- Arrest van 28 maart 2011

28/03/2011 - S.10.0147.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Waals Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie bepaalt dat elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van één van de diensten van een intercommunale ter kennis wordt gebracht van een burger, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen vermeldt, en dat de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep bij ontstentenis daarvan geen aanvang neemt; die bepaling, die alleen de eventuele beroepsmogelijkheden betreft, vereist niet dat in de beslissing die een arbeidsovereenkomst beëindigt melding wordt gemaakt van de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de arbeidsrechtbank en van de termijn waarbinnen die rechtsvordering verjaart.


Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0147.F

INTERCOMMUNALE DE TRAITEMENT DE DÉCHETS, (ITRADEC), coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

G. S.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 24 februari 2010 gewezen door het arbeidshof te Bergen.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2 van het decreet van 7 maart 2001 betreffende de openbaarheid van bestuur in de Waalse intercommunales, ingevoegd door artikel L1561-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, bij besluit van de Waalse regering van 22 april 2004, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2004 ;

- artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast dat de algemeen directeur van de eiseres de verweerder kennisgegeven heeft van zijn ontslag met ingang op 15 mei 2006, wijzigt vervolgens het beroepen vonnis en verklaart de oorspronkelijke vordering die de verweerder bij dagvaarding van 27 juli 2007 heeft ingesteld, niet verjaard. Die beslissing is gegrond om alle redenen van het arrest die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid om de volgende redenen:

"Het geschil dat thans aan het arbeidshof is voorgelegd en zoals het door de partijen werd beperkt, betreft de vraag of de rechtsvordering die  de verweerder heeft ingesteld bij een op 27 juli 2007 betekende dagvaarding, al dan niet verjaard is;

Luidens artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden;

De in artikel 15 bedoelde verjaring is van toepassing op contractuele ambtenaren (artikel 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978);

De verkorte verjaringstermijn van artikel 15 betreft bovendien alle rechtsvorderingen die betrekking hebben op de toekenning van een voordeel dat uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit en waarvan de oorzaak gegrond is op een feit dat verband houdt met de uitvoering van de overeenkomst;

De hoofdverjaringstermijn van een jaar begint te lopen op de dag na de beëindiging van de overeenkomst;

Het arbeidsrecht kent geen andere, bijzondere oorzaken van stuiting dan die van het Burgerlijk Wetboek. De toepasselijke oorzaken van stuiting zijn te dezen de dagvaarding, het bevel tot betaling of het beslag, de schulderkenning en de afstand van een recht;

Wanneer aan de schuldvordering een vervaldatum of een voorwaarde gekoppeld is, wordt de verjaring geschorst tot die vervaldatum bereikt wordt of die voorwaarde vervuld wordt;

De eiseres is in dit geval een intercommunale die opdrachten van openbare dienst uitvoert en die in dat opzicht een publiekrechtelijk rechtspersoon is (artikel L1512-4, § 1, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie);

[De verweerder] was één van haar contractuele ambtenaren en zijn oorspronkelijke vordering (compensatoire opzeggingsvergoeding, vergoeding wegens willekeurig ontslag...) vloeit voort uit de uitvoering van de overeenkomst;

Om aan te tonen dat zijn rechtsvordering niet verjaard was op de datum van zijn dagvaarding, namelijk 27 juli 2007, moet [de verweerder] bewijzen dat voldaan was aan één of meer hoofdvoorwaarden voor het vaststellen van de in artikel 15 bedoelde verjaring, met name dat de termijn niet beëindigd was, dat de aanvang van die termijn kon worden uitgesteld of dat de termijn werd gestuit of geschorst;

In dit geval betoogt de verweerder met name dat de verjaringstermijn van een jaar niet is ingegaan op 9 mei 2006, de datum van kennisgeving van het ontslag dat inging op 15 mei 2006, omdat die kennisgeving geen melding maakte van de mogelijkheid om bij de arbeidsrechtbank beroep in te stellen en evenmin van de hiertoe vereiste vormen en termijnen;

[Hij] baseert zich daarvoor op artikel 2 van het decreet van 7 maart 2001 betreffende de openbaarheid van bestuur in de Waalse intercommunales;

Als overheidsinstelling moet de eiseres vast en zeker de regels van het administratief recht naleven;

Het decreet van 7 maart 2001 werd, met uitzondering van de artikelen 14 en 15, ingevoegd in het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie (artikel 2, 18°, van het besluit van 22 april 2004 van de Waalse Regering houdende codificatie van de decreetgeving betreffende de plaatselijke besturen, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2004 van het Waalse Gewest);

