- Arrest van 31 maart 2011

31/03/2011 - C.09.0510.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Hoewel de bodemrechter in feite vaststelt of het oogmerk om te misleiden en de bedrog opleverende kunstgrepen al dan niet bestaan, alsmede wat de invloed van die kunstgrepen is geweest op de bepaling van de voorwaarden tot aanneming waarvan de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst is bewogen,gaat het Hof niettemin na of de rechter, uit de feiten die hij vaststelt, naar recht heeft kunnen afleiden dat er een bedrog is geweest dat die partij ertoe heeft bewogen een overeenkomst te sluiten (1). (1) Cass., 1 april 1993, AR. 9626, A.C. 1993, nr. 173; zie Cass. 10 nov. 2008, AR. S.08.0063.F, A.C., 2008, nr. 626 met concl. O.M. in Pas. 2008, nr. 626.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0510.F

ETABLISSEMENTS O. VIGNOUL, bvba,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

H.H.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 maart 2009 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert vijf middelen aan. Het eerste luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1109 en 1116 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de verkoop van het litigieuze voertuig VW Golf nietig, veroordeelt de eiseres om aan de verweerder 10.960 euro te betalen, geeft haar de toestemming om dat voertuig terug te nemen waar het zich ook bevindt en veroordeelt haar tevens om aan de verweerder een schadevergoeding van 1.000 euro te betalen en om het factuurbedrag van 13.266,79 euro voor de opslagkosten van het voertuig terug te betalen. Het veroordeelt haar tevens in de kosten van het gerechtelijk deskundigenonderzoek alsook in de door haar in eerste aanleg en hoger beroep gemaakte kosten die zijn begroot op 5.213,68 euro. Het arrest grondt die beslissingen op de volgende redenen:

"2. Wat het bedrog betreft:

Op goede gronden komt (de verweerder) tot het besluit dat (de eiseres) vanaf de aanvang van het proces zichzelf tegenspreekt over de kennis die zij al dan niet had van het ongeval voor de verkoop van het voertuig (aan de verweerder). Uit geen van de stukken waarop het hof [van beroep] vermag acht te slaan blijkt trouwens dat laatstgenoemde op de hoogte gebracht is van de voorgeschiedenis van het voertuig. Bijgevolg beslist de eerste rechter terecht dat ‘de (eiseres) de koper niet verteld had dat het voertuig reeds bij een ongeval betrokken was geweest' en ‘dat zij, door dat ongeval te verzwijgen terwijl niets erop wees dat het in een ongeval betrokken was geweest, de ware toedracht opzettelijk achtergehouden heeft'.

In deze zaak vloeit het verzwijgen dat kenmerkend is voor het achterhouden van informatie immers voort uit de spreekplicht die (de eiseres) heeft niet alleen uit hoofde van haar beroep maar ook omdat de onderhandelingen die aan de aankoop van het litigieuze voertuig voorafgaan te goeder trouw moeten worden gevoerd.

(De verweerder) vordert binnen het kader van zijn rechtsvordering die op bedrog gegrond is in de eerste plaats dat de rechter de tussen de partijen gesloten verkoop nietig zou verklaren.

Hiertoe baseert hij zich op het begrip hoofdbedrog, namelijk het bedrog dat de doorslaggevende reden is geweest waarom de schadelijder zijn toestemming gegeven heeft, dat wil zeggen dat hij zonder dat bedrog de overeenkomst niet zou gesloten hebben.

Hij besluit dat ‘hij zonder de listige kunstgrepen van de (eiseres) het goed eenvoudigweg niet zou hebben gekocht omdat het niet overeenkwam met dat waarnaar hij op zoek was'.

Ter herinnering dient gezegd dat het ongeval van november 2001 het voertuig zozeer beschadigd had dat de eigenaar ervan, R. G., verkoos het te verkopen in de toestand waarin het zich bevond eerder dan het te herstellen.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de bedrieglijke kunstgrepen wel degelijk de toestemming (van de verweerder) ongeldig hebben gemaakt, omdat hij op zoek was naar een tweedehandsvoertuig, met andere woorden een voertuig dat normale slijtage vertoonde maar niet bij ongevallen betrokken was, en zulks aan een normale marktprijs -de aankoopprijs van 10160 euro was volgens hem daarom een goede prijs daar 'niets erop wees dat het voertuig bij een ongeval betrokken was geweest ' (...).

De vordering tot nietigverklaring van de verkoop is bijgevolg gegrond, zodat (de eiseres) de betaalde prijs moest teruggeven (aan de verweerder) en het voertuig moest terugnemen op welke plaats het zich ook bevindt".

