- Arrest van 24 maart 2011

24/03/2011 - C.10.0130.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De voorzitter is krachtens artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd om uitspraak te doen over alle tussengeschillen betreffende de tenuitvoerlegging van de voormelde maatregelen, met inbegrip van de tussengeschillen die n.a.v. de neerlegging van het verslag van de deskundige zijn gerezen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0130.F

NOVARTIS, vennootschap naar Zwitsers recht,

tegen

1. GLAXOSMITHKLINE, in 't kort GSK, naamloze vennootschap,

2. B. J.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest op 4 december 2009 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan die luiden als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 19, eerste lid, 23, 24, 25, 26, 973, § 2 (zoals gewijzigd bij artikel 11 van de wet van 15 mei 2007), en 1369bis/7, 8 en 10 (zoals ingevoegd bij de artikelen 28, 29 en 31 van de wet van 10 mei 2007) van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 34 van de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater van het Strafwetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het verzoek van de verweerster om de volgende redenen ontvankelijk:

"A. De nietigheid van het verzoek tot hoger beroep

De keuze van de woonplaats

16. Het verzoek tot hoger beroep vermeldt dat de geïntimeerde de vennootschap naar Zwitsers recht 'Novartis' is met zetel in Zwitserland, te Basel, Lichtstrasse 35, die blijkens de bestreden beschikking eerst keuze van woonplaats heeft gedaan op het kabinet van haar raadslieden te Brussel, Havenlaan 86C, bus 414, en later, in de betekening van de bestreden beschikking op 10 september 2009, op het kantoor van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, de heer O. V., gerechtsdeurwaarder met standplaats te N., ...'.

De griffie van het hof [van beroep] heeft het verzoek tot hoger beroep ter kennis gebracht op de gekozen woonplaats op het advocatenkantoor van Novartis te Brussel, en op het kantoor van gerechtsdeurwaarder C..

17. Novartis beweert dat de huidige procedure niet kan worden beschouwd als de voortzetting van de procedure van het beschrijvend beslag omdat die definitief afgesloten werd door het indienen van het verslag van de door de voorzitter van de rechtbank van koophandel aangewezen deskundige.

De keuze van woonplaats van Novartis in het kader van de procedure van het beschrijvend beslag op grond van artikel 1369bis/2 van het Gerechtelijk Wetboek geldt bijgevolg niet meer voor de huidige procedure. Volgens Novartis moest het verzoek tot hoger beroep ter kennis zijn gebracht op haar zetel in Zwitserland en diende zij overeenkomstig de artikelen 55, 1035 en 1040 van het Gerechtelijk Wetboek over een termijn van verschijning van 32 dagen te beschikken.

De geldigheid van het verzoek tot hoger beroep hangt af van de aard van de huidige procedure: betreft zij al dan niet een incident van het beschrijvend beslag?

Als dit het geval is, zou de keuze van woonplaats van Novartis voor het beschrijvend beslag op het kabinet van haar advocaten, overeenkomstig artikel 1369bis/2 van het Gerechtelijk Wetboek, ook gelden voor de huidige procedure.

Novartis betwist immers niet dat het door GSK ingestelde derdenverzet ten gevolge van de beschikking van 3 maart 2009 kon worden gedaan op grond van de keuze van woonplaats op het kabinet van haar advocaten.

2. De aard van de huidige procedure

18. GSK betwist de vorm van het deskundigenverslag met de beschrijving van haar activiteiten niet als dusdanig maar ze verwijt de deskundige in bijlage 1 van dat verslag, bijna alle door haar overhandigde documenten te hebben gevoegd zonder de voor zijn opdracht niet relevante confidentiële informatie te verwijderen.

19. Artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat 'de voorzitter die de beschikking (van het beschrijvend beslag) heeft uitgesproken kennis neemt van alle incidenten in verband met de uitvoering van de beschrijvings- en beslagmaatregelen'.

Volgens de parlementaire voorbereiding van artikel 29 van de wet van 10 mei 2007 die deze beschikking heeft ingevoerd, 'heeft artikel 1369bis/8 geen ‘tegenhanger' in de artikelen 1481 tot 1488. Inderdaad, de artikelen 1395 en 1396 van het Gerechtelijk Wetboek verlenen aan de beslagrechter de bevoegdheid alle incidenten die kunnen gebeuren bij het instellen of uitvoeren van de bevolen maatregelen te regelen, en dus, onder meer, te waken over het goede verloop van de beslagen inzake namaak. Een gelijkaardige bevoegdheid wordt verleend aan de voorzitter van de rechtbank die de beschikking van beslag inzake namaak heeft uitgesproken'. (Parl. St., Kamer, zitting 2006/2007, nr. 51/2943-2944/1, p. 68-69).

De voorzitter van de rechtbank van koophandel die de beschikking inzake de beschrijving gegeven heeft beschikt aldus over een gelijkaardige bevoegdheid als de beslagrechter in de vroegere procedure van beschrijvend beslag.

20. De vroegere artikelen 1481 tot 1488 van het Gerechtelijk Wetboek, waarnaar de parlementaire voorbereiding van artikel 1369bis/8 verwijst, verlenen aan de beslagrechter de bevoegdheid om de beschrijving te bevelen van de beweerd nagemaakte voorwerpen of werkwijzen en om de houder van die voorwerpen te verbieden zich hiervan te ontdoen. Die bepalingen zeggen niets over het gerecht dat bevoegd is om kennis te nemen van incidenten van het beslag inzake namaak.

De vroegere artikelen 1481 tot 1488 van het Gerechtelijk Wetboek vormen echter het hoofdstuk VIII van titel II betreffende het bewarend beslag. In het kader van het stelsel dat voorafgaat aan de wet van 15 mei 2007 betreffende het burgerlijke aspect van de bescherming van de intellectuele eigendom, is het beslag inzake namaak een bewarend beslag.

Volgens artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek 'worden alle vorderingen betreffende bewarende beslagen, middelen tot tenuitvoerlegging (...)' echter 'voor de beslagrechter gebracht', terwijl artikel 1396 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat 'onverminderd de bij de wet bepaalde middelen van nietigheid, de beslagrechter zorg draagt dat de bepalingen inzake bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging worden nagekomen'.

De beslagrechter was dus bevoegd om kennis te nemen van de incidenten inzake de bewarende beslagen en hun tenuitvoerlegging. Bijgevolg was de beslagrechter, bij een incident over de tenuitvoerlegging van de door hem bevolen beschrijving op grond van de vroegere artikelen 1481 tot 1488 van het Gerechtelijk Wetboek, overeenkomstig de artikelen 1395 tot 1396 van hetzelfde wetboek, bevoegd om daarvan kennis te nemen.

