- Arrest van 28 maart 2011

28/03/2011 - S.10.0039.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Inzake de betaling van de bijdragen, die opgelegd wordt door het sociaal statuut voor zelfstandigen zijn de rechtspersonen, samen met hun vennoten of mandatarissen, hoofdelijk gehouden tot betaling van dezelfde schuld; de verjaring wordt gestuit t.a.v. alle personen die tot de betaling van diezelfde schuld gehouden zijn.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0039.F

RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

MICHEL RHAINOTTE, nv,

en in aanwezigheid van

D. C.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het arbeidshof te Luik, afdeling Namen, van 25 april 2006 en 14 december 2006.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 15, § 1, derde lid, 16, § 2, eerste lid en tweede lid, 2° en 3° (vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2003), en 21, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ;

- artikel 9, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ;

- de artikelen 1200, 1202, 1206, 2249, eerste lid, en, voor zover nodig, 2242, 2244, eerste lid, en 2248 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest van 25 april 2006 verklaart het hoofdberoep gedeeltelijk gegrond, stelt vast dat de verweerster, die hoofdelijk aansprakelijk is, vóór de dagvaarding een ingebrekestelling heeft ontvangen op 3 december 2002, en beslist dat de eerste verjaringstuitende daad jegens haar dus is gesteld op 3 december 2002. Het bestreden arrest van 14 december 2006 veroordeelt de verweerster en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij hoofdelijk slechts tot beloop van een bedrag van 13.043,73 euro (vermeerderd met de gerechtelijke interest en de kosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep), op grond dat, volgens het arrest van 25 april 2006, de aangetekende brief die gericht was aan de belastingplichtige - hier de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij - de verjaring niet stuit ten aanzien van de hoofdelijk aansprakelijke vennootschap, zodat "alleen de (ingebrekestelling) van 3 december 2002 de verjaring jegens haar stuit" en dat de voorlopige bijdragen van het jaar 1996 verjaard waren. Die beslissingen zijn gegrond op de volgende overwegingen:

« 6.1.1. De verjaring

In rechte

Artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bepaalt dat de verjaring niet alleen wordt gestuit op de wijze bedoeld in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, maar ook met een aangetekende brief van de kas die de bijdragen invordert of die door (de eiser) is verzonden en waarbij de betrokkene wordt aangemaand zich bij een socialeverzekerings-kas aan te sluiten.

De bijdragen zijn verschuldigd door zowel de helper als de zelfstandige die, samen met de helper, hoofdelijk tot de betaling van diens bijdragen gehouden is (cf. artikel 15, § 1, van datzelfde besluit). Hetzelfde geldt voor de rechtspersoon voor de bijdragen verschuldigd door zijn vennoten of mandatarissen. Die bepaling voorziet niet in bijzondere regels voor de verjaring van de rechtsvordering ten aanzien van de hoofdelijk aansprakelijke persoon en bepaalt dus niet dat de aangetekende brief die naar de belastingplichtige wordt verstuurd, een daad is die de verjaring ook jegens hem stuit.

Bijgevolg zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

Artikel 1206 van dat wetboek bepaalt dat ‘vervolgingen tegen een van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring stuiten ten aanzien van allen'. De bepalingen inzake hoofdelijkheid zijn van toepassing, zowel op een hoofdelijkheid krachtens overeenkomst als op een hoofdelijkheid van rechtswege (cf. artikel 1202 van hetzelfde wetboek), zoals in dit geval (cf. artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 38). De enige uitzondering op die regel is de hoofdelijkheid wegens verbintenissen die niet ontstaan uit overeenkomsten maar uit misdrijven of oneigenlijke misdrijven.

De tegen een schuldenaar ingestelde ‘'vervolgingen' gelden bijgevolg tegen de andere hoofdelijke schuldenaars bedoeld in artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 38.

De verjaring kan met name worden gestuit door een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag (artikel 2244 van datzelfde wetboek), of nog door de erkenning van de schuld door de schuldenaar (artikel 2248).

