- Arrest van 30 maart 2011

30/03/2011 - P.10.1940.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de raadkamer, met toepassing van artikel 133 van het Wetboek van Strafvordering, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, met het oog op de inbeschuldigingstelling, de stukken van het onderzoek toestuurt alsook het proces-verbaal waarin het bestaan van het misdrijf wordt vastgesteld, een staat van overtuigingsstukken en de beschikking tot gevangenneming, wijst zij haar beslissing slechts onder voorbehoud van het onderzoek van het dossier, dat de kamer van inbeschuldigingstelling krachtens de artikelen 221 tot 239 van hetzelfde wetboek moet verrichten; aangezien de voormelde beschikking van de raadkamer onder het toezicht valt van het hof van beroep, dat de rechtspleging zal regelen, en aangezien zij dienaangaande in geen geval de waarde van een beslissing heeft, is zij, door haar aard en voorwerp niet vatbaar voor cassatieberoep (1). (1) Cass., 3 maart 2010, AR P.10.0262.F, A.C., 2010, nr. 145.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1940.F

I. M. H.,

II. M. H.,

III. M. H.,

Mrs. Marc Uyttendaele en Laurent Kennes, advocaten bij de balie te Brussel,

IV. T. D.,

V. T. D.,

VI. T. D.,

Mrs. Sven Mary en Mélanie Bosmans, advocaten bij de balie te Brussel,

VII. DE FEDERALE PROCUREUR,

VIII. 1. E. M.,

2. D. H.,

Mrs. Didier Grignard en Alexandre de Fabribeckers, advocaten bij de balie te Luik,

cassatieberoepen VII en VIII tegen

1. G. R.,

2. A. B.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen sub I tot VI zijn gericht tegen een beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 26 juni 2007, een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Luik van 3 december 2007, alsook tegen de arresten van het hof van assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel-Hoofdstad van 19 april 2010, 2 juli 2010, 28 september 2010 en 30 september 2010, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 30 september 2009.

Het cassatieberoep sub VII is gericht tegen het arrest nummer 2010/07 van het voormelde hof van assisen van 28 september 2010, en de cassatieberoepen sub VIII tegen drie arresten van dat rechtscollege, nummers 2010/05, 2010/06 en 2010/07, van diezelfde dag

De eerste eiser voert zes middelen aan, de tweede eveneens zes, de derde drie en de beide eiseressen voeren, ieder in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 23 maart 2011 een conclusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 30 maart 2011 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. De cassatieberoepen die M. H. op 12 oktober 2010 heeft ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 26 juni 2007 en tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 december 2007

Naar luid van artikel 438 Wetboek van Strafvordering, kan, wanneer een eis tot cassatie verworpen wordt, de partij die hem heeft ingesteld, zich onder geen enkel voorwendsel en op grond van geen enkel middel nogmaals in cassatie voorzien tegen hetzelfde arrest of vonnis.

Bij arrest van 19 maart 2008, nummer P.08.0104.F van de algemene rol, heeft het Hof de cassatieberoepen verworpen die de eiser op 7 december 2007 tegen de beschikking van 26 juni 2007 en het arrest van 3 december 2007 heeft ingesteld.

De cassatieberoepen die opnieuw tegen dezelfde beslissingen werden ingesteld zijn niet ontvankelijk.

B. Het cassatieberoep van M. H. tegen het tussenarrest van 19 april 2010

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

C. Het cassatieberoep van M. H. tegen het tussenarrest van 2 juli 2010

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiser voert aan dat een verklaring, wegens het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, alleen in aanmerking kan worden genomen indien zij afkomstig is van een burger die verlangt bij te dragen tot gerechtigheid en niet van iemand die uit eigenbelang getuigt.

Het middel steunt op de bewering dat één van de getuigen à charge, die lid is van de criminele organisatie die de eiser blijkens de telastlegging zou hebben geleid, onder meer financiële voordelen heeft genoten, die hem in ruil voor zijn medewerking waren toegekend.

Het arrest stelt vast dat de vergoedingen die de eiser ter sprake brengt niet de beloning zijn van een getuige die betaald wordt om hem aan te geven, maar dat zij, enerzijds, als premie werden uitbetaald aan een informant wiens inlichtingen niet als bewijs gelden en, anderzijds, als financiële hulp in het kader van de beschermingsmaatregelen die de wet treft ten aanzien van bedreigde getuigen.

Het arrest oordeelt eveneens dat de beweringen van de eiser met betrekking tot de aan de getuige in ruil voor zijn verklaring toegekende strafrechtelijke voordelen, niet aannemelijk zijn.

Het middel dat aanvoert dat de bekritiseerde getuigenverklaring is afgekocht in ruil voor de aangeklaagde voordelen, verzoekt het Hof zijn eigen oordeel in de plaats te stellen van het daarmee strijdige en feitelijke oordeel van het hof van assisen.