21. Volgens de voormelde parlementaire voorbereiding van het artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek heeft de voorzitter van de rechtbank van koophandel die de beschikking inzake namaak heeft uitgesproken een gelijkaardige bevoegdheid als de beslagrechter die, in het vroegere stelsel, bevoegd was om alle incidenten te regelen die zich kunnen voordoen bij het instellen of uitvoeren van de door hem bevolen maatregelen op grond van de artikelen 1395 en 1396 van het Gerechtelijk Wetboek.

In het kader van artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek moet, volgens de parlementaire voorbereiding van die bepaling, de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel dus worden uitgelegd in het licht van de bevoegdheid van de beslagrechter zoals die is bepaald in de artikelen 1395 en 1396 van het Gerechtelijk Wetboek in het kader van de vroegere procedure van beschrijvend beslag beschreven in de artikelen 1481 tot 1488 van het Gerechtelijk Wetboek en niet met verwijzing naar het deskundigenonderzoek van het gemeenrecht.

22. GSK werpt te dezen op dat de deskundige die bijna alle van GSK naar aanleiding van het beslag ontvangen documenten in niet uitgezuiverde vorm aan zijn verslag heeft toegevoegd, hierdoor de opdracht heeft miskend die hem was toevertrouwd bij de beschikking van 3 maart 2009 van de voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel, en ook artikel 1369bis/1, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek heeft geschonden. Zij stoelt haar vordering ook op artikel 1369bis/6 van het Gerechtelijk Wetboek dat de deskundige de verplichting oplegt om, gedurende het hele verloop van de handelingen van beschrijving en bij de opstelling van zijn verslag, te waken over de vrijwaring van de wettige belangen van de beweerde inbreukmaker, in het bijzonder over de bescherming van vertrouwelijke informatie.

Die vordering heeft een incident in verband met de uitvoering van de door de voorzitter van de rechtbank van koophandel bevolen beschrijvingsmaatregelen bij het neerleggen van het deskundigenverslag tot voorwerp. Ook al vormt het neerleggen van het verslag door de deskundige de voltooiing van de beschrijvingsmaatregelen die de voorzitter van de rechtbank van koophandel heeft bevolen, toch maakt het deel uit van de uitvoering van die maatregelen. De wet verbiedt geenszins dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel kennis neemt van een incident bij het neerleggen van dat verslag.

Integendeel, de parlementaire voorbereiding van artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek omschrijft de bevoegdheden van de voorzitter van de rechtbank van koophandel als gelijkaardig aan die van de beslagrechter in het kader van de artikelen 1395 en 1396 van hetzelfde wetboek, namelijk 'de bevoegdheid om alle incidenten die kunnen gebeuren bij het instellen of uitvoeren van de bevolen maatregelen te regelen'.

De overwegingen van Novartis die stoelen op het deskundigenonderzoek zijn van gemeen recht en bijgevolg hier niet pertinent, vermits de vordering het beschrijvend beslag betreft, een bijzondere procedure geregeld door de voormelde bijzondere bepalingen.

23. Vermits de vordering van GSK een incident is in verband met de uitvoering van de beschrijvingsmaatregelen in de zin van artikel 1368bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek, dat tot de bevoegdheid behoort van de voorzitter van de rechtbank van koophandel die de beschrijvingsmaatregelen heeft bevolen, geldt de keuze van woonplaats van Novartis voor de beschrijving op het kabinet van haar raadsman voor de huidige procedure.

De exceptie van nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep die Novartis heeft opgeworpen is bijgevolg niet gegrond.

B. De nietigheid van de dagvaardingen van 24 juni en 31 juli 2009

24. De gedinginleidende dagvaarding werd betekend op het kantoor van de advocaten Novartis, namelijk op de voor de beschrijving gekozen woonplaats, overeenkomstig artikel 1369bis/2 van het Gerechtelijk Wetboek.

Novartis werpt tevergeefs op dat de dagvaarding die niet op haar zetel werd betekend nietig is om reden dat de keuze van woonplaats niet meer geldig is in het kader van de huidige procedure.

Om de hierboven uiteengezette redenen, is de vordering een incident van de uitvoering van de door de voorzitter van de rechtbank van koophandel bevolen beschrijvings-maatregelen waarvoor Novartis het kabinet van haar advocaten als woonplaats heeft gekozen. Die keuze van woonplaats blijft dus geldig voor de huidige procedure. De gedinginleidende dagvaarding kon bijgevolg geldig worden betekend op de door Novartis gekozen woonplaats.

25. Bijgevolg is de door Novartis opgeworpen exceptie van nietigheid van de dagvaarding van 24 juni 2009 niet gegrond.

26. Het onderzoek van de excepties van nietigheid inzake de dagvaarding van 31 juli 2009 en de beschikking van 30 juli 2009 die een kortere dagvaardingstermijn heeft toegestaan vertoont geen belang aangezien de vordering door de eerste dagvaarding van 24 juni 2009 op geldige wijze werd ingesteld bij de eerste rechter.

C. Ontvankelijkheid van de vordering

27. Volgens Novartis is de vordering van GSK niet ontvankelijk doordat ze eigenlijk een buiten de termijn ingesteld derdenverzet is tegen de op 3 maart en 7 mei 2009 gewezen beschikkingen.

Om het voorwerp ervan te bepalen moet men steunen op de vordering zoals die door de gedinginleidende dagvaarding werd ingediend.

In de dagvaarding van 24 juni 2009, vraagt GSK aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel om de deskundige te bevelen slechts die' informatie' in zijn verslag mee te delen 'die rechtstreeks nuttig en pertinent is voor zijn opdracht, hetzij door de stukken als bijlage I van zijn deskundigenverslag weg te laten, hetzij door alle informatie die niet aan die criteria beantwoordt uit die stukken te wissen'

Novartis beweert dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel, bij beschikking van 3 maart 2009, aan de deskundige vraagt 'een gedetailleerde en gedocumenteerde beschrijving te geven van de door GSK gehanteerde procédés' bij de vervaardiging van haar vaccins en 'elke mogelijke bron van informatie te onderzoeken en te beschrijven die in de ruimste zin pertinent kan zijn om te bepalen of GSK of een van haar dochterondernemingen een of meerdere procédés gebruikt of heeft gebruikt die binnen het toepassingsveld kunnen vallen van enige conclusie van het octrooi'.

Novartis meent dat GSK de hervorming van die beschikking nastreeft waar ze vraagt dat de deskundige in zijn verslag uitsluitend de ‘rechtstreeks nuttige en pertinente' informatie vermeldt in plaats van alle informatie die ‘in de ruimste zin' pertinent kan zijn voor de procedure ten gronde.