Ten aanzien van de hoofdelijke schuldenaar stuit de ingebrekestelling overeenkomstig artikel 2244 of de erkenning van het recht (artikel 2248) door een schuldenaar de verjaring ten aanzien van de anderen (artikel 2249).

De verplichting die de zelfstandige met betrekking tot de door zijn helper verschuldigde bijdragen moet nakomen, is bijgevolg een hoofdelijke verplichting in de zin van de artikelen 1200 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en ‘de ingebrekestelling' van een schuldenaar is een daad die de verjaring stuit ten aanzien van de anderen.

Geldt de verzending van een aangetekende brief aan een zelfstandige, waarin hij aangemaand wordt zich bij een kas aan te sluiten of zijn bijdragen te betalen, als een daad die de verjaring stuit ten aanzien van een hoofdelijk aansprakelijke vennootschap?

Het Hof van Cassatie heeft dat schijnbaar aangenomen maar heeft de weerslag van artikel 2249 van het Burgerlijk Wetboek niet onderzocht, daar de voor het Hof aangevoerde middelen die vraag niet betroffen.

Zoals (de verweerster) terecht betoogt op grond van een later arrest van het (arbeids)hof, heeft de in artikel 2249 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde ‘ingebrekestelling' echter alleen betrekking op de artikelen die uitdrukkelijk in dezelfde afdeling vermeld worden en dus meer bepaald, in dit geval, artikel 2244.

Zij sluit niet de verzending van een aangetekende brief in, ook al kan die verzending, krachtens een andere wettelijke bepaling, gelden als een verjaringstuitende daad ten aanzien van degene aan wie ze is gericht. Aangezien artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 38 niet vermeldt dat de verjaringstuitende daad, die bestaat in de verzending van een aangetekende brief aan de schuldenaar, ook aan de hoofdelijke schuldenaar kan worden tegengeworpen, stuit een dergelijke, van het gemeen recht afwijkende daad de verjaring alleen ten aanzien van de persoon aan wie de aangetekende brief is gericht.

Aangezien het hier regels betreft die afwijken van het algemeen beginsel volgens hetwelk de verjaring niet gestuit wordt ten aanzien van de personen die niet rechtstreeks in gebreke zijn gesteld, moeten de bepalingen van de artikelen 1206 en 2249 immers op beperkende wijze worden uitgelegd.

Daar de dagvaarding daarentegen wel vermeld wordt in artikel 2249, stuit zij de verjaring ten aanzien van alle hoofdelijke schuldenaars.

Toepassing op deze zaak :

Het staat vast dat de kas de verjaring ten aanzien van de zelfstandige (dat wil zeggen tegen de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) heeft gestuit door hem op 21 december 1999 een aangetekende brief en op 12 februari 2001 een herinnering toe te sturen.

De rechtbank heeft eraan herinnerd dat elke verjaringstuitende daad ten aanzien van een hoofdelijke medeschuldenaar de verjaring stuit ten aanzien van de anderen. Evenwel dan is nog vereist dat de wettelijke bepaling die in een afwijkende wijze van stuiting voorziet, dat ook uitdrukkelijk bepaalt, of dat het om een van de algemene wijzen van stuiting bedoeld in voormeld artikel 2249 gaat.

De dagvaarding werd te dezen tegelijkertijd betekend aan de twee hoofdelijke medeschuldenaars en de vennootschap had vóór die betekening reeds een ingebrekestelling gekregen op 3 december 2002.

De eerste verjaringsstuitende daad ten aanzien van de vennootschap vond dus plaats op 3 december 2002.

Het betreft echter bijdragen die verschuldigd waren bij de aanvang van de beroepsbezigheid, waarop de bepalingen van artikel 49 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 kunnen worden toegepast."

"1. De reden voor de heropening van het debat

Het (arbeids)hof heeft bij arrest van 25 april 2006 beslist dat de aangetekende brief die aan (de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) was gericht, (de verjaring) niet stuit ten aanzien van de hoofdelijk aansprakelijke vennootschap. Bijgevolg stuit alleen de dagvaarding van 3 december 2002 de verjaring ten aanzien van die vennootschap. (...)