Het middel is wat dat betreft niet ontvankelijk.

Het staat voor het overige aan de bodemrechter om na te gaan in hoeverre de hebzucht die toegeschreven wordt aan de drijfveer tot een getuigenverklaring, een invloed heeft op de bewijswaarde ervan. Artikel 6 EVRM ontneemt het vonnisgerecht die beoordelingsbevoegdheid niet. De redenen die een getuige ertoe drijven om een verklaring af te leggen, kunnen twijfel doen rijzen over diens geloofwaardigheid, maar maken daarom een eerlijk proces nog niet onmogelijk.

Het voormelde artikel 6 verbiedt de rechter evenmin om de verklaring van een getuige die overeenkomstig de artikelen 102 tot 111 Wetboek van Strafvordering is beschermd, als bewijskrachtig te beschouwen, ook niet als die getuige een informant is die beslist heeft om, nadat hij onder dat statuut inlichtingen heeft verstrekt, officieel getuigenis af te leggen voor het gerecht.

In zoverre het middel het tegendeel aanvoert, faalt het naar recht.

Tweede onderdeel

De officiële verklaring van iemand die voorheen als informant inlichtingen heeft verstrekt, miskent het algemeen beginsel van eerbiediging van het recht van verdediging niet, aangezien zij tot gevolg heeft dat de getuigenis aan de tegenspraak van de partijen en de openbaarheid van de debatten wordt onderworpen, en de bij artikel 47decies, § 6, Wetboek van Strafvordering voorgeschreven vertrouwelijkheid niet slaat op bewijzen die aan het vonnisgerecht worden voorgelegd.

In zoverre het middel het tegendeel aanvoert, faalt het naar recht.

De eiser voert aan dat voor hem essentiële informatie uit de verklaringen van de informant werd achtergehouden, ofschoon zij achteraf als bewijs werd aangemerkt.

Het arrest stelt evenwel vast (pagina 7, nr. 25) dat, volgens de politiemensen die er weet van hadden, de informatie die eerst anoniem was bezorgd, niet verschilt van die welke achteraf werd verstrekt in verklaringen die bij het dossier van de rechtspleging zijn gevoegd, afgezien van het feit dat laatstgenoemde verklaringen gedetailleerder zijn dan de eerste.

Het middel dat niet gestaafd wordt door de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, is wat dat betreft niet ontvankelijk.

Voorts verwijt de eiser het gerechtelijk onderzoek dat het geen proces-verbaal bevat van de onderhandelingen met de toekomstige getuigen. Het arrest oordeelt evenwel dat die vermeende onderhandelingen niet hebben plaatsgevonden en dat de door de eiser ter sprake gebrachte financiële voordelen noch tendentieus noch oneerlijk zijn zoals hij beweert.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

De eiser verwijt de autoriteiten dat zij hun loyaliteitsverbintenis inzake bewijsgaring niet zijn nagekomen.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op de vervolgende partij, houdt het geen verband met de bestreden beslissing en is het niet ontvankelijk.

Het feit dat de getuigenis van een vroegere informant in aanmerking wordt genomen, miskent als dusdanig het algemeen rechtsbeginsel van de loyaliteit van de bewijsvoering in strafzaken niet, ook niet als de betrokkene, die als gevolg van de afgelegde of af te leggen verklaringen gevaar loopt, om die reden de bij de wet bepaalde beschermingsmaatregelen en financiële hulpmaatregelen heeft genoten.

Het middel faalt dienaangaande naar recht.

Tweede middel

De eiser oefent kritiek uit op de artikelen 103 en volgende Wetboek van Strafvordering, krachtens welke de toekenning van de beschermingsmaatregelen en de financiële hulpmaatregelen aan de bedreigde getuige, wordt toevertrouwd aan een bestuurlijke overheid zonder dat de vervolgde persoon de bedragen mag kennen die de getuige heeft ontvangen, noch de onderhandelde voorwaarden van diens statuut kan nagaan noch het toezicht op de toekenningsprocedure aan een onafhankelijke en onpartijdige rechter kan voorleggen.

Het middel berust op de bewering dat het voor de vervolgde persoon noodzakelijk is inzage te krijgen van de dossiers van de bestuurlijke overheid om, in voorkomend geval, te kunnen bewijzen dat de toegekende financiële hulp neerkomt op een verholen koop van een getuigenis à charge.

Artikel 6 van het Verdrag vereist dat de vervolgende overheid de verdediging alle relevante bewijzen meedeelt waarover zij beschikt, zowel à charge als à décharge.

Het recht op openbaarheid slaat niet op de maatregelen die zijn genomen ter bescherming van getuigen die represailles riskeren, op gevaar af hen bloot te stellen aan het gevaar dat die maatregelen moeten helpen voorkomen, en evenmin op het beheer van de contacten die een politieambtenaar heeft met een informant, daar anders het gebruik van die bijzondere opsporingsmethode in het gedrang komt.

