- Arrest van 25 maart 2011

25/03/2011 - C.10.0088.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De op straffe van verval voorgeschreven termijn van dertig dagen geldt enkel voor de verplichting van de aannemer om de feiten en omstandigheden die de gang van het werk verstoren aan de aanbestedende overheid bekend te maken en niet voor de bondige beschrijving van de invloed die deze feiten en omstandigheden hebben of zouden kunnen hebben op de opdracht en de kosten van de aanneming (1), noch voor het indienen van een behoorlijk becijferd verzoek. (1) Cass., 21 sept. 2007, AR C.05.0590.F, A.C., 2007, nr. 425.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0088.N

C.E.I.-DE MEYER nv, met zetel te 1120 Brussel, Antoon Van Osslaan 1, bus 2,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de minister bevoegd voor Mobiliteit en Openbare Werken, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20/1,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerder woonplaats kiest.

in aanwezigheid van

ARCADIS BELGIUM nv, met zetel te 2100 Deurne, Clara Snellingsstraat 27.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 11 september 2009.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de drie onderdelen

1. De verweerder voert aan dat het middel in zijn drie onderdelen, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is, omdat de bestreden beslissing geschraagd wordt door de niet-bekritiseerde reden dat de verweerder ertoe gerechtigd was om de opdracht overeenkomstig artikel 20, § 6, 1°, van de algemene aannemings-voorwaarden voor de overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken, gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, en van de concessies voor openbare werken, hierna AAV, eenzijdig te verbreken, zonder betaling van schadevergoeding en met behoud van de waarborg, daar de eiseres, in strijd met artikel 16, § 8, van zelfde algemene aannemingsvoorwaarden, weigerde de uitvoering van de werken verder te zetten tijdens de besprekingen tussen partijen.

2. De appelrechters oordelen dat, gelet op de weigering van de eiseres de werken verder te zetten, de ambtshalve door de verweerder genomen maatregel van eenzijdige verbreking van de overeenkomst met verwerving van de borgtocht gerechtvaardigd was in toepassing van artikel 20, § 6, 1°, AAV.

Zij oordelen niet dat de eiseres hierdoor het recht verliest op vergoeding van het nadeel geleden door een nalatigheid, vertraging of welke feiten ook aan de aanbestedende overheid of haar personeel ten laste gelegd.

3. De grond van niet-ontvankelijkheid die ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat de eiseres, tengevolge van de door de verweerder terecht getroffen ambtshalve maatregel, bedoeld recht op schadevergoeding verliest, berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Derde onderdeel

4. De verweerder stelde in zijn verzoekschrift tot hoger beroep: "Uit deze onderzoeken bleek dat er sprake zou zijn van een overschrijding van de bodemsaneringsnorm type I en II voor Cadmium. Alhoewel deze staalname niet genomen was volgens de door Ovam opgelegde procedure tot bemonstering en deze staalname niet representatief was voor de kwaliteit van het ganse terrein, gaf dergelijke staalname wel aan dat bij gebruik van de bemonsterde grond voorzichtigheid geboden was.

De uit te graven grond op het terrein kwam nog steeds in aanmerking om als ‘bodem' (...) te gebruiken, doch veiligheidshalve beperkt dergelijk gebruik zich tot vrij hergebruik als bodem voor ontvangende gronden met een bestemmingstype III of hoger, dan wel als bouwstof, zonder beperking wat het bestemmingstype van de terreinen betreft".

5. Na te hebben vastgesteld dat de afgegraven grond volgens het bestek zonder bijkomende maatregelen mocht worden gebruikt als bodem voor terreinen met bestemmingstype II, III, IV of V, en, zonder beperking wat het bestemmingstype van de terreinen betreft, als bouwstof, oordelen de appelrechters dat het niet bewezen is dat, zoals door eiseres aangevoerd, de mogelijkheden tot hergebruik van de afgegraven grond effectief beperkter zijn dan wat het bestek vermeldt.

6. Door aldus te oordelen werpen de appelrechters een betwisting op, die de partijen hebben uitgesloten en waarover zij geen tegenspraak hebben kunnen voeren.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede onderdeel

Ontvankelijkheid

7. De verweerder werpt op dat het onderdeel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, omdat de beslissing geschraagd wordt door de reden dat het niet bewezen voorkomt dat de mogelijkheden tot hergebruik van de grond effectief beperkter zijn dan wat in het bestek staat vermeld.

8. Uit het antwoord op het derde onderdeel volgt dat de appelrechters door aldus te oordelen het beschikkingsbeginsel hebben miskend.

De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Onderdeel

9. Krachtens artikel 16, § 3, eerste lid, AAV, is de aannemer verplicht op straffe van verval, de aanbestedende overheid ten spoedigste en schriftelijk in te lichten wanneer hij feiten of eender welke omstandigheden vaststelt die de goede gang van de opdracht verstoren, die onder de toepassing van § 1 en § 2 vallen en waaromtrent hij bijgevolg een verlenging van de uitvoeringstermijn, de herziening of verbreking van de overeenkomst en/of schadevergoeding kan vragen; hij moet hierbij bondig de invloed doen kennen die deze feiten hebben of zouden kunnen hebben op het verloop en de kostprijs van de opdracht.

Krachtens artikel 16, § 3, tweede lid, AAV, zijn niet ontvankelijk, de klachten en verzoeken die steunen op feiten en omstandigheden die door de aannemer niet te gepasten tijde aan de aanbestedende overheid werden kenbaar gemaakt en waarvan ze bijgevolg het bestaan en de invloed op de opdracht niet heeft kunnen nagaan teneinde de door de toestand eventueel vereiste maatregelen te nemen.

Krachtens artikel 16, § 3, vierde lid, AAV, zijn bedoelde klachten en verzoeken in elk geval niet ontvankelijk wanneer de ingeroepen feiten en omstandigheden niet schriftelijk werden bekendgemaakt binnen de dertig kalenderdagen ofwel nadat ze zich hebben voorgedaan, ofwel na de datum waarop de aannemer ze normaal had moeten kennen.

Krachtens artikel 16, § 4, eerste lid, AAV moeten, onverminderd de bepalingen van § 3, de klachten en verzoeken van de aannemer, behoorlijk gerechtvaardigd en becijferd, op straffe van verval, schriftelijk ingediend worden binnen onderstaande termijnen:

- vóór het verstrijken van de contractuele termijnen om termijnverlenging of de verbreking van de opdracht te verkrijgen;

- negentig kalenderdagen volgend op de datum van de betekening van het proces-verbaal van voorlopige oplevering van de opdracht om de herziening van de opdracht of schadevergoeding te verkrijgen.

10. Uit artikel 16, § 3, eerste en vierde lid, AAV blijkt dat de op straffe van verval voorgeschreven termijn van dertig dagen enkel geldt voor de verplichting van de aannemer om de feiten en omstandigheden die de gang van het werk verstoren bekend te maken aan de aanbestedende overheid en niet voor de bondige beschrijving van de invloed die deze feiten en omstandigheden hebben of zouden kunnen hebben op de opdracht en de kosten van de aanneming, noch voor het indienen van een behoorlijk gerechtvaardigd en becijferd verzoek in de zin van artikel 16, § 4, AAV.

11. De appelrechters oordelen dat de eiseres een becijferd verzoek had moeten indienen binnen de 30 dagen na kennis te hebben gekregen van het door haar aangevoerde probleem.

Door aldus te oordelen, schenden zij artikel 16, § 3 en § 4, AAV.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Eerste onderdeel

Ontvankelijkheid

12. De verweerder werpt op dat het onderdeel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, omdat de beslissing geschraagd wordt door de reden dat het niet bewezen voorkomt dat de mogelijkheden tot het gebruik van de grond effectief beperkter zijn dan wat in het bestek staat vermeld.

13. Uit het antwoord op het derde onderdeel volgt dat de appelrechters door aldus te oordelen het beschikkingsbeginsel hebben miskend.

De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Onderdeel

14. De eiseres heeft het verweer gevoerd dat in het onderdeel is weergegeven.

15. De appelrechters beantwoorden dit verweer niet.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

16. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Verklaart het arrest bindend aan de in bindendverklaring opgeroepen partij.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Albert Fettweis, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 25 maart 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Aannemer

  • Feiten en omstandigheden die de gang van het werk verstoren

  • Bekendmaking aan de overheid

  • Termijn

  • Voorwerp