2. De verjaring en het bedrag van de verschuldigde bijdragen

(De eiser) heeft een overzicht neergelegd van alle bijdragen verschuldigd voor de periode van het eerste kwartaal van 1996 tot het eerste kwartaal van 1999, in acht genomen dat de voorlopige bijdragen voor het jaar 1996 immers verjaard zijn, in tegenstelling tot de regularisatiebijdragen en de bijdragen voor de jaren 1997 en volgende.

Dat overzicht dat door (de verweerster) niet betwist wordt, lijkt correct en moet worden goedgekeurd.

Er is (aan de eiser) een bedrag van 13.043,73 euro verschuldigd, zoals in het vorige arrest is vermeld, vermeerderd met de gerechtelijke interest.

Het hoger beroep is in zoverre gegrond."

Het bestreden arrest van 25 april 2006 beslist dat het verweer van de verweerster zeker niet als tergend en roekeloos kan worden beschouwd, zodat het incidenteel beroep van de eiser niet gegrond is. Die beslissing is gegrond op de volgende redenen :

"6.2. De tussenvordering: toekenning van schadevergoeding wegens roekeloos en tergend verweer

Het hoger beroep was gedeeltelijk gegrond, daar het (arbeids)hof het op de verjaring gegronde middel gedeeltelijk had aangenomen. Het verweer van (de verweerster) kan dus zeker niet in die mate als tergend en roekeloos worden beschouwd dat het zou getuigen van het evident slechte voornemen om de oplossing van het geschil te vertragen.

Om te oordelen of een verweer tergend en roekeloos is, moet de rechter nagaan in hoeverre de aangevoerde middelen ernstig dan wel niet ernstig zijn.

Het incidenteel beroep is niet gegrond."

Grieven

1.1. Artikel 16, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bepaalt dat de invordering van de in dat besluit voorziene bijdragen verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari die volgt op het jaar waarvoor zij verschuldigd zijn.

Krachtens artikel 16, § 2, tweede lid, 2° en 3°, van dat besluit, wordt de verjaring van de invordering van de bijdragen niet alleen gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, maar ook met een aangetekende brief waarbij het organisme dat belast is met de invordering de door de betrokkene verschuldigde bijdragen opvordert, of nog met een aangetekende brief die door de eiser is verzonden ter uitvoering van de hem in artikel 21, § 2, 1°, toevertrouwde opdracht en waarin de betrokkene aangemaand wordt zich bij een socialeverzekeringskas aan te sluiten.

Krachtens artikel 21, § 2, 1°, van datzelfde besluit, heeft de eiser tot opdracht na te gaan of de personen die aan dat besluit onderworpen zijn, bij een sociale verzekeringskas aangesloten zijn. Artikel 9, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, bepaalt dat de zelfstandige die nalaat binnen de 90 dagen na de aanvang van zijn beroepsbezigheid keuze te doen van een sociaal verzekeringsfonds, in gebreke wordt gesteld door middel van een ter post aangetekende brief verstuurd door de eiser.

1.2. Artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat er hoofdelijkheid tussen schuldenaars bestaat wanneer zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken, en dat de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt. Krachtens artikel 1202 van het Burgerlijk Wetboek lijdt de regel dat hoofdelijkheid niet wordt vermoed (en uitdrukkelijk bedongen moet zijn) alleen uitzondering in de gevallen waarin hoofdelijkheid bestaat van rechtswege, krachtens een bepaling van de wet.

Artikel 15, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 bepaalt dat de zelfstandige, samen met de helper, hoofdelijk gehouden is tot de betaling van de door deze laatste verschuldigde bijdragen, en dat hetzelfde geldt voor de rechtspersonen voor de bijdragen verschuldigd door hun vennoten of mandatarissen. De rechtspersoon is dus, samen met zijn vennoten of mandatarissen, hoofdelijk gehouden tot de betaling van de bijdragen die laatstgenoemden verschuldigd zijn. Artikel 15, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 voert tussen de zelfstandige (de vennoot of de mandataris) en de rechtspersoon een passieve wettelijke hoofdelijkheid in de zin van de artikelen 1200 en 1202 van het Burgerlijk Wetboek in.