Grieven

Volgens artikel 1109 is geen toestemming geldig, indien zij alleen door bedrog is verkregen. Artikel 1116 van dat wetboek bepaalt dat bedrog een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst is, wanneer de kunstgrepen door een van de partijen gebezigd, van dien aard zijn dat de andere partij zonder die kunstgrepen klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan en dat bedrog niet wordt vermoed, maar moet worden bewezen.

Bedrog impliceert dat een van de contracterende partijen opzettelijk listen aanwendt met de bedoeling de tegenpartij ertoe te bewegen de overeenkomst te sluiten. Het louter feit dat zij zwijgt kan bijgevolg, ook al is het een fout, niet worden gelijkgesteld met verzwijging die als bedrog aangemerkt wordt. Verzwijging veronderstelt dat het achterhouden van informatie tot doel en tot gevolg heeft gehad de tegenpartij bewust te misleiden en haar tot contracteren aan te zetten. Het bedrieglijk opzet van de dader moet vaststaan en het verzwijgen van een feit kan enkel als bedrieglijk worden beschouwd als het gelijkenis vertoont met de kunstgrepen, bedoeld in artikel 1116 van het Burgerlijk Wetboek, met andere woorden als het doel ervan was de overeenkomst te sluiten zoals zij gesloten is.

Daaruit volgt dat de rechter zich niet mag beperken tot de vaststelling dat een van de partijen het stilzwijgen heeft bewaard over iets waarvan zij op de hoogte was en dat zij aan de tegenpartij bekend moest maken. Hij moet tevens erop wijzen dat die partij dat element opzettelijk en doelbewust verzwegen heeft en dat zij aldus handelde met bedrieglijk opzet, in die zin dat zij wist dat het bedoelde element voor haar medecontractant van belang kon zijn en dat zij doelbewust wilde dat hij de overeenkomst zou sluiten zonder van dat verzwegen element op de hoogte te zijn.

Het arrest stelt vast dat het niet bewezen is dat de koper "op de hoogte gebracht is van de voorgeschiedenis van het voertuig" en beslist dat de eiseres een fout heeft begaan door de verweerder niets te vertellen over "het ongeval waarbij dat voertuig voor de verkoop betrokken was", hoewel zij "spreekplicht had (...) niet alleen uit hoofde van haar beroep maar ook omdat de onderhandelingen die aan de aankoop van het litigieuze voertuig voorafgaan te goeder trouw moeten worden gevoerd". Het besluit hieruit dat de eiseres zich schuldig gemaakt heeft aan bedrieglijk achterhouden van informatie.

Het arrest leidt die bedrieglijke verzwijging aldus alleen af uit het feit dat de eiseres op de hoogte was van een vroeger ongeval en spreekplicht had, zonder daarbij vast te stellen dat zij dat element opzettelijk voor de verweerder verzwegen heeft. Daar het arrest niet zegt dat de eiseres die informatie opzettelijk achtergehouden heeft, verantwoordt het de beslissing dat zij informatie bedrieglijk achtergehouden heeft niet naar recht (schending van de artikelen 1109 en 1116 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Artikel 1116 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat bedrog een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst is, wanneer de kunstgrepen door een van de partijen gebezigd, van dien aard zijn dat de andere partij zonder die kunstgrepen klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan en dat bedrog niet wordt vermoed maar moet worden bewezen.

Het arrest dat vermeldt dat "[...] uit geen van de stukken waarop het hof [van beroep] vermag acht te slaan blijkt dat [de verweerder] op de hoogte gebracht is van de voorgeschiedenis van het voertuig" en dat het verzwijgen dat kenmerkend is voor het bedrieglijk achterhouden van informatie door de eiseres voortvloeit uit haar spreekplicht "die zij heeft niet alleen uit hoofde van haar beroep maar ook omdat de onderhandelingen die aan de aankoop van het litigieuze voertuig voorafgaan te goeder trouw moeten worden gevoerd", zonder daarbij vast te stellen dat de eiseres het ongeval van het voertuig verzwegen heeft met de bedoeling de verweerder tot de aankoop ervan te bewegen, schendt voornoemd artikel 1116 Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

Er bestaan geen gronden tot onderzoek van de overige middelen aangezien die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de koopovereenkomst van 16 februari 2002 nietig verklaart, de eiseres veroordeelt tot betaling van de bedragen van 10.960 euro, 1.000 euro en 13.266,79 euro, de eiseres de toestemming geeft het VW Golf -voertuig terug te nemen waar het zich ook bevindt en uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bedrog

  • Vaststelling door feitenrechter

  • Toezicht van het Hof