- Arrest van 24 maart 2011

24/03/2011 - C.10.0531.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De door de verweerder tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid volgens welke het middel zonder belang is, die het Hof verplicht een feit te onderzoeken, waartoe het niet bevoegd is, kan niet worden aangenomen (1). (1) Zie Cass., 31 mei 2010, AR S.09.0067.F, A.C., 2010, nr. 380.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0531.F

B. A.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. P. F. en,

2. D. C.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

3. SERVICE D'ADOPTION THÉRÈSE WANTE, vzw,

4. S. C.,

5. SOUTIEN À LA JEUNESSE - JEUGDBIJSTAND BRUXELLES, vzw,

en in aanwezigheid van

1. B. A. en,

2. S. F.,

3. B. A.,

4. B. H.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 1 juni 2010 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1231-10 en 1231-16 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser niet-ontvankelijk om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en in het bijzonder om de volgende redenen:

"Artikel 1231-10, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat ‘de rechtbank de volgende personen hoort in raadkamer (...):

1° de adoptant of de adoptanten;

2° eenieder van wie de toestemming in de adoptie vereist is; (...)

4° eenieder van wie het door de procureur des Konings ingewonnen advies ongunstig is voor de adoptie'.

Het tweede lid van datzelfde artikel bepaalt dat ‘indien de personen bedoeld in het eerste lid, 2° en 4° verschijnen, zij bij eenvoudige akte kunnen verklaren in het geding te willen tussenkomen'.

(De eiser) wordt door de griffie bij brief van 25 augustus 2009 opgeroepen in de gevangenis te Namen voor de zitting van 3 november 2009.

De raadsman (van de eiser) schrijft in zijn brief van 31 juli 2009 aan de griffie van het hof (van beroep): ‘Ik stuur u deze brief in mijn hoedanigheid van raadsman (van de eiser).

Gelieve nota te nemen van mijn tussenkomst in dit geding en mij op de hoogte te houden van alle rechtsdagen in deze zaak.

Bijgevoegd vindt u daarenboven een afschrift van de brief die ik naar het parket van de jeugdrechtbank te Namen heb gestuurd en ik verzoek u die brief bij het dossier te willen voegen'.

In die brief wijst de raadsman (van de eiser) met name erop dat zijn cliënt geweigerd heeft in de adoptie toe te stemmen, dat hij een rechtsmiddel heeft ingesteld voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en dat, indien het Europees Hof van de Rechten van de Mens zou vaststellen dat het Verdrag geschonden was, de zaak eventueel op grond van de wet van 1 april 2007 bij het Hof van Cassatie aanhangig zou worden gemaakt.

De raadsman (van de eiser) schrijft het volgende in zijn brief van 31 oktober 2009 aan de griffie: ‘Ik stuur u deze brief in mijn hoedanigheid van raadsman (van de eiser), wiens belangen ik zal verdedigen op uw zitting van 3 november aanstaande'.

(De eiser) werd door die griffie opgeroepen overeenkomstig het bepaalde in artikel 1231-10, eerste lid, 4°, gezien het advies van de vader van de geadopteerde, dat ongunstig was voor de adoptie, door het openbaar ministerie was ingewonnen overeenkomstig artikel 1231-5, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek.

Die oproeping betrekt (de eiser) niet in het geding.

Volgens de verklaringen van zijn raadsman, waarvan akte werd genomen in het proces-verbaal van de zitting van 3 (november) 2009, verzette (de eiser) zich tegen de gevraagde volle adoptie, maar dat standpunt betekent niet dat hij in het geding is tussengekomen.

Uit de stukken waarop het hof (van beroep) vermag acht te slaan, blijkt niet (dat de eiser) vrijwillig in het geding is tussengekomen.

Noch het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 november 2009 noch het bestreden vonnis maken hiervan melding.

In zijn brieven aan de griffie wijst zijn raadsman de griffier erop dat hij als raadsman (van de eiser) optreedt, maar hij vermeldt niet dat (de eiser) vrijwillig in het debat tussenkomt.

Die brieven kunnen niet worden gelijkgesteld met een ‘eenvoudige akte', luidens welke (de eiser) in het geding tussenkomt".

Grieven

Luidens artikel 1231-10, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, "hoort de rechtbank in raadkamer de volgende personen, die door de griffier opgeroepen worden bij gerechtsbrief (...):

(...) 2° eenieder van wie de toestemming in de adoptie vereist is (...);

(...) 4° eenieder van wie het door de procureur des Konings ingewonnen advies ongunstig is voor de adoptie".