De grenzen die aan de bekendmaking van die vertrouwelijke gegevens zijn gesteld worden voldoende gecompenseerd door de mondelinge rechtspleging op tegenspraak voor de jury, aangezien het aan de jury voorgelegde dossier alleen de gegevens bevat die ook aan de verdediging zijn meegedeeld en zij voor het vonnisgerecht zowel de inhoud als de herkomst van de tegen de beschuldigde afgelegde verklaringen heeft kunnen bekritiseren.

Het arrest beslist naar recht dat het gebrek aan toezicht, door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, op de procedure tot toekenning van de beschermingsmaatregelen aan de bedreigde getuigen, geen gevolgen heeft voor de eerlijke behandeling van de zaak.

Het middel kan niet worden aangenomen.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

D. Het cassatieberoep van M. H. tegen het arrest nummer 2010/04 van 28 september 2010, dat de hoofdredenen vermeldt die de jury ertoe gebracht hebben bevestigend te antwoorden op de vragen nrs. 28 tot 33, 43, 65 en 67 in de zaak van de eiser

Derde middel, omschreven als eerste middel op bladzijde 49 van de memorie

Wanneer de wet in strafzaken geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoor-deelt de bodemrechter in feite de bewijswaarde van de gegevens waarop hij zijn overtuiging grondt en waarover de partijen vrij tegenspraak hebben kunnen voeren. Het staat aan hem om onder meer geen geloof te hechten aan bepaalde verklaringen en zijn overtuiging te gronden op andere gegevens die volgens hem afdoende vermoedens lijken op te leveren, ook al zijn er in de zaak gegevens die het tegendeel aantonen.

In zoverre het middel eigenlijk kritiek uitoefent op die feitelijke beoordeling door de jury of het onderzoek ervan het nagaan van feitelijke gegevens vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Artikel 334, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het hof en de gezworenen de voornaamste redenen van hun beslissing formuleren, zonder dat zij moeten antwoorden op alle neergelegde conclusies.

Het arrest dat bij de opsomming van de gegevens die de overtuiging van de gezworenen hebben weggedragen zich voorts ervan onthoudt een akte van verdediging te weerleggen, te antwoorden op een pleitschema, de redenen uiteen te zetten waarom een getuigenis à charge van de beschuldigde meer overtuigend werd bevonden dan een andere verklaring die veeleer zijn onschuld aantoont, of verder nog, uit te leggen waarom een zelfde verklaring in aanmerking wordt genomen ten aanzien van één beschuldigde en niet ten aanzien van een andere, is bijgevolg niet gebrekkig gemotiveerd.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

De door het middel aangeklaagde tegenstrijdigheid van de antwoorden, die tot de toepassing van artikel 336 Wetboek van Strafvordering hebben geleid, heeft geen betrekking op de beslissing op de tegen de eiser ingestelde strafvordering.

Het middel is wat dat betreft niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Vierde middel, genummerd tweede middel op pagina 53 van de memorie

De eiser voert aan dat het arrest artikel 6.1 EVRM schendt, omdat de veroordeling gegrond is op twee indirecte getuigenissen, terwijl zij die ze hebben afgelegd waren betaald om tegen hem te getuigen.

Het middel berust op een feitelijke veronderstelling die zegt dat de enige beweegreden voor de tegen de beschuldigde afgelegde getuigenverklaring moet worden gezocht in de betalingen die met het oog daarop zijn verricht.

Die veronderstelling, die het hof van assisen op grond van een onaantastbare beoordeling heeft afgewezen, wordt niet gestaafd door de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Voor het overige wil de voormelde verdragsbepaling niet de wijze regelen waarop de jury de bewijswaarde moet beoordelen van de haar voorgelegde gegevens. Zij maakt de toelaatbaarheid of doeltreffendheid van een bewijs niet afhankelijk van het aantal afgenomen getuigenverklaringen, van het directe of indirecte karakter ervan, van hun verband met één of meer materiële bestanddelen, van de hoedanigheid of moraliteit van degenen die ze hebben afgelegd of van hun verschijning op de rechtszitting.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

Vijfde middel, genummerd derde middel op bladzijde 56 van de memorie

De eiser verwijt het arrest dat het de bewijskracht miskent van zijn verklaring van 15 juni 2006 aan de onderzoeksrechter. Hij heeft toen uitgelegd dat hij een alibi zou hebben gehad "indien hij iets te maken had" met het hem ten laste gelegde feit, en niet "indien hij daar aanwezig zou zijn geweest" zoals het arrest vermeldt.

Het arrest verwijst evenwel niet naar de voormelde verklaring om de eiser de door hem gecontesteerde uitlatingen toe te schrijven. Het kan dus de bewijskracht niet miskennen van de akte die ze bevat.