1.3. Artikel 16, § 2, tweede lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit nr. 38 is in algemene bewoordingen gesteld. Het maakt geen enkel onderscheid en heeft dus betrekking op de verjaring van de invordering van de bijdragen ten laste van gelijk welke persoon die de bijdragen verschuldigd is. Die tekst maakt bij de daarin bepaalde stuiting van de verjaring geen enkel onderscheid naargelang de bijdragen gevorderd worden van de vennoten of van de mandatarissen van de rechtspersonen of van die rechtspersonen, die samen met hun vennoten of mandatarissen hoofdelijk tot de betaling gehouden zijn.

Artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vervolgingen tegen een van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring stuiten ten aanzien van allen. Dat artikel verwijst niet naar de artikelen 2244 en 2248 van het Burgerlijk Wetboek. De verzending van een aangetekende brief aan een zelfstandige, waarin hij aangemaand wordt zich bij een socialeverzekeringskas aan te sluiten of de verschuldigde bijdragen te betalen, kan beschouwd worden als een "vervolging" (van een van de hoofdelijke schuldenaars) in de zin van artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek, zodat die verzending de verjaring van de rechtsvordering stuit ten aanzien van alle hoofdelijke schuldenaars.

Krachtens artikel 2249, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, stuit de ingebrekestelling van een van de hoofdelijke schuldenaars, overeenkomstig de bovenstaande artikelen, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, de verjaring tegen alle anderen, zelfs tegen hun erfgenamen. Dat artikel moet in onderling verband gezien worden met artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek, krachtens hetwelk de vervolgingen tegen een van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring stuiten ten aanzien van allen. Aangezien de verzending van een aangetekende brief aan een zelfstandige, waarin hij aangemaand wordt zich bij een socialeverzekeringskas aan te sluiten of de verschuldigde bijdragen te betalen, kan worden beschouwd als een "vervolging" in de zin van artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek, kan die verzending eveneens worden beschouwd als een "ingebrekestelling" (van een van de hoofdelijke schuldenaars) in de zin van artikel 2249, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (zodat die verzending de verjaring stuit ten aanzien van alle anderen).

1.4. Krachtens de hoofdelijkheid, bedoeld in artikel 15, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38, zijn de rechtspersonen tot de betaling van dezelfde schuld gehouden als hun vennoten of mandatarissen. De verjaring wordt gestuit ten aanzien van alle personen die tot dezelfde schuld gehouden zijn.

Uit de bewoordingen van en de onderlinge samenhang tussen de artikelen 15, § 1, derde lid, 16, § 2, eerste en tweede lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit nr. 38, 1200, 1202, 1206 en 2249, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, volgt dus dat de verjaring die van toepassing is op de invordering ten laste van de rechtspersonen die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de door hun vennoten of mandatarissen verschuldigde bijdragen, tevens gestuit wordt door een aangetekende brief die door de eiser aan de zelfstandige toegezonden wordt ter uitvoering van zijn opdracht, om na te gaan of de personen die onder het sociaal statuut van de zelfstandigen vallen, bij een socialeverzekeringskas zijn aangesloten, en waarin de voormelde vennoten of mandatarissen in gebreke worden gesteld zich bij een socialeverzekeringskas aan te sluiten, of met een aangetekende brief die door de socialeverzekeringskas naar de zelfstandige verstuurd wordt en waarin die kas de verschuldigde bijdragen vordert.

2. Het bestreden arrest van 25 april 2006 stelt vast dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij bedrijfsleider was en beslist dat de verweerster, samen met hem, hoofdelijk gehouden is tot de betaling van de socialezekerheidsbijdragen.

Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij de socialezekerheidsbijdragen voor zelfstandigen niet heeft betaald die van haar werden gevorderd in de aangetekende brief van 21 december 1999.