28. In tegenstelling tot wat Novartis beweert, behoort het citaat uit de beschikking van 3 maart 2009, die de gedetailleerde en gedocumenteerde beschrijving van de door GSK gebruikte procédés bij de vervaardiging van sommige vaccins betreft, niet tot de door de beschikking voorgeschreven opdracht van de deskundige maar betreft ze de toestemming die aan Novartis is gegeven om de bewijzen van de namaak te verzamelen.

Het gedeelte van het dictum van de beschikking waaruit dat citaat is gehaald luidt als volgt: 'wij staan (Novartis) toe om de bewijzen te verzamelen van een vermeende namaak van het octrooi [...] op de zetel van de vennootschap GSK Biologicals [...], en ook op alle plaatsen waar GSK een exploitatiezetel heeft in België, [...] waar de procédés of de producten waarvan men vermoedt dat ze een inbreuk zijn op de onderdelen [...] van het octrooi EP 489 kunnen worden beschreven, en waar enige informatie betreffende eventuele handelingen van namaak door GSK kan worden verkregen en meer bepaald over te gaan tot een gedetailleerde en gedocumenteerde beschrijving van de door GSK gebruikte procédés bij de vervaardiging van de vaccins'.

In dit gedeelte van de beschikking, staat de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel Novartis aldus toe een gedetailleerde en gedocumenteerde beschrijving van de door GSK gebruikte procédés bij de vervaardiging van desbetreffende vaccins te maken om het bewijs van een vermeende namaak te leveren. Die toestemming behoort niet tot de omschrijving die de voorzitter van de rechtbank van de opdracht van de deskundige heeft gegeven.

De vordering die voorkomt in de oorspronkelijke dagvaardingen van GSK die volgens Novartis een derdenverzet tegen de beschikking is, kan niet aldus worden omschreven omdat ze niet de hervorming van die beschikking beoogt. De vordering van GSK betreft inderdaad het verslag zelf van de deskundige en zijn bijlagen en niet de aan Novartis verleende toestemming om de bewijzen te verzamelen van een vermeende namaak van het octrooi. Zij heeft dus een ander voorwerp.

29. Het tweede citaat van Novartis uit de beschikking betreft wel degelijk de opdracht van de deskundige die 'elke mogelijke bron van informatie moet onderzoeken en beschrijven die in de ruimste zin pertinent kan zijn om te bepalen of GSK [...] een of meerdere procédés gebruikt of heeft gebruikt die binnen het toepassingsveld kunnen vallen van gelijk welke conclusie van het octrooi, zonder enige beperking'. Het niet opleggen van een beperking heeft betrekking op de opdracht van de deskundige die erin bestaat om elke informatiebron die in de ruimste zin pertinent kan zijn te onderzoeken en te beschrijven in zijn verslag.

De vordering van GSK betreft uitsluitend de stukken van bijlage 1 van dat verslag, te weten het afschrift van de stukken die zij aan de deskundige heeft meegedeeld. De volledige formulering van dit punt van de vordering luidt als volgt: ' de deskundige te bevelen slechts die 'informatie' in zijn verslag mee te delen die rechtstreeks nuttig en pertinent is voor zijn opdracht hetzij door de stukken als bijlage I van zijn deskundigenverslag weg te laten, hetzij door alle informatie die niet aan die criteria beantwoordt uit de stukken te wissen'. Die vordering beperkt dus niet de omvang van de opdracht van de deskundige betreffende het onderzoek en de beschrijving van elke bron van informatie die mogelijk pertinent is, zoals door de beschikking is bepaald, maar is uitsluitend van toepassing op het meedelen van de in bijlage 1 van zijn verslag opgesomde stukken.

Bijgevolg is de vordering van GSK geen vermomd derdenverzet tegen de beschikking van 3 maart 2009 omdat zij geen enkele beperking bevat van de door die beschikking voorgeschreven opdracht van de deskundige die niet de omvang bepaalt van het meedelen van de stukken als bijlagen bij zijn verslag.

30. Novartis ziet de vordering van GSK als een inmenging in de opdracht van de deskundige die moet kunnen beoordelen welke bijlagen bij zijn verslag meent te moeten voegen. Volgens artikel 1369bis/6 van het Gerechtelijk Wetboek, waakt de deskundige gedurende het hele verloop van de handelingen van beschrijving en bij de opstelling van zijn verslag, over de vrijwaring van de wettige belangen van de beweerde namaker, in het bijzonder over de bescherming van vertrouwelijke informatie. De uitvoering van die verplichting kan, ook bij de opstelling van het verslag, aanleiding geven tot een incident in verband met de uitvoering van de beschrijvingmaatregelen die, overeenkomstig artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek, onder de bevoegdheid valt van de voorzitter die de beschikking heeft uitgesproken. Bij een conflict, zoals te dezen, tussen het recht van de verzoeker op de beschrijving en de bescherming van de vertrouwelijke gegevens van de beweerde namaker volgt de inmenging in de wijze waarop de deskundige zijn opdracht uitvoert uit de wet.

31. Om de reeds uiteengezette redenen, is artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek hier van toepassing en verleent het aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel en aan het hof [van beroep] de bevoegdheid om kennis te nemen van de vordering van GSK.

32. Bijgevolg is de door GSK ingestelde vordering ontvankelijk".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat "de voorzitter die de beschikking heeft uitgesproken kennis neemt van alle incidenten in verband met de uitvoering van de beschrijvings- en beslagmaatregelen".

Dat artikel wijkt echter geenszins af van de artikelen 19, eerste lid, 23, 24, 25 en 26 van het Gerechtelijk Wetboek, die de wettelijke omstandigheden bepalen waarin sprake is van machtsoverschrijding en gezag van gewijsde.

De voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel had hierover reeds uitspraak gedaan, zowel over de vordering op eenzijdig verzoekschrift van 2 maart 2009 strekkende tot beschrijvend beslag als over het derdenverzet tegen de machtiging daartoe, waardoor het deskundigenverslag en zijn bijlagen, onder bepaalde voorwaarden, mocht worden meegedeeld aan Novartis.

Zodoende beveelt de beschikking van 7 mei 2009, die op 8 mei 2009 door GSK is betekend en, bij gebrek aan hoger beroep, in kracht van gewijsde is gegaan, het meedelen van het verslag aan Novartis, met de vermelding evenwel dat die laatste "de informatie die door GSK aan de aangewezen deskundige [...] is meegedeeld of die zich in het deskundigenverslag bevindt slechts zal gebruiken om na te gaan en vast te stellen of er afbreuk werd gedaan aan haar octrooi [...] of aan enig ander octrooi van dezelfde familie" en "het deskundigenverslag en alle andere door GSK [...] verspreide vertrouwelijke informatie slechts zal meedelen aan een beperkt aantal personen die Novartis vertegenwoordigen".