Het middel mist feitelijke grondslag.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

E. Cassatieberoep van M. H. tegen het veroordelend arrest van 30 september 2010

Zesde middel

De eiser voert aan dat de redelijke termijn zo lang overschreden was dat het arrest, door dat niet vast te stellen, artikel 6.1 van het Verdrag schendt.

Het arrest beslist evenwel (pagina 13) dat de door de eiser aangevoerde termijn niet overschreden is, gelet op het grote aantal feiten, het georganiseerde karakter van de criminele feiten, het aantal betrokkenen, de complexiteit van het onderzoek en de massa informatie die moest worden verwerkt, zowel in de fase van het voorbereidend onderzoek als in de loop van het debat.

Op grond van die omstandigheden, waarop wordt gewezen in het licht van de concrete gegevens van de zaak, heeft het hof van assisen naar recht de aangevoerde overschrijding kunnen uitsluiten.

Het middel kan niet worden aangenomen.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

F. Cassatieberoep van T. D. tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 26 juni 2007

Wanneer de raadkamer, met toepassing van artikel 133 Wetboek van Strafvordering, de procureur-generaal bij het hof van beroep, met het oog op de inbeschuldigingstelling, de stukken van het onderzoek toestuurt alsook het proces-verbaal waarin het bestaan van het misdrijf wordt vastgesteld, een staat van overtuigingsstukken en de beschikking tot gevangenneming, wijst zij haar beslissing slechts onder voorbehoud van het onderzoek van het dossier dat de kamer van inbeschuldigingstelling krachtens de artikelen 221 tot 239 van hetzelfde wetboek moet verrichten.

Aangezien de voormelde beschikking van de raadkamer onder het toezicht valt van het hof van beroep dat de rechtspleging zal regelen en aangezien zij dienaangaande in geen geval de waarde van een beslissing heeft, is zij, door haar aard en voorwerp, niet vatbaar voor cassatieberoep.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

G. Cassatieberoep van T. D. tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 december 2007

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing tot verwijzing

Het cassatieberoep van de veroordeelde tegen het arrest tot verwijzing naar het hof van assisen, dat tegelijk met het cassatieberoep tegen het veroordelend arrest is ingesteld binnen vijftien dagen na de uitspraak van dat arrest, draagt het Hof noch de toetsing van de schending van de wetten betreffende de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling en van het hof van assisen op, noch het onderzoek van de nietigheden als bedoeld in de artikelen 252 en 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het bevel tot gevangenneming

Door de hierna uit te spreken verwerping van het tegen het veroordelend arrest gerichte cassatieberoep, krijgt deze beslissing kracht van gewijsde, zodat het cassatieberoep tegen het bevel tot gevangenneming geen bestaansreden meer heeft.

H. Cassatieberoep van T. D. tegen het tussenarrest van 19 april 2010

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

I. Cassatieberoep van T. D. tegen het tussenarrest van 2 juli 2010

Het Hof verwijst naar het antwoord op de soortgelijke middelen van de eerste eiser. Het herhaalt dat antwoord, vat het samen, vervolledigt het of verduidelijkt het als volgt.

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiser werpt op dat de eerbiediging van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak eraan in de weg staat dat het openbaar ministerie een getuige op enigerlei wijze kan vergoeden om zich van diens medewerking tegen een beschuldigde te verzekeren.

Het arrest oordeelt evenwel dat de tijdens het debat afgelegde getuigenverklaringen niet tegen een vergoeding zijn verkregen aangezien de door de eiser aangeklaagde voordelen een andere oorzaak hebben dan die welke hij eraan toeschrijft.

Het middel dat die feitelijke beoordeling betwist is niet ontvankelijk.

Voor het overige kan geen miskenning van de regels betreffende de bewijslast in strafzaken of een miskenning van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak worden afgeleid uit het feit dat een verweermiddel als ongeloofwaardig werd verworpen en een overleden getuige niet verhoord kon worden om het de beweerde geloofwaardigheid te verlenen.

Het middel kan dienaangaande niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het recht op een eerlijke behandeling van de zaak vereist noch de mededeling van de door de informant verstrekte inlichtingen noch de mededeling van de gegevens betreffende diens contacten met de politiediensten.

Door het daaropvolgende verhoor van die informant als getuige worden diens verklaringen aan de tegenspraak van de partijen onderworpen. Het arrest stelt evenwel vast dat de verklaringen in het dossier, volgens de politiemensen die ze hebben afgenomen, niet verschillen van de voordien op vertrouwelijke wijze verstrekte inlichtingen.

De eiser kan dus niet aanvoeren dat de vertrouwelijkheid, eigen aan de tussenkomst van de informant, tot gevolg heeft gehad dat tegen hem aangevoerde bewijselementen aan het debat op tegenspraak zijn onttrokken.

Tegen het dossier van de rechtspleging wordt tevens aangevoerd dat het geen relaas bevat van de aan de "spijtoptanten" verleende gunsten, wier beweringen de eiser betwist. Het arrest oordeelt evenwel dat de voordelen die de eiser aanklaagt niet zo ver gaan als de eiser beweert, en dat zij die ze genieten niet het statuut hebben dat hij hen toeschrijft.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

In zoverre het middel kritiek uitoefent op de vervolgende partij, houdt het geen verband met de bestreden beslissing en is het niet ontvankelijk.

In zoverre het middel het arrest verwijt dat het oordeelt dat de betrokken getuigen geen "spijtoptanten" zijn, ofschoon de gegevens van het dossier, volgens hem, het tegendeel bewijzen, nodigt dat middel het Hof uit om de eigen beoordeling in de plaats te stellen van de feitelijke beoordeling van het hof van assisen. Wat dat betreft is het middel evenmin ontvankelijk.

In zoverre het middel aanvoert dat de vervolging onwettig is omdat zij op getuigenverklaringen van "spijtoptanten" is gegrond, ofschoon het bestreden arrest, op grond van een onaantastbare beoordeling, vaststelt dat dit niet het geval is, kan het niet worden aangenomen.

Tweede middel

Om de redenen die hierboven zijn vermeld in het antwoord op het tweede, door de eerste eiser aangevoerde soortgelijke middel, kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

Het arrest wijst het door de eiser voorgedragen verweermiddel af, door in feite te beslissen dat het niet de geloofwaardigheid bezit, vereist om de bewijslast van het tegendeel op de vervolgende partij af te wentelen.

Een dergelijke beslissing maakt geen schending uit van de regels van de bewijslast in strafzaken en miskent het recht op een eerlijke behandeling van de zaak niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

J. Cassatieberoep van T. D. tegen het arrest nummer 2010/04 van 28 september 2010, dat de hoofdredenen vermeldt die de jury ertoe gebracht hebben bevestigend te antwoorden op de vragen nrs. 34 tot 42, 45, 47, 49 tot 56, 59, 62, 63, 66 en 69, in de zaak van de eiser

Vierde middel, omschreven als enig middel over het verloop van het debat

De eiser verwijt de voorzitter van het hof van assisen dat hij artikel 280 Wetboek van Strafvordering heeft geschonden door te beslissen om de debatten te schorsen van 2 juli tot 1 september, met andere woorden gedurende twee maanden, wat méér is dan nodig voor het hof, de gezworenen, de getuigen en de partijen.

Hij voert aan dat die wachttijd onder meer tot gevolg kon hebben dat de rechters van het hof werden blootgesteld aan elementen van buitenaf waardoor zij eventueel konden beïnvloed worden, of waardoor zij zich eventueel niet meer alle gegevens konden herinneren, noodzakelijk voor de berechting van de zaak.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser zich verzet heeft tegen het feit dat de voortzetting van de behandeling werd verschoven naar 1 september 2010 en evenmin dat hij op de vanaf die datum hervatte zittingen het hof van assisen de grief zou hebben voorgelegd die hij als vierde middel voor het eerst voor het Hof aanvoert.

Het middel is niet ontvankelijk.

Vijfde middel, omschreven als eerste middel tegen het arrest van 28 september 2010

De eiser voert aan, zogezegd omdat de artikelen 6.1 van het Verdrag, 149 Grondwet en 334 Wetboek van Strafvordering zijn geschonden, dat de gezworenen voldoende en relevante gegevens in aanmerking hebben genomen om de verklaringen van de beschermde getuigen te staven.

Het middel dat kritiek uitoefent op de feitelijke beoordeling van de jury, is niet ontvankelijk.

Het arrest verklaart de deelneming van de eiser aan de overvallen te Dison en Borgworm, die gepleegd zijn op 19 december 1996 en 12 januari 1998, bewezen, door zich te baseren op indirecte getuigenverklaringen die met name bevestigd worden door de ballistische gegevens van het wapen en de gebruikte munitie. Het arrest verwijst naar het feit dat de eiser in het bezit was van projectielen en vermeldt hun kaliber en preciseert dat dergelijke projectielen, volgens het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, in België alleen werden gebruikt naar aanleiding van de voormelde of één van de twee voormelde feiten.

Het middel voert aan dat die reden wordt tegengesproken door de datum die in aanmerking genomen wordt voor de telastleggingen J.1 en J.3 betreffende het bezit van springstoffen en verboden wapens, tussen 9 augustus 2004 en 28 september 2005.

De munitie waarnaar het arrest verwijst in de motivering betreffende de deelneming van de eiser aan de in 1996 en 1998 gepleegde overvallen, wordt evenwel niet vermeld in de beschrijving van de voorwerpen die hij in 2004 en 2005 wederrechtelijk in zijn bezit had.

Aangezien het middel geen steunt vindt in de vermeldingen van het arrest, mist het feitelijke grondslag.