Aangezien:

- uit de onderlinge samenhang tussen de artikelen 2249, eerste lid, en 1206 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de verzending van een aangetekende brief aan een zelfstandige, waarin hij aangemaand wordt zich bij een socialeverzekeringskas aan te sluiten of de verschuldigde bijdragen te betalen, kan worden beschouwd als een "vervolging" in de zin van artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek en dus als een "ingebrekestelling" in de zin van het eerste lid van artikel 2249 van dat wetboek, schenden de overwegingen volgens welke "de ingebrekestelling" waarvan sprake is in artikel 2249 van het Burgerlijk Wetboek, slechts betrekking heeft op de artikelen die uitdrukkelijk vermeld worden in dezelfde afdeling (van dat wetboek) en dus in dit geval, meer bepaald, artikel 2244, en dat zij niet de verzending van een aangetekende brief insluit, bijgevolg de voormelde artikelen evenals de andere, in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen;

- artikel 16, § 2, tweede lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit nr. 38 betrekking heeft op de verjaring die van toepassing is op de invordering van de bijdragen ten laste van gelijk welke persoon die tot de betaling van de bijdragen is gehouden, zodat de verzending van een aangetekende brief aan een zelfstandige, waarin hij aangemaand wordt zich bij een socialeverzekeringskas aan te sluiten of de verschuldigde bijdragen te betalen, de verjaring van de rechtsvordering stuit zowel ten aanzien van de zelfstandige (de persoon aan wie de aangetekende brief is gericht) als ten aanzien van de hoofdelijk aansprakelijke rechtspersoon (de hoofdelijke schuldenaar), schenden de overwegingen volgens welke, bij gebrek aan vermelding in artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 38 dat de verjaringstuitende daad, die bestaat in de verzending van een aangetekende brief aan de schuldenaar, de verjaring ook stuit ten aanzien van de hoofdelijke schuldenaar, een dergelijke, van het gemeen recht afwijkende daad slechts een daad van stuiting is ten aanzien van de persoon aan wie hij is gericht en niet ten aanzien van de niet in gebreke gestelde persoon, bijgevolg de voormelde artikelen, evenals de andere, in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen;

- krachtens de hoofdelijkheid, bepaald in artikel 15, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38, de rechtspersonen tot de betaling van dezelfde schuld gehouden zijn als hun vennoten of mandatarissen, zodat de stuiting van de verjaring ten aanzien van de zelfstandige (vennoot of mandataris) ook geldt ten aanzien van de hoofdelijk aansprakelijke rechtspersoon, schenden de overwegingen volgens welke de verjaring niet gestuit wordt ten aanzien van de personen die niet rechtstreeks in gebreke zijn gesteld, daar de bepalingen van de artikelen 1206 en 2249 op beperkende wijze moeten worden uitgelegd, bijgevolg de voormelde artikelen, evenals de andere, in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen;

- artikel 16, § 2, tweede lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit nr. 38, dat voorziet in een afwijkende wijze van stuiting van de verjaring, geen onderscheid maakt en dus betrekking heeft op de verjaring van de invordering van de bijdragen ten laste van gelijk welke persoon die de bijdragen moet betalen, schenden de overwegingen volgens welke de daad die de verjaring ten aanzien van een hoofdelijke medeschuldenaar stuit, de verjaring alleen dan ten aanzien van de anderen kan stuiten indien ofwel de wettelijke bepaling die een afwijkende wijze van stuiting bepaalt, daarin uitdrukkelijk voorziet, ofwel het een van de algemene wijzen van stuiting betreft waarvan sprake is in artikel 2249 van het Burgerlijk Wetboek, bijgevolg de voormelde artikelen evenals de andere, in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen.

