- Arrest van 5 april 2011

05/04/2011 - P.11.0085.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De regelmatigheid van een huiszoeking is niet onderworpen aan de voorwaarde dat er aanwijzingen van schuld bestaan in hoofde van de personen in wiens woning of burelen de huiszoeking wordt uitgevoerd; het volstaat maar is vereist dat de onderzoeksrechter over gegevens beschikt waaruit kan blijken dat er zich in die plaatsen stukken of voorwerpen bevinden die kunnen bijdragen tot de ontdekking van de waarheid met betrekking tot de in het huiszoekingsbevel bedoelde misdrijven (1). (1) Cass., 1 dec. 2004, AR P.04.1305.F, A.C., 2004, nr. 581.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0085.N

1. AARTSBISDOM MECHELEN-BRUSSEL, met zetel te 2800 Mechelen, Wollemarkt 15,

verzoeker tot het opheffen van onderzoekshandelingen,

2. G. D.

verzoeker tot het opheffen van onderzoekshandelingen,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. M. V. G.

burgerlijke partij,

2. J. C.

burgerlijke partij,

3. T. D. D.

burgerlijke partij,

4. F. H.

burgerlijke partij,

5. E. D.-D.

burgerlijke partij,

6. N. F.

burgerlijke partij,

7. J. H.

burgerlijke partij,

8. E. H.

burgerlijke partij,

9. K. V. D.

burgerlijke partij,

10. E. B.

burgerlijke partij,

11. A. D.

burgerlijke partij,

12. W. F.

burgerlijke partij,

13. M. H.

burgerlijke partij,

14. J. D.

burgerlijke partij,

15. M. L.

burgerlijke partij,

16. G. F.

burgerlijke partij,

17. I. V.

burgerlijke partij,

18. Y. M.

burgerlijke partij,

19. L. V. B.

burgerlijke partij,

20. Y. S.

burgerlijke partij,

21. M. B.

burgerlijke partij,

22. P. D.

burgerlijke partij,

23. L. G.

burgerlijke partij,

verweerders,

de verweerders 1 tot en met 6 en 8, 9, 10, 12 en 13 hebbende als raadslieden mr. Joachim Meese en mr. Walter Van Steenbrugge, advocaten bij de balie te Gent, met kantoor te 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 2, alwaar zij keuze van woonst doen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest nr. 4970 van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 december 2010. Dit arrest is gewezen op verwijzing ingevolge arrest P.10.1535.N van het Hof van 12 oktober 2010.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

De eisers hebben op 15 juli 2010 een verzoekschrift neergelegd met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering tot opheffing van de inbeslagname van alles wat tijdens de huiszoekingen op 24 juni 2010 in beslag genomen werd.

Bij beschikking van 30 juli 2010 heeft de onderzoeksrechter dit verzoek afgewezen.

De eisers hebben tegen die beschikking hoger beroep ingesteld en hebben tevens de kamer van inbeschuldigingstelling gevorderd de regelmatigheid van de rechtspleging te onderzoeken.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat enkel het verzoek van de eisers tot opheffing van de inbeslagnames uitgevoerd te Mechelen op 24 juni 2010 in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning van de eiser 2 alsmede tot vernietiging van de onderzoeksdaden die daarop steunen, gegrond zou worden verklaard. Het heeft eveneens gevorderd dat de processen-verbaal met betrekking tot die onderzoeksdaden ter griffie zouden worden neergelegd.

Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 9 september 2010 verklaart het verzoek van de eisers strekkende tot het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging niet ontvankelijk. Het verklaart het verzoek van de eisers strekkende tot de opheffing van de inbeslagname van documenten en voorwerpen bij derden evenmin ontvankelijk.

Voor het overige beveelt het arrest de opheffing van de inbeslagnames op 24 juni 2010 verricht te Mechelen in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis en in de woning en de kantoren van de eiser 2, spreekt het de nietigheid uit van die onderzoekshandelingen en van de tot op de dag van de uitspraak verrichte onderzoeksdaden die daarop steunen en beveelt het dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

De verweerders 1 tot en met 5 hebben tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld.

