- Arrest van 30 maart 2011

30/03/2011 - P.11.0026.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer het Hof een termijn vaststelt waarbinnen de eiser de noot, als bepaald in artikel 1107 van het Gerechtelijk Wetboek, dient neer te leggen, mag het geen acht slaan op het geschrift dat buiten die termijn is neergelegd.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0026.F

D. B.,

Mr. Philippe Charpentier, advocaat bij de balie te Hoei,

tegen

1. J. C., e.a.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 november 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Op de rechtszitting van 16 februari 2011 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Damien Vandermeersch geconcludeerd.

De eiser heeft op 23 maart 2011 op de griffie van het Hof een noot neergelegd in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie.

II. FEITEN

De raadkamer heeft tegen de eiser een beschikking uitgevaardigd, op eensluidende vordering van het openbaar ministerie, waarbij hij naar de correctionele rechtbank wordt verwezen wegens doodslag, met de omstandigheid dat het doden onmiddellijk was uitgelokt door zware gewelddaden tegen personen.

Het hof van beroep beslist op het hoger beroep van de burgerlijke partijen dat de eiser in beschuldiging wordt gesteld wegens moord, verwijst hem onder die omschrijving van de feiten naar het hof van assisen en beveelt zijn gevangenneming zonder de onmiddellijke tenuitvoerlegging van die beslissing te bevelen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de noot

Aangezien de termijn waarbinnen de eiser de in artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot diende neer te leggen is vastgesteld op 16 maart 2011, vermag het Hof geen acht te slaan op het geschrift dat buiten die termijn is neergelegd.

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing tot verwijzing naar het hof van assisen

Eerste middel

De eiser die aanvoert dat hij niet de mogelijkheid heeft gekregen de bezwaren te betwisten met betrekking tot de omschrijving van de feiten als moord, betoogt dat het bestreden arrest artikel 6 EVRM schendt en het algemeen beginsel van eerbiediging van het recht van verdediging miskent.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de burgerlijke partijen zowel voor de eerste rechter als voor het hof van beroep de aanneming, door het onderzoeksgerecht, hebben betwist van de wettelijke verschoningsgrond van artikel 411 Strafwetboek, en dat zij hebben aangevoerd dat de aan de eiser tenlastegelegde feiten van opzettelijk doden, met voorbedachte rade waren gepleegd.

De eiser heeft in zijn appelconclusie geantwoord op de door de verweerders aangevoerde feitelijke gegevens en de stelling verdedigd dat er geen voorbedachte rade was.

Het blijkt dus dat over de omschrijving moord een debat is gevoerd voor de kamer van inbeschuldigingstelling en dat de eiser daartegen verweer heeft gevoerd.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

De eiser voert aan dat het bij artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van verdediging is miskend omdat hij geen bijstand heeft kunnen krijgen van een advocaat tijdens zijn verschillende verhoren, noch bij de wedersamenstelling van de feiten, en tevens omdat zijn raadsman niet aanwezig was bij het verhoor van een getuige.

De eiser heeft dienaangaande geen conclusie neergelegd voor de onderzoeksgerechten.

Het middel dat voor het eerst voor het Hof wordt aangevoerd en waarvan het onderzoek het nazicht van feitelijke gegevens vereist waarvoor het Hof niet bevoegd is, is niet ontvankelijk.

Derde middel

Het middel voert aan dat het arrest zijn beslissing dat er voldoende bezwaren zijn die de inbeschuldigingstelling van de eiser en zijn verwijzing naar het hof van assisen wegens moord verantwoorden, niet op passende wijze met redenen omkleedt.

In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet dat niet toepasselijk is op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de regeling van de rechtspleging, faalt het naar recht.

Uit de artikelen 128, 129, 130, 229 en 231 Wetboek van Strafvordering volgt dat de wetgever zich op de onderzoeksgerechten heeft verlaten in geweten te oordelen of er al dan niet voldoende bezwaren bestaan die door het onderzoek zijn verkregen, die hetzij de verwijzing van de inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht hetzij een beslissing tot buitenvervolgingstelling verantwoorden. Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de bezwaren te vermelden of de redenen op te geven waarom die onvoldoende worden geacht.

In zoverre het middel de feitelijke beoordeling van de zaak door de appelrechters betwist en in zoverre het onderzoek ervan het nazicht van die gegevens vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Op de conclusie van de eiser waarin de voorbedachtheid wordt betwist die volgens de verweerders aanwezig was, antwoordt het arrest door inzonderheid te verwijzen naar de verklaringen van de getuige Karabach, vergeleken met de resultaten van het onderzoek naar het telefoonverkeer.

De eiser werd dus niet in het ongewisse gelaten omtrent de redenen waarom de appelrechters de rechtspleging aldus hebben geregeld.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

Het arrest bevat geen enkele wetschending of nietigheidsgrond waarvan het onderzoek, in de huidige stand van de zaak, aan het Hof is voorgelegd.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing waarbij de gevangenneming wordt bevolen, maar die zegt dat er geen grond is om de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan te bevelen

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 30 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Nota van antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie

  • Door het Hof vastgestelde termijn voor neerlegging

  • Laattijdige neerlegging