Artikel L1561-2-4, § 1, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, zoals het van toepassing was ten tijde van het geschil (vóór de vervanging ervan bij het decreet van 19 juli 2006), bepaalde wat volgt : ‘Met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de intercommunale: [...] 4° vermeldt elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van één van haar diensten ter kennis wordt gebracht van eenieder die erom verzoekt, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen ; bij ontstentenis neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang' (dit is de omzetting van artikel 2 van het decreet van 7 maart 2001 betreffende de openbaarheid van bestuur in de Waalse intercommunales);

Hoewel de eiseres erkent dat die bepaling betrekking heeft op de beslissingen of administratieve handelingen met individuele strekking in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, beweert zij blijkbaar dat de in die bepaling gestelde eisen alleen de beslissingen betreffen waartegen bij de Raad van State beroep kan worden ingesteld;

Die bewering is volledig in strijd met wat in de rechtsleer en de rechtspraak thans aangenomen wordt met betrekking tot de motivering van het ontslag van contractuele ambtenaren in de overheidssector;

Wat betreft de toepassing van de wet van 29 juli 1991 wordt, inzake het door een overheid gegeven ontslag, immers unaniem het volgende aangenomen:

- het ontslag is een rechtshandeling die rechtsgevolgen moet teweegbrengen: het is een eenzijdige, definitieve en onherroepelijke rechtshandeling op grond waarvan een partij de andere partij in kennis stelt van haar voornemen om de arbeidsverhouding te beëindigen;

- het is een eenzijdige handeling die aan zijn bestemmeling opgelegd wordt ;

- het is een handeling met individuele strekking die betrekking heeft op de bijzondere situatie van de betrokken werknemer ;

- het is een handeling die uitgaat van een overheid : een werkgever kan als overheid worden omschreven wanneer hij de doorslaggevende invloed van een overheid heeft, een opdracht van algemeen belang vervult en over een dwingende bevoegdheid ten aanzien van derden beschikt;

[...] Het door de eiseres ter kennis gebrachte ontslag is dus een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van één van haar diensten in de zin van artikel L1561-2-4, § 1, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie;

De omschrijving ‘eenieder die erom verzoekt' in die bepaling duidt bovendien kennelijk op de werknemer die in dienst van de eiseres werkt. Artikel 1512-4, § 4, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie bepaalt immers dat, ‘ongeacht de aard van de intercommunale, haar openbaar karakter doorslaggevend is in de betrekkingen met haar vennoten, haar ambtenaren en iedere derde, alsmede in iedere interne of externe mededeling'. Hiermee worden bijgevolg alle soorten betrekkingen en alle communicatiemiddelen bedoeld, dus ook die welke betrekking hebben op de arbeidsovereenkomst;

De ontslagbrief van 9 mei 2006 moest dus, overeenkomstig artikel L1561-2-4, § 1, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, wijzen op de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties waarbij dat beroep aanhangig kon worden gemaakt en de geldende vormen en termijnen, en dan met name de mogelijkheid om tegen het ontslag een beroep in te stellen voor de arbeidsgerechten, alsook de voor dat beroep geldende vorm en termijn;

De ontslagbrief van 9 mei 2006 vermeldt echter alleen de voorwaarden voor het instellen van een intern beroep voor de raad van bestuur;

Hieruit volgt dat, overeenkomstig artikel L1561-2-4, § 1 in fine, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, de verjaringstermijn van een jaar, bedoeld in artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, niet is ingegaan;

De oorspronkelijke vordering van de verweerder, ingesteld bij dagvaarding van 27 juli 2007, is dus niet verjaard;

Het beroepen vonnis moet worden gewijzigd, in zoverre het die vordering wegens verjaring ongegrond verklaart;

In tegenstelling tot wat de eiseres beweert, ontwaart het arbeidshof geen enkele kennelijke discriminatie tussen de 'privéwerkgevers' en de 'openbare werkgevers', die hierop gegrond zou zijn dat de eiseres verplichtingen van bestuursrechtelijke aard dient na te komen. Die twee categorieën van werkgevers zijn immers niet vergelijkbaar [...];

Op grond van artikel L1561-2-4, § 1, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, wordt aan de overheid immers een specifieke plicht tot voorzichtigheid, openbaarheid en voorlichting, opgelegd;

Het arbeidshof ziet niet in hoe de toepassing van een wet, die de eiseres dient na te leven en die zij hoort te kennen, een grond van discriminatie kan vormen".