Bij arrest P.10.1535.N van 12 oktober 2010 vernietigt het Hof het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 9 september 2010 in zoverre het:

- de opheffing beveelt van de inbeslagnames te Mechelen op 24 juni 2010 van documenten en voorwerpen verricht in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis, evenals in de woning en kantoren van de eiser 2;

- de nietigheid uitspreekt van deze onderzoekshandelingen en van de tot op de dag van de uitspraak verrichte onderzoeksdaden die daarop steunen;

- beveelt dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest weert een aantal stukken die in het Frans zijn opgesteld en neergelegd zijn door een derde, uit het debat.

Het arrest oordeelt dat het verzoek van de verweerder 7, in zoverre het de ontvankelijkheid van het verzoek ingediend door de eisers betreft, niet ontvankelijk is. Het oordeelt ook dat de vordering van diezelfde verweerder waarover een ander arrest uitspraak doet, zonder voorwerp is.

Het arrest spreekt de nietigheid uit van het beslag op de stukken vermeld onder de refertes K007 "Nunciatuur/1" en K0010 "Nunciatuur/2" op de lijst getiteld "Dossier Kelk" met handgeschreven vermelding "Inventaris ‘archief' Aartsbisdom", zoals neergelegd ter rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 7 september 2010, alsmede van de tot op de datum van het arrest verrichte onderzoeksdaden die daarop steunen.

2. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM en de artikelen 87 en 89bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de betwiste huiszoekingen in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de privé-woning van de eiser 2, alsmede de aldaar verrichte inbeslagnames rechtsgeldig zijn; het stelt niet vast dat er voldoende daaraan voorafgaande aanwijzingen waren dat zich aldaar stukken of voorwerpen bevonden die kunnen bijdragen tot de ontdekking van de waarheid.

4. De verweerders 1 tot en met 6, 8, 9, 10, 12 en 13 voeren aan dat het onderdeel niet ontvankelijk is daar het niet tot cassatie kan leiden; het onderdeel voert immers niet aan dat de aangeklaagde onregelmatigheid van de huiszoekingen een schending uitmaakt van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, dat de betrouwbaarheid van het bewijs daardoor zou zijn aangetast of dat het aldus verkregen bewijs het eerlijke karakter van het proces zou miskennen.

5. De omstandigheid dat de aangeklaagde onregelmatigheid geen schending zou uitmaken van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, de betrouwbaarheid van het bewijs niet zou aantasten of het eerlijke karakter van het proces niet in het gedrang zou brengen, is een feitenkwestie die door het Hof niet kan worden onderzocht maar doet geen afbreuk aan de verplichting voor het Hof te onderzoeken of de bestreden beslissing al dan niet naar recht verantwoord is. Om de wettigheid van die beslissing op ontvankelijke wijze aan te vechten, moeten de eisers die hoe dan ook kunnen geschaad zijn door een onregelmatige inbeslagname en door een beslissing daarover die niet naar recht verantwoord is, voor het Hof niet aanvoeren dat die onregelmatigheid kan leiden tot bewijsuitsluiting.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet aangenomen worden.

6. Wanneer het onderzoeksgerecht, zoals hier, geroepen is de regelmatigheid van de onderzoekshandeling die de huiszoeking uitmaakt, te onderzoeken, dient het na te gaan of de voorwaarden om een rechtsgeldige huiszoeking uit te voeren verenigd zijn.

7. De regelmatigheid van een huiszoeking is niet onderworpen aan de voorwaarde dat er aanwijzingen van schuld bestaan in hoofde van de personen in wiens woning of burelen de huiszoeking wordt uitgevoerd. Het volstaat maar is tevens vereist dat de onderzoeksrechter over gegevens beschikt waaruit kan blijken dat er zich in die plaatsen stukken of voorwerpen bevinden die kunnen bijdragen tot de ontdekking van de waarheid met betrekking tot de in het huiszoekingsbevel bedoelde misdrijven.