Die beschikking beveelt bijgevolg de mededeling van het volledige verslag en zijn bijlagen zonder onderscheid tussen vertrouwelijke en niet vertrouwelijke informatie.

Toch heeft GSK de zaak opnieuw aanhangig gemaakt bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel aan de hand van de dagvaardingen van 24 juni en 31 juli 2009 die ertoe strekten:

- "de deskundige te bevelen om in zijn verslag en de bijlagen ervan slechts die informatie mee te delen die rechtstreeks nuttig en pertinent is voor zijn opdracht hetzij door de onder bijlage 1 van deskundigenverslag opgesomde stukken weg te laten hetzij door alle informatie in die stukken die niet beantwoordt aan die criteria te wissen;

- de deskundige op te dragen de gevraagde maatregelen te nemen binnen de zeven dagen na de te wijzen beschikking;

- Novartis op te dragen om, op straffe van een dwangsom van 20.000 euro per dag vertraging vanaf [...] de betekening van de te wijzen beschikking, de originelen van de onder bijlage 1 opgesomde stukken van het deskundigenverslag, en ook alle afschriften die eventueel zijn gemaakt in afwachting van de door de deskundige te leveren nieuwe bijlagen, onmiddellijk aan de deskundige terug te geven;

- Novartis te bevelen officieel te bevestigen dat noch zij, noch één van haar werknemers of een dochteronderneming of één van haar mandatarissen nog een afschrift van voornoemde stukken onder welke vorm dan ook in bezit heeft nadat de originelen aan de deskundige werden overhandigd".

Vervolgens breidt GSK haar verzoeken voor verdere behandeling van de zaak uit en vordert dat de deskundige wordt bevolen alle bij zijn verslag gevoegde stukken te verwijderen. Bij verzoekschrift tot hoger beroep van 25 september 2009 vordert GSK dus in hoofdorde dat het hof van beroep "de deskundige [hier de verweerder] beveelt slechts de in zijn verslag beschreven informatie mee te delen en alle bijgevoegde stukken bij zijn verslag te wissen". Het arrest heeft dit verzoek ingewilligd.

Maar die verzoeken komen neer op een wijziging van de beschikking die op eenzijdig verzoek is gewezen op 3 maart 2009 en van de beschikking die op derdenverzet is gewezen op 7 mei 2009, aangezien die beslissingen reeds uitspraak hebben gedaan over het verzoek van GSK dat het arrest heeft ingewilligd door de mededeling te bevelen van het volledige deskundigenverslag en zijn bijlagen en de bescherming te verzekeren van het vertrouwelijk karakter van de door GSK aan de deskundige meegedeelde gegevens door de mededeling ervan in de schoot van Novartis te beperken zonder de deskundige op te dragen uit te zoeken wat vertrouwelijk is en wat niet.

De beschikkingen van 3 maart en 7 mei 2009 passen inderdaad de mogelijkheid toe die artikel 1369bis/7, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek biedt om aan de verzoekende partij een afschrift mee te delen van het deskundigenverslag en zijn bijlagen en opteerden te dezen om aan de mededeling aan Novartis van het betreffende verslag en zijn bijlagen geen andere voorwaarden te koppelen dan de voorwaarde van ditmaal het tweede paragraaf van hetzelfde artikel 1369bis/7, § 1, dat die informatie uitsluitend in het kader van een Belgische of buitenlandse procedure ten gronde of in kort geding mocht worden gebruikt.

Artikel 1369bis/7, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt immers in zijn eerste lid dat "het verslag ter griffie wordt neergelegd binnen de termijn door de beschikking bepaald of, bij gebreke hieraan binnen de door artikel 1369bis/1, § 3, tweede lid bepaalde termijn" en dat "een afschrift onverwijld, bij aangetekende zending, door de deskundige wordt verzonden, naar de verzoeker en naar de houder van de beschreven voorwerpen evenals, in voorkomend geval, naar de beslagene" en in zijn tweede lid, dat "dit verslag evenals alle stukken, monsters of inlichtingen vergaard gedurende de handelingen van beschrijving vertrouwelijk zijn en slechts mogen vrijgegeven of gebruikt worden door de verzoeker of zijn rechthebbende, binnen het kader van een procedure, Belgisch of buitenlands, ten gronde of in kort geding, onverminderd de toepassing van de bepalingen van de internationale verdragen die toepasselijk zijn in België".

Het arrest heeft beslist dat de vorderingen van GSK in de dagvaardingen van 24 juni en 31 juli 2009, zoals die in de loop van de verdere behandeling van de zaak werden gewijzigd, incidenten vormen in de zin van artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek, dat "de vordering van GSK geen vermomd derdenverzet is tegen de beschikking van 3 maart 2009 omdat zij de in die beschikking voorgeschreven opdracht van de deskundige niet beperkt, en die beschikking niet bepaalt in welke mate de stukken als bijlagen van zijn verslag moeten worden meegedeeld", dat "volgens artikel 1369bis/6 van het Gerechtelijk Wetboek de deskundige, gedurende het hele verloop van de handelingen van beschrijving en bij de opstelling van zijn verslag, waakt over de vrijwaring van de wettige belangen van de beweerde inbreukmaker en van de houder van de beschreven voorwerpen, in het bijzonder wat de bescherming van vertrouwelijke informatie betreft" en dat "de uitvoering van die verbintenis, ook bij het opstellen van het verslag, aanleiding kan geven tot een incident in verband met de uitvoering van de beschrijvingmaatregelen dat, overeenkomstig artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek, tot de bevoegdheid behoort van de voorzitter die de beschikking heeft uitgesproken" en "de inmenging in de manier waarop de deskundige zijn opdracht uitvoert bij een conflict, zoals in casu, tussen het recht van de verzoeker op de beschrijving en de bescherming van vertrouwelijke gegevens van de vermeende namaker, voortvloeit uit de wet". Het arrest beveelt vervolgens "de deskundige (...) om alleen de informatie uit zijn verslag mee te delen en alle bijgevoegde stukken te wissen" en verbiedt "Novartis (...) om op gelijk welke wijze en onder om het even welke vorm de informatie, uit de stukken opgesomd in de bijlage 1 van het verslag te gebruiken, behalve als het gaat om informatie die behoort tot het beschrijvend gedeelte van dat verslag".

Het arrest dat de deskundige beveelt dat hij slechts de informatie mag meedelen die in zijn verslag is beschreven na alle bijgevoegde stukken te hebben verwijderd en dat Novartis verbiedt de reeds ontvangen en in de bijlage hernomen informatie te gebruiken, wijzigt bijgevolg aldus de beroepen beschikking en verwijt dus de eerste rechter bij wie een incident in de zin van artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek aanhangig is gemaakt, niet opnieuw uitspraak te hebben gedaan over een kwestie waarover hij nochtans in dezelfde zaak tussen dezelfde partijen reeds definitief beslist had, namelijk de omvang van de mededeling aan Novartis van het deskundigenverslag en zijn bijlagen, terwijl de beschikkingen van 3 maart en 7 mei 2009 hadden beslist om de omvang van de mededeling ervan aan Novartis niet te beperken maar wel de omvang van het gebruik ervan door Novartis en de interne mededeling ervan in de schoot van Novartis.

Het arrest dat de deskundige beveelt dat hij slechts de informatie mag meedelen die in zijn verslag is beschreven na alle bijgevoegde stukken te hebben verwijderd en dat Novartis verbiedt de reeds ontvangen en in de bijlage hernomen informatie te gebruiken, wijzigt minstens de beroepen beschikking en verwijt de eerste rechter bijgevolg dat hij niet opnieuw uitspraak heeft gedaan over een kwestie die nochtans reeds definitief beslecht was bij de beschikkingen van 3 maart en 7 mei 2009 in een zaak tussen dezelfde partijen, met hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak. .

Het arrest dat beslist dat de vordering van GSK een incident vormt in verband met de uitvoering van de beschrijvingsmaatregelen in de zin van artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl ze strekt tot het wijzigen van de draagwijdte van de beschikkingen van 3 maart en 7 mei 2009, miskent het verbod dat aan de rechter is opgelegd om uitspraak te doen over een litigieuze kwestie die bij hem niet meer aanhangig is, aangezien hij zich daarover definitief heeft uitgesproken in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen en schendt bijgevolg artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, miskent minstens het gezag van gewijsde van de beschikkingen van 3 maart en 7 mei 2009 en schendt bijgevolg de artikelen 23, 24, 25 en 26 van dat wetboek.

Het arrest dat beslist dat de vordering van GSK een incident vormt in verband met de uitvoering van de beschrijvingsmaatregelen in de zin van artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek en geen vermomd derdenverzet is laat na om in de door GSK ingestelde dagvaardingen van 24 juni en 31 juli 2009 iets te lezen wat er staat, met name de vorderingen die strekken tot het wijzigen van de beschikkingen van 3 maart en 7 mei 2009, miskent aldus de bewijskracht van die dagvaardingen en schendt bijgevolg de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

In zoverre het arrest beslist dat artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek een exceptie vormt op het gezag van gewijsde, en op het verbod dat aan de rechter is opgelegd om uitspraak te doen over een litigieuze kwestie die bij hem niet meer aanhangig is, aangezien hij zich definitief heeft uitgesproken in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen, verleent het aan de artikelen 1369bis/8 en 1369bis/6 van het Gerechtelijk Wetboek een draagwijdte die ze niet hebben en schendt het bijgevolg voornoemde artikels van het Gerechtelijk Wetboek en ook de artikelen 19, eerste lid, 23, 24, 25 en 26 van dat wetboek.

Tweede onderdeel

Artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat "de voorzitter die de beschikking heeft uitgesproken kennis neemt van alle incidenten in verband met de uitvoering van de beschrijvings- en beslagmaatregelen".

Artikel 1369bis/10 van het Gerechtelijk Wetboek verduidelijkt dat "de artikelen 962 tot 965, 973, tweede en derde lid, 978 en 985 niet van toepassing zijn op de procedure van beslag inzake namaak".

Die verwijzing bedoelt evenwel de artikelen van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op het gerechtelijk deskundigenonderzoek, voor de wijziging ervan bij de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater van het Strafwetboek.

Hieruit volgt dat de procedure van het beschrijvend verslag, zoals ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek door de wet van 10 mei 2007 betreffende de aspecten van gerechtelijk recht van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten, geenszins afbreuk doet aan artikel 973, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater van het Strafwetboek en die krachtens artikel 34 van die wet van toepassing is op alle deskundigenonderzoeken die de rechter bevolen heeft te rekenen vanaf de van kracht wording van de wet van 1 september 2007.

Artikel 973, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat "alle betwistingen die in de loop van het deskundigenonderzoek met betrekking tot dit onderzoek ontstaan tussen de partijen of tussen de partijen en de deskundigen, met inbegrip van het verzoek tot vervanging van de deskundigen en van elke betwisting aangaande de uitbreiding of de verlenging van de opdracht, door de rechter worden beslecht".

Die bevoegdheid om kennis te nemen van alle betwistingen betreffende het deskundigenonderzoek veronderstelt evenwel dat het door de rechter bevolen deskundigenonderzoek bij hem nog aanhangig is en dat bijgevolg het verslag op het ogenblik dat het incident bij de rechter aanhangig wordt gemaakt nog niet ter griffie werd neergelegd.

Het neerleggen van het verslag ontlast de deskundige immers van zijn opdracht en bijgevolg ook de rechter die de expertiseopdracht heeft bevolen. Die laatste is niet meer bevoegd om uitspraak te doen over incidenten ter zake, zowel in de zin van artikel 973, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek als van artikel 1369bis/8 van dat wetboek dat, krachtens artikel 1369bis/10 van hetzelfde wetboek geenszins afwijkt van zijn artikel 973, § 2.

In haar appelconclusie voert Novartis aan dat, "hoewel het vaststaat dat de rechter die het deskundigenonderzoek heeft bevolen bevoegd is om kennis te nemen van de moeilijkheden en betwistingen betreffende het lopende deskundigenonderzoek, toch moet worden besloten dat hij niet meer bevoegd is om op te treden wanneer het deskundigenonderzoek is afgesloten" en dat, "eens het verslag is neergelegd, alleen de bodemrechter de teneur van het verslag mag beoordelen", die "alleen bij machte is (...) dat aspect na te gaan en alle gevolgtrekkingen te nemen die zich eventueel opdringen om aan de partijen een eerlijk proces te verzekeren"; dat in dat geval "aangezien de deskundige op 5 juni 2009 zijn verslag aan de partijen heeft meegedeeld (...) hij op die datum van zijn opdracht ontlast is", zodat "dienovereenkomstig, de procedure van het beschrijvend beslag werd afgesloten en (...) bijgevolg de rechter van eerste aanleg niet langer bevoegd is om de deskundigenonderzoekshandelingen te toetsen conform de artikelen 1369bis/8 en 976 van het Gerechtelijk Wetboek"; dat hieruit volgt dat "elke betwisting betreffende een mogelijke onregelmatigheid van het verslag voortaan tot de bevoegdheid van de bodemrechter behoort" en dat, "bijgevolg de vordering van GSK, die steunt op artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek en ingediend werd in het verlengde van de beschikking van 3 maart 2009, niet ontvankelijk dient te worden verklaard".