Zesde middel, omschreven als tweede middel tegen het arrest van 28 september 2010

De eiser oefent kritiek uit op de redenen die de jury geeft tot staving van haar bevestigend antwoord op de negenenvijftigste vraag betreffende het wederrechtelijk bezit van springstoffen of ontploffingstuigen met de bedoeling een misdaad te plegen tegen personen of eigendommen (telastlegging J.1).

De eiser werd, naast aan de in het middel bedoelde telastlegging, tevens schuldig verklaard aan het feit dat hij als dader of mededader, poging tot diefstal met geweld of bedreiging in bende, met behulp van een wapen en een gestolen voertuig heeft ondernomen met de omstandigheid dat het geweld bij de slachtoffers blijvende fysische of psychische ongeschiktheid tot gevolg heeft (telastlegging B.1), poging tot doodslag (telastlegging B.2), poging tot diefstal met geweld of bedreiging bij nacht, in bende, met een wapen, het gebruik van een gestolen voertuig, het gebruik van een voertuig voorzien van kentekens waardoor verwarring kan ontstaan met een politievoertuig, met de omstandigheid dat twee moorden zijn gepleegd om de diefstal te vergemakkelijken of de straffeloosheid ervan te verzekeren (telastlegging C.1), onwettig bezit van springstoffen of ontploffingstuigen met het opzet een misdaad te plegen tegen personen of tegen eigendommen (telastlegging C.2), verboden wapendracht (telastlegging C.3), diefstal met geweld of bedreiging, bij nacht, in bende, met behulp van een wapen, gebruik van een gestolen voertuig, en met de omstandigheid dat het geweld een blijvende fysische of psychische ongeschiktheid ten gevolge heeft (telastlegging G.1.a), brandstichting van een voertuig bij nacht (telastlegging G.1.c), dragen van een verboden wapen (telastlegging J.3), valsheid in geschriften (telastlegging K.2), vereniging van boosdoeners (telastlegging L.2) en criminele organisatie (telastlegging M.1.b).

De vijfentwintig jaar opsluiting werd aan de eiser opgelegd met name op grond van de artikelen 51, 52, 66, 80, 193, 196, 197, 213, 214, 322, 323, 324bis, 324ter, 325, 392, 393, 461, 468, 471, 472, 473, 475, 512 en 513 Strafwetboek, 3, § 1, 8, 23 en 24 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, 1, 6 en 8 van de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen.

Uit het arrest van 30 september 2010 blijkt niet dat het hof van assisen zich op telastlegging J.1 heeft gebaseerd, de enige waarop het middel kritiek uitoefent, om de keuze van de enige aan de eiser opgelegde straf alsook van de strafmaat te bepalen die naar recht verantwoord is door de overige jegens hem bewezen verklaarde telastleggingen.

Het middel dat niet tot cassatie kan leiden is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

K. Het cassatieberoep van T. D. tegen het arrest nummer 2010/06 van 28 september 2010, dat met toepassing van artikel 335 Wetboek van Strafvordering is gewezen, en het cassatieberoep van de voormelde eiser tegen het arrest van 30 september 2010 dat uitspraak doet over de straf

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

L. Cassatieberoep van de federale procureur tegen het arrest nummer 2010/07 van 28 september 2010 dat verklaart dat de gezworenen zich kennelijk vergist hebben en beveelt dat de tegen de beschuldigde G. R. ingestelde vervolging op een andere zitting zou worden behandeld

De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep, zonder erin te berusten, ingeval het Hof zou moeten beslissen dat de bestreden beslissing geen eindbeslissing is in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.

Krachtens artikel 337, derde lid, van het voormelde wetboek, dient het cassatieberoep, behoudens in geval van toepassing van artikel 336, na het eindarrest te worden ingesteld. Aangezien het bestreden arrest met toepassing van laatstgenoemde bepaling is gewezen, diende de eiser onmiddellijk cassatieberoep in te stellen, wat hij ook heeft gedaan.

Er is bijgevolg geen grond om akte van de afstand te verlenen.

De door het openbaar ministerie tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, volgens welke dat middel belang mist

Het openbaar ministerie vermeldt dat artikel 337, derde lid, Wetboek van Strafvordering, onmiddellijk cassatieberoep mogelijk maakt tegen het gemotiveerd arrest waarbij het hof van assisen verklaart dat de zaak wordt verdaagd en naar de volgende zitting wordt verwezen.

Het is evenwel van oordeel dat het cassatieberoep belang mist omdat het praktisch belang ontbeert aangezien het, indien het ontvankelijk zou worden verklaard, hetzelfde effect zou hebben als de bestreden beslissing, met name de noodzaak om het proces volledig over te doen.

Geen enkel rechtsmiddel is ontvankelijk wanneer hij die het instelt geen belang heeft het aan te wenden. Het gaat hier niet om een subjectief belang dat afhangt van de persoonlijke beoordeling van de eiser, maar om een objectief belang, dat afhangt van de mogelijkheid tot cassatie.

Door een onmiddellijk cassatieberoep in te voeren tegen het arrest van het hof van assisen waarbij de beslissing van een jury wordt afgewezen, heeft de wet het Hof in staat willen stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van die beslissing. Dat toezicht zou onmogelijk worden en de objectieve aard van het vereiste belang miskennen indien het cassatieberoep zonder belang zou worden verklaard omdat het geen praktisch belang heeft.

Het arrest dat een schuldigverklaring door de jury nietig verklaart, sluit het debat uit over de straf waartoe die verklaring in de regel aanleiding geeft. Een dergelijke beslissing onderbreekt het verloop van de strafvordering. Als die belemmering het gevolg is van een beslissing waartegen onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld, kan het Hof het rechtsmiddel van degene die de voormelde vordering heeft ingesteld, met het doel en in de vorm zoals bij wet is bepaald, niet verwerpen bij gebrek aan belang.

De beslissing waarbij het arrest nummer 2010/17, dat met toepassing van artikel 336 Wetboek van Strafvordering, eventueel wordt vernietigd, kan niet tot vernietiging leiden van het arrest nummer 2014/04 dat de voornaamste redenen vermeldt waarom de jury aldus heeft beslist. Het motiverend arrest is immers niet het gevolg of het vervolg van de beslissing waarbij dat arrest wordt vernietigd.

De beoordelingsvrijheid die artikel 336 toekent aan het hof van assisen is in de regel niet beperkt tot het juridisch toezicht op de beslissing. Bij vernietiging evenwel kan het toezicht van het hof van assisen waarnaar de zaak verwezen wordt, op de kwaliteit van de beslissing, noodzakelijkerwijs slechts een marginaal toezicht zijn dat wordt uitgeoefend op grond van het arrest dat de redenen van de vernietiging vermeldt, aangezien dat hof alleen uitspraak doet binnen de perken van de vernietiging en de rechtspleging moet hervatten in de staat waarin zij zich bevond op het ogenblik waarop het vernietigde arrest werd gewezen.

Indien het hof van assisen waarnaar de zaak verwezen wordt andermaal van oordeel is dat de eerste jury zich vergist heeft, dient dat hof het onderzoek van de tegen de verweerder ingebrachte beschuldiging volledig te hervatten. Indien immers ten gevolge van een vernietiging met verwijzing, een in gebreke gebleven jury vervangen wordt door een nieuwe jury, verliest het in artikel 336 bepaalde uitstel zijn reden van bestaan.

Indien het hof op verwijzing evenwel oordeelt dat de in arrest nummer 2010/14 opgenomen motivering van de beslissing, niet de kennelijke vergissing bevat die het bestreden arrest eraan toeschrijft, dient het ten gevolge van de schuldigverklaring die reeds van 28 september 2010 dateert, onverwijld het debat te voeren over de straf.

De middel van niet-ontvankelijkheid kan bijgevolg niet worden aangenomen.

Derde middel

De opheffing van artikel 342 Wetboek van Strafvordering en de vervanging ervan door een bepaling die stelt dat een veroordeling alleen mag worden uitgesproken als uit het in aanmerking genomen bewijsmateriaal blijkt dat de beschuldigde boven alle redelijke twijfel schuldig is, hebben niet tot gevolg dat tussen de bewijsmiddelen een hiërarchie wordt ingevoerd, dat de vrije beoordeling ervan door de rechter in het gedrang komt of dat regels worden ingevoerd waar hij de volkomenheid en de toereikendheid van de hem voorgelegde gegevens inzonderheid van moet doen afhangen.

De rechter mag aan zijn feitelijke vaststellingen geen gevolgen verbinden die daarmee geen verband houden of die op grond daarvan onmogelijk kunnen verantwoord worden, maar verder beoordeelt hij op onaantastbare wijze, wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, de bewijswaarde van de gegevens waarop hij zijn overtuiging grondt en waarover de partijen vrij tegenspraak hebben kunnen voeren.

Hij kan zich aldus overtuigd achten door een getuigenverklaring die nochtans door een deskundigenonderzoek wordt betwist, zich baseren op gewone inlichtingen in tegenstelling tot een getuigenverklaring onder eed, de voorkeur geven aan de verklaring van één van de vervolgde personen boven daarmee strijdige maar met elkaar overeenstemmende verklaringen van verschillende anderen, rekening houden met ingetrokken bekentenissen, verklaringen in aanmerking nemen die niet onder eed zijn afgelegd in de loop van het voorbereidend onderzoek ofschoon zij op de zitting niet onder eed worden bevestigd, een standpunt innemen over elementen die niet overeenstemmen met sommige vaststellingen van de politiediensten of zich alleen op de verklaringen van het slachtoffer baseren.

Artikel 336 Wetboek van Strafvordering wijkt niet af van die regel en staat het hof van assisen niet toe de eigen beoordeling in de plaats te stellen van de onaantastbare beoordeling door de jury.

Ter verantwoording van de eenparige overtuiging van het hof van assisen dat de gezworenen zich wat de schuld van G. R. betreft kennelijk hebben vergist over de redenen waarop hun verklaring is gegrond, vermeldt het arrest, enerzijds, dat de jury geen enkel objectief gegeven heeft aangedragen ter bevestiging van de indirecte getuigenverklaringen die haar tot haar overtuiging hebben gebracht en, anderzijds, dat de jury heeft verwezen naar de verklaringen van een andere inverdenkinggestelde, door die geloofwaardig te verklaren ten aanzien van één beschuldigde en niet ten aanzien van een andere.

Aangezien de bewijswaarde van de getuigenissen en verklaringen in het dossier in de regel aan de vrije beoordeling van de bodemrechter en, te dezen, van de jury wordt overgelaten, kon het hof van assisen daaraan die bewijswaarde niet ontzeggen door ze afhankelijk te maken van de in zijn arrest gestelde voorwaarden, welke niet bij wet zijn bepaald.

Het middel is gegrond.

De twee overige door die eiser aangevoerde middelen hoeven niet te worden onderzocht daar ze niet tot cassatie van het arrest kunnen leiden in andere dan de hierna gestelde bewoordingen.

M. De cassatieberoepen van D. H. en E. M. tegen de beschikking nummer 2010/15 van 28 september 2010 en tegen de arresten nummers 2010/06 en 2010/07 van diezelfde dag

Krachtens het oud artikel 373, derde lid, Wetboek van Strafvordering, dat is overgenomen in het nieuwe artikel 359, derde lid, van hetzelfde wetboek, kan de burgerlijke partij haar eis tot cassatie slechts instellen tegen de beschikkingen die haar burgerlijke belangen betreffen.

Gelet op de ontkennende antwoorden van de jury ten aanzien van A. B., spreekt de beschikking A.B. vrij van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen en beveelt ze dat hij in vrijheid wordt gesteld.

Het arrest 2010/06 bevat de beslissing van het hof van assisen om zich bij de meerderheid of de minderheid van de jury aan te sluiten als de jury op de vragen slechts bij gewone meerderheid bevestigend heeft geantwoord.

Het arrest 2010/07 vermeldt dat het hof van assisen er eenparig van overtuigd is dat de jury zich heeft vergist over de voornaamste redenen waarop zij haar verklaring omtrent de schuld van de beschuldigde G. R. heeft gebaseerd. Het arrest beveelt, wat hem betreft, de verwijzing van de zaak naar een andere zitting van het hof van assisen.

De eiseressen zijn niet bevoegd om tegen dergelijke beslissingen cassatieberoep in te stellen, aangezien zij niet op hun burgerlijke rechtsvorderingen zijn gewezen.

De cassatieberoepen zijn niet ontvankelijk.

De eiseressen vragen dat aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag zou worden gesteld of artikel 373 Wetboek van Strafvordering verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 Grondwet.

De bekritiseerde wetsbepaling legt de regel vast volgens welke het cassatieberoep ontvankelijk is indien het door de eiser wordt ingesteld tegen een verweerder met wie hij voor de bodemrechter een geding heeft aangespannen waarover de bestreden beslissing uitspraak heeft gedaan.

Die regel is op alle partijen van toepassing, met inbegrip van het openbaar ministerie, dat geen cassatieberoep kan instellen tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvordering.

Aangezien de door de eiseressen opgeworpen vraag niet aantoont waarom de voormelde regel een ongelijke behandeling zou kunnen creëren die aan het toezicht van het Grondwettelijk Hof kan worden voorgelegd, is er geen reden om die vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Het Hof slaat geen acht op het overige gedeelte van de memorie, dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest nummer 2010/07, dat op 28 september 2010 door het hof van assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel Hoofdstad, met toepassing van artikel 336 Wetboek van Strafvordering, is gewezen in de zaak van G. R.

Verwerpt de cassatieberoepen van de overige eisers.

Beveelt dat dit arrest zal worden overgeschreven in de registers van het hof van assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel Hoofdstad en dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Veroordeelt M. H., T. D., E. M. en D. H. in de kosten van hun cassatieberoepen.

Veroordeelt G. R. in de kosten van het cassatieberoep van de federale procureur.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van assisen van de provincie Waals Brabant.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de afdelingsvoorzitters Frédéric Close en Paul Mathieu, de raadsheren Benoît Dejemeppe en Pierre Cornelis, en in openbare terechtzitting van 30 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Raadkamer

  • Regeling van de rechtspleging in criminele zaken

  • Beschikking gegeven met toepassing van artikel 133 Sv.