- Arrest van 29 maart 2011

29/03/2011 - P.11.0504.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De federale magistraten die de strafvordering instellen en vervolgens uitoefenen bij een bepaalde rechtbank, behoren tot die rechtbank in de zin van artikel 12 in fine Taalwet Gerechtszaken en maken gebruik van de taal overeenkomstig de artikelen 12 en 14 Taalwet Gerechtszaken.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0504.N

A I,

verdachte, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 maart 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, en § 2, en 40 Taalwet Gerechtszaken: het arrest weigert ten onrechte de door artikel 40 Taalwet Gerechtszaken bepaalde nietigheidssanctie toe te passen op alle in het Nederlands opgestelde akten van rechtspleging en derhalve ook de nietigheid vast te stellen van het daarop gesteunde bevel tot aanhouding; het opsporingsonderzoek was regelmatig opgestart in de Franse taal; gedurende het opsporingsonderzoek werden evenwel ook akten van rechtspleging in het Nederlands opgesteld; ook de beschikking van 5 januari 2010 waarbij de deken van de onderzoeksrechters onderzoeksrechter P V L heeft aangesteld, evenals de vordering tot gerechtelijk onderzoek door de federale procureur zijn in het Nederlands opgesteld; er was nochtans geen enkele wettelijke grondslag om de taal van de rechtspleging te wijzigen van het Frans naar het Nederlands.

2. Artikel 12 Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat de ambtenaren van het openbaar ministerie en de onderzoeksrechter voor hun daden van rechtsvervolging en van onderzoek, gebruik maken van de taal voorzien in strafzaken voor de rechtbank waartoe zij behoren.

Artikel 14, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat voor de correctionele rechtbanken rechtsprekende in eerste aanleg de gehele rechtspleging in het Frans, het Nederlands of het Duits wordt gevoerd, naargelang de zetel van die gerechten is gevestigd in de provincies en de arrondissementen onderscheidenlijk genoemd in artikel 1, in artikel 2 of in artikel 2bis van die wet.

Artikel 16 Taalwet Gerechtszaken bepaalt de taal van de rechtspleging voor de correctionele rechtbank te Brussel rechtsprekende in eerste aanleg.

3. Artikel 16 Taalwet Gerechtszaken is niet van toepassing op de tijdens het opsporingsonderzoek door federale magistraten gestelde daden van onderzoek. De federale magistraten behoren bij het stellen van dergelijke daden niet tot de correctionele rechtbank te Brussel.

4. De federale magistraten die de strafvordering instellen en vervolgens uitoefenen bij een bepaalde rechtbank, behoren tot die rechtbank in de zin van artikel 12 in fine Taalwet Gerechtszaken.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de federale magistraat de deken van de onderzoeksrechters heeft gevorderd om overeenkomstig artikel 47duodecies, § 3, Wetboek van Strafvordering een onderzoeksrechter aan te wijzen;

- de deken daartoe onderzoeksrechter P V L, onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen en gespecialiseerd om kennis te nemen van de misdrijven bedoeld in de artikelen 137 tot 141 Strafwetboek, heeft aangewezen;

- de federale magistraat een gerechtelijk onderzoek heeft gevorderd.

Aangezien de federale magistraat aldus de strafvordering heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen diende hij overeenkomstig de artikelen 12 en 14 Taalwet Gerechtszaken het Nederlands te gebruiken.

Het middel dat aanvoert dat de federale magistraat het Frans had moeten gebruiken, kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet en de artikelen 5.2 en 13 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat het bevel tot aanhouding regelmatig is; de onderzoeksrechter heeft de eiser voorafgaand aan zijn aanhouding slechts verhoord over de algemene beschuldiging en hem dus niet ondervraagd over de feiten die ten grondslag lagen aan de tegen hem geuite beschuldiging; de onderzoeksrechter heeft niet geantwoord op eisers vraag naar de herkomst van de informatie; aldus is de rechtspositie van de eiser onherstelbaar beschadigd aangezien hij de onderzoeksrechter niet heeft kunnen overtuigen van zijn onschuld; het arrest dat de naleving van artikel 5.2 EVRM met betrekking tot het vereiste van het meedelen van voldoende concrete feiten slechts beoordeelt aan de hand van louter formele vermeldingen zonder de werkelijkheid ervan na te gaan, biedt aan de eiser geen effectief rechtsherstel in de zin van artikel 13 EVRM.

7. Het middel bekritiseert niet alleen het arrest maar ook eisers ondervraging door de onderzoeksrechter en het bevel tot aanhouding.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

8. Artikel 5.2 EVRM bepaalt dat iedere gearresteerde onverwijld in een taal, welke hij verstaat, op de hoogte moet worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht.

Artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte ondervraagt over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen hoort.

Deze bepalingen vereisen niet dat de betrokkene wordt ingelicht over de herkomst van de informatie die aan de beschuldiging ten grondslag ligt.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

9. Het onderzoeksgerecht dat over de arrestatie en over de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding oordeelt, beoordeelt onaantastbaar of de betrokkene werd in kennis gesteld overeenkomstig artikel 5.2 EVRM en werd ondervraagd over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen in de zin van artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet.

Het middel dat tegen dit onaantastbaar oordeel opkomt, is in zoverre niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 75,93 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 29 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Federale magistraten

  • Toepassing