Het arrest heeft vastgesteld dat de deskundige zijn verslag op 5 juni 2009 had neergelegd, maar verklaart de vorderingen van GSK in de dagvaardingen van 24 juni en 31 juli 2009 ontvankelijk en antwoordt nergens op het middel dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering van GSK stoelt op het feit dat de deskundige ontlast was van zijn opdracht vanaf het neerleggen van zijn verslag ter griffie en dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel die het deskundigenonderzoek had bevolen, bijgevolg geen kennis meer mocht nemen van incidenten betreffende het afgesloten deskundigenonderzoek, en de deskundige aan wie het onderzoek was onttrokken nog minder mocht bevelen om wijzigingen aan te brengen in het verslag dat was neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel te Brussel, waardoor de termijn van artikel 1369bis/9 van het Gerechtelijk Wetboek is beginnen lopen.

Het arrest dat de vordering van GSK ontvankelijk verklaart, hoewel voordien het deskundigenverslag was neergelegd zodat het onderzoek aan de deskundige was onttrokken en, dienovereenkomstig, ook aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel die de deskundige had aangesteld, schendt bijgevolg de artikelen 973, § 2, en 1369bis/8 en 10 van het Gerechtelijk Wetboek en ook artikel 34 van de wet van 15 mei 2007.

Het arrest laat na te antwoorden op het middel van Novartis dat aanvoert dat de rechter die het deskundigenonderzoek bevolen heeft door het neerleggen van het deskundigenverslag niet langer bevoegd is om te oordelen over het deskundigenonderzoek en geen kennis meer mag nemen van incidenten betreffende het deskundigenonderzoek, en is zodoende niet wettelijk met redenen omkleedt en schendt bijgevolg artikel 149 van de Grondwet.

Derde onderdeel:

In zijn appelconclusie had Novartis bovendien aangevoerd:

"Het is bovendien merkwaardig te noteren dat luidens de dagvaarding van 31 juli 2009 GSK uitdrukkelijk verklaard heeft dat '[Novartis] noch een gekende maatschappelijke zetel, noch exploitatiezetel of gekozen woonplaats in België heeft'.

Die bewering volstaat op zich om de dagvaarding van 24 juni 2009 als nietig en van onwaarde te beschouwen, aangezien zij betekend werd aan de gekozen woonplaats waarvan GSK erkent dat ze niet bestaat. Dat is een gerechtelijke bekentenis in de zin van artikel 1356 van het Gerechtelijk Wetboek, die de probatio probatissima vormt tegen de partij die het beschouwde feit heeft erkend, GSK in dit geval.

In het licht van die verklaring wenst Novartis te wijzen op het volledig gebrek aan coherentie vanwege GSK in eerste aanleg. Terwijl GSK eerst gesteld had dat de door Novartis gedane keuze van woonplaats in het kader van de procedure voor het beschrijvend beslag geldig bleef in het kader van die nieuwe procedure, quod non, heeft zij na kennisname van de door Novartis naar voor gebrachte argumenten, haar geweer van schouder veranderd en uitdrukkelijk erkend dat die keuze van woonplaats niet meer geldig was zodat de nieuwe gedinginleidende dagvaarding op de zetel van Novartis betekend moest worden.

Enerzijds kan GSK niet redelijkerwijs in haar eerste dagvaarding stellen dat de keuze van woonplaats geldig blijft en anderzijds in haar tweede dagvaarding dat Novartis geen enkele gekende gekozen woonplaats heeft".

Het arrest antwoordt nergens op dit middel.

Het arrest dat nalaat te antwoorden op het middel van Novartis dat aanvoert dat GSK verklaard heeft dat Novartis noch een gekende maatschappelijke zetel, noch een exploitatiezetel of gekende gekozen woonplaats in België heeft, en dat zulks een gerechtelijke bekentenis vormt, is niet wettelijk met redenen omkleed en schendt bijgevolg artikel 149 van de Grondwet.

Tweede middel:

Geschonden wettelijke bepalingen:

- de artikelen 11, eerste lid, 962 in fine (gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 15 mei 2007) en 976, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de vordering van GSK om de deskundige te bevelen alle stukken als bijlage van zijn verslag te verwijderen gegrond omdat:

"Volgens de opdracht die aan de deskundige bij beschikking van 3 maart 2009 werd toevertrouwd, moet hij elke bron van informatie in de zo ruim mogelijke zin die pertinent kan zijn om te bepalen of GSK procédés gebruikt of gebruikt heeft die mogelijk binnen het beschermingsveld valt van enige conclusie van het octrooi, onderzoeken en beschrijven. Ook moet hij de oorsprong en aanwending van sommige vaccins nauwkeurig beschrijven evenals de omvang van de activiteiten van GSK betreffende haar vaccins die mogelijk afbreuk doen aan de Belgische, Duitse, Franse of Engelse delen van het octrooi. Voor het verwezenlijken van zijn opdracht mag de deskundige een kopie nemen van alle documenten en andere informatiebronnen die hij nuttig acht voor de uitvoering van zijn opdracht.

Hoewel de deskundige toegang mag hebben tot alle documenten en inlichtingen die hij nuttig acht voor de uitvoering van zijn opdracht en hiervan een kopie mag nemen, toch mag hij niet al die documenten bij zijn verslag voegen. De toegang tot de documenten moet de deskundige in staat stellen zijn verslag op te stellen aan de hand van alle inlichtingen die hij nuttig acht voor de uitvoering van zijn opdracht. Die bestaat erin om een beschrijving te geven van elke bron van informatie, in de zo ruim mogelijke zin, die pertinent kan zijn om te bepalen of GSK procédés gebruikt die de conclusies van het octrooi mogelijk miskennen.

36. GSK voert aan dat de bijlagen informatie bevatten met betrekking tot de fermentatie van de bacterie voor de productie van polysaccharide en dat die fase van fermentatie voorafgaat aan die van de zuivering van de polysaccharide. De informatie omtrent de fermentatie en het kweekmilieu bevindt zich in de beschrijving en niet in de conclusies van het octrooi. De opdracht van de deskundige beperkt zich tot de beschrijving van informatiebronnen die mogelijk pertinent zijn om te bepalen of GSK procédés gebruikt die de conclusies van het octrooi kunnen miskennen. Aangezien de fermentatie en het kweekmilieu geen deel uitmaken van de conclusies van het octrooi mag de deskundige geen documenten en informatie bij zijn verslag voegen betreffende die elementen.

GSK voert ook aan dat de deskundige heeft vastgesteld dat in tegenstelling tot de conclusies van het octrooi, Synflorix geen alcohol gebruikt voor het oplosbaar maken. De bijlagen van het verslag betreffende dit vaccin zijn dus niet pertinent om te bepalen of GSK de conclusies van het octrooi miskent.

37. Die twee voorbeelden bewijzen dat de bijlagen van het verslag informatie bevatten die niet pertinent is tot staving van de namaak en buiten de perken valt van de door de beschikking van 3 maart 2009 aan de deskundige toevertrouwde opdracht.

38. De verspreiding van die niet pertinente informatie schaadt de rechtmatige belangen van GSK, in het bijzonder de bescherming van vertrouwelijke inlichtingen. Als de vertrouwelijkheid van bepaalde informatie geen afbreuk doet aan het recht van de eiser om de namaak te bewijzen door middel van de procedure van beschrijving, dan moet de deskundige waken over de bescherming van de vertrouwelijke informatie van de beweerde inbreukmaker en de verspreiding vermijden van vertrouwelijke informatie die niet pertinent is om de namaak te bewijzen, overeenkomstig artikel 1369bis/6 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het verslag, en ook de elementen die zijn ingezameld bij de beschrijving mogen slechts gebruikt worden in het kader van een Belgische of buitenlandse procedure, ten gronde of in kort geding, om de namaak , de oorsprong, de bestemming en de omvang ervan te bewijzen (...).

GSK voert echter aan dat het risico bestaat dat Novartis bepaalde vertrouwelijke informatie van het verslag gebruikt om haar octrooi aan te passen met de bedoeling het procédé van GSK binnen het toepassingsveld van de gewijzigde conclusies te doen vallen Novartis bevestigt op 15 mei 2009 een aanvraag te hebben ingediend tot wijziging van het Engelse deel van het octrooi.

In de conclusie die ze neerlegt in het kader van het derderverzet schrijft Novartis dat: ‘haar raadslieden dan niet zonder meer abstractie kunnen maken van de elementen waarvan ze eventueel kennis zullen moeten nemen in het deskundigenverslag tot staving van de vordering tot namaak, wanneer zij zich zullen moeten buigen over de argumentatie van GSK dat het octrooi niet geldig zou zijn en om desgevallend een beperking van het octrooi voor te stellen met toepassing van artikel 49, § 2, Wet op de uitvindingsoctrooien'.

Het risico op het gebruik tot staving van de namaak van niet pertinente informatie uit de bijlagen van het verslag, met name in het kader van andere procedures dan die tot het bewijs van de namaak, waaronder de procedure tot beperking van het Engelse deel, is in casu ernstig. Dat risico dat de rechtmatige belangen van Novartis [lees: GSK] kan schaden, rechtvaardigt het wissen van alle bijlagen van het verslag. Het feit dat de wijzigingen aan het octrooi slechts een beperkend gevolg kunnen hebben omdat zij tot doel hebben om een uitvinding op te eisen die reeds in het octrooi staat zoals het werd afgeleverd, staat Novartis niet toe om de niet pertinente informatie te gebruiken die ze verkregen heeft in het kader van de beschrijving voor een procedure die een ander doel heeft dan het bewijzen van de namaak, waaronder een procedure tot het beperken van de conclusies van het octrooi.

De beschikking van 7 mei 2009, die de mededeling van het verslag beperkt tot een aantal personen, kan dat risico niet vermijden, in zoverre zij de mededeling van het volledige verslag aan de advocaten die betrokken zijn in de procedures tot nietigverklaring van het octrooi toestaat.

Grieven

Artikel 976, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verplicht de deskundige om, "na afloop van zijn werkzaamheden, zijn bevindingen, waarbij hij reeds een voorlopig advies voegt, ter lezing aan de rechter, aan de partijen en aan hun raadslieden te sturen". Uit dit artikel volgt dat de rechter verondersteld wordt op de hoogte te worden gebracht van de vaststellingen van de deskundige, hetgeen impliceert dat hij de stukken ontvangt waarop de deskundige zijn vaststellingen stoelt en waarop zijn redeneringen en conclusies zijn gegrond.

Krachtens artikel 962 in fine van het Gerechtelijk Wetboek is de rechter "niet verplicht het advies van de deskundigen te volgen, indien het strijdig is met zijn overtuiging". Aangezien hij over een duidelijke beoordelingsbevoegdheid dienaangaande beschikt, moet de rechter zich bijgevolg een mening kunnen vormen over de redeneringen en de conclusies van de deskundige, hetgeen impliceert dat hij de vaststellingen van de deskundige en ook de documenten waarop die vaststellingen stoelen moet kunnen raadplegen.

Artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek verbiedt de rechters om "hun rechtsmacht over te dragen".

Uit de combinatie van die artikelen volgt dat de rechter niet wettig kan beslissen om het overleggen van alle bijlagen van een deskundigenverslag te verbieden en de deskundige aldus te verbieden om zijn verslag te documenteren.

Het tegengestelde beslissen zou erop neerkomen dat de rechter die over de grond van de zaak moet beslissen in de onmogelijkheid wordt gesteld om zich een mening te vormen over het deskundigenverslag: zonder documenten die de vaststellingen, redeneringen en conclusies van de deskundige staven kan de rechter zich inderdaad geen beredeneerde mening vormen over het deskundigenverslag overeenkomstig artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek.

Hieruit volgt dat, wanneer de rechter beslist om één of meerdere conclusies van de deskundige te volgen die in het deskundigenverslag zijn beschreven dat geen bijlagen bevat die de vaststellingen van de deskundige ondersteunen, hij zich geen beredeneerde mening vormt over die conclusies maar zich beperkt tot het louter hernemen ervan op grond van het gezag van de deskundige, die hij bovendien niet noodzakelijkerwijs zelf aangewezen heeft, wat gelijk staat met een overdracht van zijn rechtsmacht in handen van de deskundige hetgeen verboden is bij artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het arrest beveelt de deskundige echter om slechts de in zijn verslag opgenomen informatie mee te delen na alle bijlagen ervan te wissen.

Het arrest verbiedt de deskundige om alle stukken die bij het verslag zijn gevoegd mee te delen en daardoor maakt het de beoordeling door de bodemrechter van de vaststellingen, redeneringen en conclusies van het deskundigenverslag onmogelijk en verplicht het de rechter om zich louter te baseren op de conclusies van de deskundige zonder de gegrondheid ervan te kunnen beoordelen aan de hand van de door de deskundige gedane vaststellingen en de door de partijen overgelegde stukken en schendt het bijgevolg de artikelen 11, 962 in fine en 976, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat, bij de op eenzijdig verzoekschrift gewezen beschikking van 3 maart 2009, de voorzitter van de rechtbank v an koophandel te Brussel:

- de eiseres toegestaan heeft om de bewijzen te verzamelen van een vermeende namaak van haar octrooi EP 489 door de verweerster en om "meer bepaald tot een gedetailleerde en gedocumenteerde beschrijving over te gaan van de door de [verweerster] gebruikte procédés bij de vervaardiging van het Hiberix [en andere] vaccins";

- een deskundige heeft aangesteld met als opdracht "elke mogelijke bron van informatie te onderzoeken en te beschrijven die in de ruimste zin pertinent kan zijn om te bepalen of GSK of een van haar dochterondernemingen een of meerdere procédés gebruikt of heeft gebruikt die binnen het toepassingsveld kunnen vallen van enige conclusie van het octrooi EP 489".

