- Arrest van 28 maart 2011

28/03/2011 - S.10.0067.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een arbeidsongeval vereist met name het bestaan van een plotselinge gebeurtenis dat een letsel veroorzaakt; de gewone en normale uitoefening van de dagtaak kan een plotselinge gebeurtenis zijn, op voorwaarde dat er in die uitoefening een element kan worden aangewezen dat het letsel kan hebben veroorzaakt; het is evenwel niet vereist dat voornoemd element losstaat van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en de handeling die bestaat in het hardhandig tegenhouden, boeien en doen knielen tijdens een oefening van de leerlingen van de politieschool, kan op zich al het element vormen dat het letsel heeft kunnen veroorzaken.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0067.F

1. A. O.,

2. C. V.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

POLITIEZONE BERGEN-QUÉVY.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 15 maart 2010 gewezen door het arbeidshof te Bergen.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseressen voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.

Aangevochten beslissingen

Het arrest oordeelt dat de rechtsvoorganger van de eiseressen niet is getroffen door een arbeidsongeval op 4 juni 2003, op grond dat "uit de onder eed afgelegde getuigenissen, aangevuld met de stukken uit de dossiers van de partijen, het volgende blijkt:

1) alle getuigen zijn het eens over het feit dat de aspirant-politieagenten nooit enig geweld hebben gebruikt toen zij de rechtsvoorganger van de eiseressen tegenhielden en boeiden;

2) hoewel die oefening een getrouwe weergave was van technieken om verdachten te onderscheppen en in de boeien te slaan, zoals de politie die daadwerkelijk gebruikt, blijft het niettemin een feit dat de aangewende dwang en het krachtdadig optreden in geen geval aangemerkt konden worden als een oefening die getuigde van brutaliteit ten aanzien van de tegengehouden verdachte of die bij die persoon, namelijk de rechtsvoorganger van de eiseressen, een buitengewone stress teweegbracht. Het spreekt immers voor zich dat de aspirant-politieagenten uiteraard niet de taak hebben hun monitor te verwonden (het is hen overigens formeel verboden hun monitoren te slaan!): er bestaat dus een wezenlijk verschil tussen de arbeidsvoorwaarden die aan de monitoren worden opgelegd in het kader van de oefeningen in interventietechnieken en -tactieken en die van een reële politie-interventie, waarbij de gezagsdragers op ieder ogenblik werkelijk voor hun veiligheid kunnen vrezen, aangezien zij niet steeds kunnen vooruitlopen op de - van nature onvoorspelbare - reactie van de personen die zij tegenhouden;

3) hoewel aangenomen moet worden dat het de dag van de litigieuze feiten, warm en onweerachtig weer was, moet er toch op gewezen worden dat de oefening plaatsvond in een grote, goed verluchte hal (zie het onderzoek van de inspecteur van Ethias) en dat de rechtsvoorganger van de eiseressen die dag niet geklaagd heeft over een ‘onbehaaglijk' gevoel, te wijten aan zijn bezorgdheid om zijn gezondheidstoestand : de onder eed ondervraagde personen hebben integendeel zelf verklaard dat de rechtsvoorganger van de eiseressen zich die dag goed voelde en zich erover verheugde dat hij aan dat soort oefeningen kon deelnemen;

4) [de rechtsvoorganger van de eiseressen] ambieerde immers een vacant verklaarde betrekking als 'praktijkmonitor' binnen de politieschool. Hij had zich kandidaat gesteld in een brief van 13 maart 2003 aan de voorzitter van de politieschool. [De rechtsvoorganger van de eiseressen] beschikte uitgerekend vanaf 1988 over een brevet van instructeur in interventietechnieken en -tactieken, waardoor hij, volgens de getuigenissen die zijn afgelegd voor de eerste rechter (de heren C. en T.), al meerdere jaren aan dat soort activiteiten deelnam. Het ligt dus voor de hand dat de rechtsvoorganger van de eiseressen zelf meende dat de betrekking die hij ambieerde en waarin hij definitief benoemd wou worden, volkomen verenigbaar was met zijn gezondheidstoestand en met het advies van 6 november 2002 van de arbeidsgeneesheer, die had aangeraden om hem 'licht werk' toe te wijzen. Het soort oefeningen waaraan de rechtsvoorganger van de eiseressen op 4 juni 2003 deelnam, kon inderdaad als licht omschreven worden en vergde geen enkele bijzondere inspanning en kon geen gevoel van stress teweegbrengen, aangezien de rechtsvoorganger van de eiseressen, volgens de getuigenissen, was verzocht gevolg te geven aan de bevelen door zijn handen in de lucht te steken, zich om te draaien, te knielen en zich de handen op de rug te laten boeien, zonder de minste weerstand te bieden aan de leerlingen die de rechtsvoorganger van de eiseressen moesten tegenhouden (zie de ondubbelzinnige getuigenissen van B. en C., de aspirant-politieagenten die de rechtsvoorganger van de eiseressen moesten tegenhouden);

het medisch verslag van dokter F. toont uiteraard niet aan dat het letsel van de rechtsvoorganger van de eiseressen is veroorzaakt door de uitvoering zelf van de arbeidsovereenkomst. Het betreft hier een eenzijdig verslag van een geneesheer die overigens niet eens de behandelend geneesheer van de rechtsvoorganger van de eiseressen was en die kennelijk niet getuige is geweest van de 'arbeidsvoorwaarden' waaronder voornoemde op de datum van de feiten werkte. Dat verslag is maar van beperkt belang, in zoverre het erop wijst dat de rechtsvoorganger van de eiseressen hartlijder was. Die vaststellingen werden door dokter F. gedaan op basis van de medische voorgeschiedenis van de rechtsvoorganger van de eiseressen en werden opgetekend in zijn medisch dossier, dat door zijn behandelend cardioloog aan zijn echtgenote werd toegezonden. Dokter F. heeft dus geen enkele reden om vast te stellen dat een plotselinge gebeurtenis verantwoordelijk is voor het fysieke letsel dat gediagnosticeerd werd door de spoedarts van de opgeroepen M.U.G.