Grieven

Krachtens artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden.

Het arrest stelt vast 1° dat "de algemeen directeur van de eiseres de verweerder bij brief van 9 mei 2006 in kennis heeft gesteld van zijn ontslag in de volgende bewoordingen: [...] ‘ik heb beslist om u te ontslaan met ingang van maandag 15 mei 2006. De in acht te nemen opzeggingstermijn bedraagt 42 dagen en gaat dus in op 15 mei. Aangezien ik beslist heb dat u tijdens die periode geen arbeidsprestaties dient te leveren, zal u een compensatoire opzeggingsvergoeding worden betaald'" en 2° dat de rechtsvordering, die strekt tot de herplaatsing in de onderneming en, subsidiair, tot betaling van een vergoeding wegens willekeurig ontslag en van een vergoeding van de schade veroorzaakt door de fouten die werden begaan in de loop van de ontslagprocedure, werd ingesteld bij dagvaarding van 27 juli 2007, dat is meer dan een jaar na de stopzetting van de arbeidsovereenkomst.

Artikel 2 van het decreet van 7 maart 2001 betreffende de openbaarheid van bestuur in de Waalse intercommunales, dat in artikel L1561-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie werd ingevoegd, bij besluit van de Waalse regering van 22 april 2004, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2004, bepaalt wat volgt:

"Met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de intercommunale:

[...] 4° vermeldt elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van één van haar diensten ter kennis wordt gebracht van eenieder die erom verzoekt, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen ; bij ontstentenis neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang".

Die bepaling verplicht de overheidsinstelling dus ertoe in elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele specifieke, op straffe van verval voorgeschreven beroepstermijnen te vermelden, maar niet de gewone, bestaande verjaringstermijn te vermelden die steeds van toepassing is en die daarenboven geen beroepstermijn is, maar een termijn na afloop waarvan het vorderingsrecht vervalt.

Wanneer, bijgevolg, geen melding wordt gemaakt van de eventuele beroepsmogelijkheden, van de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en van de geldende vormen en termijnen, verhindert dat verzuim niet dat de verjaringstermijn, bedoeld in artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, begint te lopen.

Het arrest, dat niettemin beslist dat de rechtsvordering van de verweerder niet verjaard is, op grond dat "de ontslagbrief van 9 mei 2006 moest ... wijzen op de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties waarbij dat beroep aanhangig kon worden gemaakt en de geldende vormen en termijnen, en dan met name de mogelijkheid om tegen het ontslag een beroep in te stellen voor de arbeidsgerechten, alsook de voor dat beroep geldende vorm en termijn" en dat, bij ontstentenis van die vermeldingen, "de verjaringstermijn van een jaar, bedoeld in artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, niet is ingegaan", schendt de in het middel bedoelde wettelijke bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 15, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt dat de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar verjaren na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden.

Artikel L 1561-2, 4°, van het Waals Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie bepaalt dat, met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de intercommunale, elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van één van haar diensten ter kennis wordt gebracht van eenieder die erom verzoekt, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen vermeldt; bij ontstentenis neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang.

Die bepaling betreft alleen de eventuele beroepsmogelijkheden maar vereist niet dat in de beslissing die een arbeidsovereenkomst beëindigt melding wordt gemaakt van de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de arbeidsrechtbank en van de termijn waarbinnen die rechtsvordering verjaart.

Het arrest stelt vast dat, enerzijds, de eiseres de verweerder bij brief van 9 mei 2006 heeft ontslagen met ingang van 15 mei 2006 en dat, anderzijds, laatstgenoemde bij dagvaarding van 27 juli 2007 een vordering heeft ingesteld die strekte tot de herplaatsing in de onderneming en, subsidiair, tot betaling van een vergoeding wegens willekeurig ontslag en van een vergoeding van de schade veroorzaakt door de fouten die volgens de verweerder werden begaan in de loop van de ontslagprocedure.

Het arrest, dat beslist dat die rechtsvordering niet verjaard is, op grond dat "de ontslagbrief alleen de voorwaarden voor het instellen van een intern beroep voor de raad van bestuur vermeldt" en niet "de mogelijkheid om bij de arbeidsrechtbank beroep in te stellen en evenmin de hiertoe vereiste vormen en termijnen", schendt de voormelde wettelijke bepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 28 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Waals Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie

  • Intercommunale