Bij de op derdenverzet gewezen beschikking van 7 mei 2009 heeft de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel:

- "de [eiseres]" bevolen "om de informatie die door [de verweerster] is medegedeeld aan de deskundige die is aangewezen in het kader van dat beschrijvend beslag of die zich in het verslag van de deskundige bevindt, slechts te gebruiken om na te gaan en vast te stellen of er afbreuk werd gedaan aan haar octrooi".

- gezegd dat "het deskundigenverslag en alle andere vertrouwelijke informatie die door de [verweerster.] aan de deskundige is medegedeeld in het kader van het beschrijvend beslag, slechts aan een beperkt aantal personen die [de eiseres] vertegenwoordigen zullen worden medegedeeld".

Geen van beide beschikkingen beveelt de deskundige om zijn volledig verslag en de bijlagen ervan mee te delen.

In de dagvaardingen van 24 juni en 31 juli 2009 vraagt de verweerster met name aan de voorzitter om "de deskundige te bevelen slechts die informatie in zijn verslag met bijlagen mee te delen die rechtstreeks nuttig en pertinent is voor zijn opdracht, hetzij door de stukken opgesomd in de bijlage I van zijn deskundigenverslag te wissen, hetzij door ze te ontdoen van alle informatie die niet aan die criteria beantwoordt".

Het arrest dat beslist heeft dat die vordering van de verweerster geen vermomd derdenverzet vormt tegen de beschikkingen van 3 maart en 7 mei 2009, maar een incident in verband met de uitvoering van de bevolen beschrijvingsmaatregelen, geeft aldus aan de dagvaardingen geen uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent mitsdien de bewijskracht ervan niet.

Het arrest dat de deskundige "beveelt [...] slechts de in zijn verslag beschreven informatie mee te delen door alle stukken als bijlage ervan te wissen" en de eiseres "verbiedt [...] om op gelijk welke wijze en onder om het even welke vorm de informatie uit de in de bijlage 1 van het verslag opgesomde stukken te gebruiken, behalve als het gaat om informatie die in het beschrijvend gedeelte van dat verslag voorkomt", doet niet opnieuw uitspraak over een kwestie die reeds definitief is beslecht onder de partijen en die hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak heeft als de beschikkingen van 3 maart en 7 mei 2009.

Het arrest beslist ten slotte niet dat artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek een exceptie vormt op het gezag van gewijsde en op de uitputting van zijn rechtsmacht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het arrest stelt dat de vordering van de verweerster "een incident betreft in verband met de uitvoering van de door de voorzitter van de rechtbank van koophandel bevolen beschrijvingsmaatregelen ontstaan bij het neerleggen van het deskundigenverslag", dat "zelfs als het neerleggen van het verslag door de deskundige het eindpunt is van de beschrijvingsmaatregelen die de voorzitter van de rechtbank van koophandel heeft bevolen, het toch behoort tot de uitvoering van die maatregelen" en dat "de wet geenszins verbiedt dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel kennis neemt van een incident ontstaan ingevolge het neerleggen van dat verslag".

Het arrest antwoordt aldus op de conclusie van de eiseres die aanvoerde dat de voorzitter van de rechtbank niet meer bevoegd was om uitspraak te doen over een incident in verband met het deskundigenverslag na de neerlegging van het deskundigenverslag.

In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, mist het feitelijke grondslag.

Luidens artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de voorzitter die de beschikking heeft uitgesproken overigens kennis van alle incidenten in verband met de uitvoering van de beschrijvings- en beslagmaatregelen. Die bepaling verleent de voorzitter de bevoegdheid om uitspraak te doen over alle incidenten bij de uitvoering van de voormelde maatregelen, inclusief de incidenten ontstaan ter gelegenheid van het neerleggen van het deskundigenverslag.

Onverminderd artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de artikelen 962 en volgende van dat wetboek die de procedure van gemeen recht van het deskundigenonderzoek regelen slechts toepasselijk op het beslag inzake namaak als zij verenigbaar zijn met het bijzondere stelsel van artikel 1369bis. Dat is niet het geval voor artikel 973, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie ervan daterend van na de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel faalt naar recht.

Derde onderdeel

Met de in het middel weergegeven redenen, inzonderheid in de punten 24 en 25, antwoordt het arrest op de conclusie van de eiseres die aanvoerde dat de dagvaarding van de verweerster van 24 juni 2009 nietig was op grond dat die gedaan werd aan het kabinet van haar raadslieden terwijl de verweerster enkel op die plaats keuze van woonplaats had gedaan in het kader van de procedure van het beschrijvend beslag die afgesloten werd na het neerleggen van het deskundigenverslag.

Het arrest hoefde niet verder te antwoorden op dit deel van de conclusie van de eiseres waarin zij aanvoerde dat de verweerster in haar dagvaarding van 31 juli 2009 had verklaard dat de eiseres noch een gekende maatschappelijke zetel, noch exploitatiezetel of gekozen woonplaats in België had, aangezien dit argument geen afzonderlijk middel vormt.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Uit artikel 976, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek blijkt niet dat de deskundige die een beschrijvend beslag moet doen, alle stukken bij zijn verslag moet voegen waarop hij zich baseert om zijn beschrijving te staven.

Artikel 962, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat werd ingevoegd bij de wet van 15 mei 2007, zoals het middel aanwijst, kan niet van toepassing zijn op de procedure van het beslag inzake namaak in het kader waarvan de deskundige die zich moet beperken tot materiële en objectieve vaststellingen, te weten een eenvoudige beschrijving, geen advies, zelfs geen feitelijk advies, geeft over een aspect van het geschil.

Voor het overige volgt niet uit artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek dat de rechter bij beschrijvend beslag niet wettelijk kan beslissen om het overleggen van alle bijlagen van een deskundigenverslag te verbieden.

Het middel faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Albert Fettweis, Sylviane Velu, Martine Regout en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 24 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Beslag inzake namaak

  • Beschrijvings- en beslagmaatregelen

  • Bevoegdheid van de voorzitter

  • Tussengeschillen