Gelet op het voorafgaande, staat het buiten kijf dat de rechtsvoorganger van de eiseressen op 4 juni 2003 niet is getroffen door een arbeidsongeval, daar het vaststaat dat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst hem geen enkele bijzondere stress heeft bezorgd en dat hij in de uitoefening van zijn beroep geen bijzondere inspanningen heeft geleverd die bij het tot stand komen van het gediagnosticeerde letsel een doorslaggevende of belangrijke rol hebben gespeeld.

De oorzaak van het letsel moet bijgevolg uitsluitend gezocht worden in het lichaam van de getroffene. Laatstgenoemde was immers hartlijder (hartinfarct), wat door dokter F. bevestigd wordt op basis van de medische voorgeschiedenis zoals die uit het medisch dossier van de getroffene blijkt. Het hartinfarct, dat geleid heeft tot het overlijden van de rechtsvoorganger van de eiseressen, had zich derhalve op gelijk welke andere plaats of gelijk welk ander tijdstip kunnen voordoen.

Het verzoekschrift in hoger beroep van de verweerster moet gegrond worden verklaard (behalve in zoverre zij verzocht om de oorspronkelijke vordering niet-ontvankelijk te verklaren) en alle beschikkingen van het vonnis van 7 juni 2006 moeten worden gewijzigd.

Grieven

Luidens artikel 2, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector wordt onder arbeidsongeval verstaan, het ongeval dat zich tijdens en door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst heeft voorgedaan en dat een letsel veroorzaakt.

Het begrip ongeval wordt door de wet op geen enkele andere manier omschreven. Wel worden de bestanddelen ervan gepreciseerd in artikel 2, vierde lid, dat bepaalt dat, wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van een letsel, het bestaan van een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt.

Om van een arbeidsongeval te kunnen spreken, moet de plotselinge gebeurtenis zijn veroorzaakt door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en moet zij een letsel kunnen veroorzaken. De gewone en normale uitoefening van de dagtaak kan een plotselinge gebeurtenis zijn, op voorwaarde dat er, in die uitoefening, een element kan worden aangewezen dat het letsel kan hebben veroorzaakt ; het is evenwel niet vereist dat voornoemd element losstaat van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

Volgens de eiseressen betrof het hier een arbeidsongeval en ze voerden het bestaan van een plotselinge gebeurtenis aan, die hierin bestond dat de leerlingen van de politieschool de getroffene tijdens een oefening hardhandig hadden tegengehouden en geboeid.

Het arrest is niet naar recht verantwoord, in zoverre het beslist dat de rechtsvoorganger van de eiseressen op 4 juni 2003 niet was getroffen door een arbeidsongeval, daar het vaststond dat hij door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst aan geen enkele bijzondere stress was blootgesteld en dat hij in de uitoefening van zijn beroep evenmin enige bijzondere inspanning heeft geleverd die bij het tot stand komen van het gediagnosticeerde letsel een doorslaggevende of belangrijke rol heeft gespeeld.

Het arrest vereist om die reden het bestaan van een bijzonder element dat losstaat van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, namelijk een bijzondere stress of een bijzondere inspanning. Het arrest neemt daarenboven niet aan dat de door de eiseressen aangevoerde plotselinge gebeurtenis op zich alleen het element kon zijn dat het letsel kon hebben veroorzaakt, op grond dat die gebeurtenis een onderdeel vormde van de gewone en normale dagtaak.

Het arrest sluit derhalve de door de eiseressen aangevoerde plotselinge gebeurtenis niet wettig uit, op grond dat de getroffene, op de dag van de feiten, zijn gewone dagtaak uitvoerde en dat er geen sprake was van een gebaar, inspanning, houding of bijzondere omstandigheid.

Het arrest schendt aldus artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Een arbeidsongeval vereist met name het bestaan van een plotselinge gebeurtenis dat een letsel veroorzaakt.

De gewone en normale uitoefening van de dagtaak kan een plotselinge gebeurtenis zijn, op voorwaarde dat er, in die uitoefening, een element kan worden aangewezen dat het letsel kan hebben veroorzaakt ; het is evenwel niet vereist dat voornoemd element losstaat van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

Het bestreden arrest, dat vaststelt dat de rechtsvoorganger van de eiseressen werd getroffen door een hartaanval nadat hij door de leerlingen van de politieschool tijdens een oefening hardhandig was onderschept, geboeid en op zijn knieën was gedwongen, beslist vervolgens dat voornoemd optreden geen plotselinge gebeurtenis is, op grond dat "het vaststaat dat de uitvoering van de arbeids-overeenkomst hem geen enkele bijzondere stress heeft bezorgd en dat hij in de uitoefening van zijn beroep geen bijzondere inspanningen heeft geleverd die bij het tot stand komen van het gediagnosticeerde letsel een doorslaggevende of belangrijke rol hebben gespeeld".

Het arrest, dat niet aanneemt dat het optreden van de leerlingen van de politieschool, dat bestond in het hardhandig tegenhouden, boeien en doen knielen van de getroffene tijdens een oefening, op zich al het element kon vormen dat het letsel heeft kunnen veroorzaken, schendt de in het middel bedoelde bepaling.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Gelet op artikel 16 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, veroordeelt de verweerster in de kosten.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 28 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Plotselinge gebeurtenis