Het tweede lid van datzelfde artikel bepaalt dat,"indien de personen bedoeld in het eerste lid, 2° en 4° verschijnen, zij bij eenvoudige akte kunnen verklaren in het geding te willen tussenkomen".

Artikel 1231-16 van datzelfde wetboek bepaalt ten slotte dat "de procureur des Konings, de adoptant of de adoptanten die gezamenlijk optreden en de geadopteerde, alsmede de tussenkomende partijen bij wege van een verzoekschrift ingediend ter griffie van het hof van beroep, beroep kunnen instellen binnen een maand te rekenen van de betekening van het vonnis".

Uit die bepalingen kan worden afgeleid dat het hoger beroep van een persoon die in de adoptie moet toestemmen, ontvankelijk is indien die persoon in het geding in eerste aanleg is tussengekomen.

Hiervoor dient er aan geen enkel vormvereiste te worden voldaan, daar artikel 1231-10 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de tussenkomst geschiedt "bij eenvoudige akte".

Een partij komt in het geding tussen en beschikt over de vereiste hoedanigheid om een ontvankelijk hoger beroep in te stellen, indien hij, enerzijds, op de zitting in eerste aanleg aanwezig is of daarop vertegenwoordigd wordt, en, anderzijds, tegen een andere partij een betwisting opwerpt, zodat er tussen hen een gerechtelijke band ontstaat.

In de brief die de eiser op 31 juli 2009 aan het parket van de jeugdrechtbank te (Namen) schreef, betwistte hij de ontvankelijkheid van het verzoekschrift tot adoptie, "aangezien in het verzoekschrift niet alle bij de rechtspleging betrokken partijen worden vermeld".

De eiser is dat argument ook blijven verdedigen op de zitting van 3 november 2009 van de jeugdrechtbank te (Namen). Het proces-verbaal van die zitting vermeldt immers het volgende :

"Meester C., raadsman (van de eiser), wijst erop dat de adoptieprocedure zeer snel is aangevat. Hij vordert in de eerste plaats dat het verzoekschrift niet-ontvankelijk zou worden verklaard, gelet op de datum waarop het werd neergelegd, daar er tegen (de eiser) nog geen procedure tot ontzetting uit het ouderlijk gezag was ingeleid, en omdat zijn naam nergens in het verzoekschrift vermeld wordt.

Subidiair vordert hij:

- dat uit het dossier van de jeugdbescherming duidelijk zou blijken dat (de eiser) en zijn familie getracht hebben om met het kind in contact te komen ;

- (...) dat de vervangende voogd niet de vereiste onafhankelijkheid heeft, aangezien hij reeds op het assisenproces was aangesteld en meester S. gevraagd had de vader uit het leven van zijn dochter te ‘bannen';

- dat de beslissing die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nog dient te nemen, op de procedure tot uitzetting van (zijn) ouderlijk gezag kan terugkomen (...) en verzoekt de rechtbank om haar rechtspraak aan te houden".

Uit zijn betwisting van de ontvankelijkheid van het verzoekschrift van de verweerders en uit zijn verzoek om de uitspraak aan te houden tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak zal hebben gedaan over het verzoekschrift waarin hij aanvoert dat zijn fundamentele rechten tijdens de procedure tot uitzetting uit het ouderlijk gezag zijn geschonden, kan worden afgeleid dat de eiser te kennen had gegeven dat hij in het geding wou tussenkomen, dat hij in het geding is tussengekomen en, bijgevolg, procespartij is geworden".

Het arrest, dat het hoger beroep van de eiser niet-ontvankelijk verklaart, op grond dat "uit de stukken waarop het hof [van beroep] vermag acht te slaan, blijkt niet (dat de eiser) vrijwillig in het geding is tussengekomen" en dat enerzijds beslist dat "volgens de verklaringen van zijn raadsman, waarvan akte werd genomen in het proces-verbaal van de zitting van 3 (november) 2009, (de eiser) zich verzette tegen de gevraagde volle adoptie, maar dat standpunt betekent niet dat hij in het geding is tussengekomen" en, anderzijds, dat "zijn raadsman in zijn brieven aan de griffie erop wijst dat hij als raadsman (van de eiser) optreedt, maar niet vermeldt dat (de eiser) vrijwillig in het debat tussenkomt (en dat) die brieven niet kunnen worden gelijkgesteld met een ‘eenvoudige akte', luidens welke (de eiser) in het geding tussenkomt", geeft aan de verklaringen van eisers raadsman, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 (november) 2009, een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen en de draagwijdte ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en miskent het begrip "tussenkomst in het geding bij eenvoudige akte", zoals bedoeld in artikel 1231-10 van het Gerechtelijk Wetboek, en miskent tevens eisers recht van hoger beroep bedoeld in artikel 1231-16 van datzelfde wetboek (schending van die bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De door de eerste twee verweerders tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is zonder belang.

De eerste twee verweerders betogen dat de beslissing die het hoger beroep van de eiser niet-ontvankelijk verklaart op grond dat hij voor de eerste rechter geen partij was in het geding, naar recht verantwoord wordt door de omstandigheid dat die rechter niet heeft toegestaan dat de eiser, die niet persoonlijk voor hem is verschenen, zou worden vertegenwoordigd overeenkomstig artikel 1231-10, derde lid, Gerechtelijk Wetboek.

Het proces-verbaal van de zitting van de jeugdrechtbank van 3 november 2009 vermeldt dat de eiser op die zitting werd vertegenwoordigd door meester C..

Het arrest stelt niet vast dat de rechtbank de eiser niet heeft toegestaan door zijn advocaat te worden vertegenwoordigd.

Het Hof is niet bevoegd om dat feitelijk gegeven na te gaan.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

Krachtens artikel 1231-10, eerste lid, 4°, Gerechtelijk Wetboek hoort de rechtbank, waarbij een verzoek tot adoptie is ingediend, in raadkamer eenieder die door de griffier is opgeroepen bij gerechtsbrief en van wie het door de procureur des Konings ingewonnen advies ongunstig is voor de adoptie.

Volgens het tweede lid van die bepaling kunnen de in het eerste lid, 4°, bedoelde personen, indien ze verschijnen, bij eenvoudige akte verklaren in het geding te willen tussenkomen.

Zo mag eenieder die op grond van artikel 1231-10, eerste lid, 4°, Gerechtelijk Wetboek is opgeroepen, krachtens de wet in het geding tussenkomen bij eenvoudige akte, die opgenomen wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting en waaruit met zekerheid blijkt dat hij in het geding heeft willen tussenkomen.

Het arrest preciseert dat de eiser opgeroepen werd voor de eerste rechter op de terechtzitting van 3 november 2009 en dat die oproeping "overeenkomstig het bepaalde in artikel 1231-10, eerste lid, 4°, (Gerechtelijk Wetboek) gebeurde, gezien het advies van de vader van de geadopteerde, dat ongunstig was voor de adoptie, door het openbaar ministerie was ingewonnen overeenkomstig artikel 1231-5, 1°, Gerechtelijk Wetboek".

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 november 2009 vermeldt dat "meester C., raadsman (van de eiser), erop wijst dat de adoptieprocedure zeer snel is aangevat. Hij vordert in de eerste plaats dat het verzoekschrift niet-ontvankelijk zou worden verklaard, gelet op de datum waarop het werd neergelegd, daar er tegen (de eiser) nog geen procedure tot ontzetting uit het ouderlijk gezag was ingeleid, en omdat zijn naam nergens in het verzoekschrift vermeld wordt" en dat hij, subsidiair, "de rechtbank verzoekt om haar uitspraak aan te houden", op grond dat "de beslissing die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nog dient te nemen, op de procedure tot uitzetting (van de eiser uit zijn) ouderlijk gezag kan terugkomen".

Aangezien de eiser die vorderingen met tussenkomst van zijn raadsman heeft ingesteld voor de eerste rechter, schendt het arrest voormeld artikel 1231-10 door te beslissen dat "uit de stukken waarop het hof (van beroep) vermag acht te slaan, niet blijkt dat (de eiser) vrijwillig in het geding is tussengekomen." en dat, bijgevolg, het hoger beroep van de eiser niet ontvankelijk is.

Het middel is in zoverre gegrond.

De eiser heeft er belang bij dat het arrest bindend wordt verklaard ten aanzien van de partijen die hij met het oog hierop in het geding voor het Hof heeft betrokken.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre dat arrest het hoger beroep van de eiser niet-ontvankelijk verklaart en over de kosten uitspraak doet.

Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van A.B., F.S., A.B. en H.B..

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Albert Fettweis, Martine Regout en Alain Simon, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Feitelijk gegeven

  • Ontvankelijkheid