8. Het arrest stelt vast dat de stukken waarnaar de vordering tot gerechtelijk onderzoek verwijst, de verklaringen zijn van mevrouw H. die betrekking hebben op de dossiers die zij toevertrouwd heeft aan het Rijksarchief en op deze die, volgens een gesprek dat zij met de verbalisanten heeft gehad, zouden verborgen zijn in de Sint-Romboutskathedraal te Mechelen. Het verwijst naar die verklaringen en stelt aldus vast dat er aanwijzingen waren dat er zich in het Rijksarchief en de Sint-Romboutskathedraal stukken of voorwerpen bevonden die nuttig konden zijn voor de waarheidsvinding.

9. Met die vaststellingen noch met enige andere reden stelt het arrest vast dat er aanwijzingen waren dat er zich ook in het aartsbisschoppelijk paleis en de privé-woning en kantoor van de eiser 2 dergelijke stukken of voorwerpen bevonden. Aldus is de beslissing dat de huiszoekingen en inbeslagnames die in die plaatsen werden verricht, regelmatig zijn, niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM en de artikelen 87 en 89bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de betwiste huiszoekingen wettig zijn; het onderzoekt evenwel niet of in het huiszoekingsbevel vermeldingen waren opgenomen die de persoon bij wie de huiszoeking werd uitgevoerd, toelieten de regelmatigheid ervan na te gaan.

11. Het arrest P.10.1535.N van het Hof van 12 oktober 2010 verwerpt het cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling over de huiszoekingen uitgevoerd in het Rijksarchief en de Sint-Romboutskathedraal. Die beslissingen zijn bijgevolg definitief en maakten geen deel uit van de rechtspunten waarover de verwijzingsrechters te oordelen hadden.

12. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op die huiszoekingen, is het niet ontvankelijk.

13. Voor het overige kan het onderdeel niet leiden tot ruimere cassatie noch tot cassatie zonder verwijzing en behoeft het bijgevolg geen antwoord.

Vierde onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM en de artikelen 87 en 89bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat vermits de vordering tot onderzoek van het openbaar ministerie geen melding maakt van tijds- en plaatsaanduidingen alwaar de te onderzoeken feiten zouden zijn gepleegd, de onderzoeksrechter het doel van de huiszoekingen evenmin naar plaats of tijd diende te beperken; de onderzoeksrechter heeft evenwel de verplichting de door hem bevolen huiszoekingen en inbeslagnemingen te beperken teneinde het proportionaliteitsbeginsel na te leven.

15. Het arrest P.10.1535.N van het Hof van 12 oktober 2010 verwerpt het cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling over de huiszoekingen uitgevoerd in het Rijksarchief en de Sint-Romboutskathedraal. Die beslissingen zijn bijgevolg definitief en maakten geen deel uit van de rechtspunten waarover de verwijzingsrechters te oordelen hadden.

16. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op die huiszoekingen, is het niet ontvankelijk.

17. Voor het overige kan het onderdeel niet leiden tot ruimere cassatie noch tot cassatie zonder verwijzing en behoeft het bijgevolg geen antwoord.

Derde middel

18. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 235bis Wetboek van Strafvordering alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging: het arrest wijst ten onrechte de vordering van de eisers tot opheffing van onderzoekshandelingen af op grond van stukken die niet aan de tegenspraak van de partijen werden onderworpen; aldus miskent het arrest het recht van verdediging van de eisers alsmede hun recht op een eerlijk proces.

19. Het arrest P.10.1535.N van het Hof van 12 oktober 2010 verwerpt het cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling over de huiszoekingen uitgevoerd in het Rijksarchief en de Sint-Romboutskathedraal. