Wat dat betreft maakt het niet uit dat er op de datum van de echtscheiding nog geen uitspraak kon worden gedaan over de onderhoudsuitkering of dat de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde pas achteraf werd vastgesteld.

Het onderdeel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Albert Fettweis, Sylviane Velu, Martine Regout en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 24 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Echtscheiding uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007

  • Toepassing van de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek

  • Uitkering na echtscheiding

  • Voorwaarden voor de vaststelling van de uitkering na echtscheiding

  • Toepasselijke bepalingen