Het arbeidshof beslist aldus:

- niet wettig dat de aangetekende brief die gericht was aan de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, de verjaring niet stuit ten aanzien van de verweerster, zodat de eerste verjaringstuitende daad jegens haar dagtekent van 3 december 2002 (schending van de artikelen 15, § 1, derde lid, 16, § 2, tweede lid, 2° en 3°, vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2003, en 21, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, 9, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, 1200, 1202, 1206, 2249, eerste lid, en, voor zover nodig, 2242, 2244, eerste lid, en 2248 van het Burgerlijk Wetboek);

- niet wettig dat de voorlopige bijdragen van het jaar 1996 verjaard zijn (schending van artikel 16, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967);

- niet wettig om de verweerster en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij hoofdelijk te veroordelen tot beloop van een bedrag van slechts 13.043,73 euro, en beslist het niet wettig dat het verweer van de verweerster niet als tergend en roekeloos kan worden beschouwd, zodat het incidenteel beroep van de eiser niet gegrond is (schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Artikel 15, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bepaalt dat de rechtspersonen, samen met hun vennoten of mandatarissen, hoofdelijk gehouden zijn tot de betaling van de bijdragen die laatstgenoemden verschuldigd zijn.

Krachtens artikel 16, § 2, tweede lid, van datzelfde besluit, wordt de verjaring van de invordering van de bijdragen niet alleen gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, maar ook met een aangetekende brief waarbij het organisme dat belast is met de invordering de door de betrokkene verschuldigde bijdragen opvordert.

Door de hoofdelijkheid zijn de rechtspersonen gehouden tot de betaling van dezelfde schuld als hun vennoten of mandatarissen. De verjaring wordt gestuit ten aanzien van alle personen die tot betaling van diezelfde schuld gehouden zijn.

Door te oordelen dat "de in artikel 2249 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde ‘ingebrekestelling' alleen betrekking heeft op de artikelen die uitdrukkelijk in dezelfde afdeling (van dit wetboek) vermeld worden en dus meer bepaald op artikel 2244", dat die ingebrekestelling "niet de verzending van een aangetekende brief insluit, ook al kan die verzending, krachtens een andere wettelijke bepaling, gelden als een verjaringstuitende daad ten aanzien van degene aan wie ze is gericht", dat, "aangezien het hier regels betreft die afwijken van het algemeen beginsel volgens hetwelk de verjaring niet gestuit wordt ten aanzien van de personen die niet rechtstreeks in gebreke zijn gesteld, de bepalingen van de artikelen 1206 en 2249 (van het Burgerlijk Wetboek) (...) op beperkende wijze moeten worden uitgelegd", verantwoordt het arrest van 25 april 2006 niet naar recht zijn beslissing die aan de aangetekende brief waarbij het met de invordering belaste organisme de bijdragen vordert van de vennoot of van de mandataris van die rechtspersoon, een verjaringstuitende werking ontzegt ten aanzien van de rechtspersoon.

Het middel is in zoverre gegrond.

Omvang van de cassatie

De vernietiging van de beslissing over de verjaring strekt zich uit tot de beslissing van het arrest van 25 april 2006 over de schadevergoeding wegens tergend en roekeloos verweer, door het verband dat dit arrest tussen de twee beslissingen legt.

De vernietiging van het arrest van 25 april 2006 leidt tevens tot de vernietiging van het arrest van 14 december 2006, in zoverre dat het ervan het gevolg is.

Vordering tot bindendverklaring van het arrest

De eiser heeft er belang bij dat het arrest bindend wordt verklaard ten aanzien van de partij die te dien einde in de zaak voor het Hof werd opgeroepen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest van 25 april 2006 in zoverre het uitspraak doet over de verjaring en over de vordering van de eiser tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos verweer.

Vernietigt het arrest van 14 december 2006, behalve in zoverre het arrest Michel Rhainotte nv veroordeelt tot de betaling van 13.043,73 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interest.

Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van D.C..

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde arresten.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 28 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Sociale zekerheid

  • Zelfstandigen

  • Bijdragen

  • Vennoten

  • Mandatarissen

  • Rechtspersonen

  • Hoofdelijkheid

  • Invordering

  • Ingebrekestelling

  • Aangetekende brief

  • Aansluiting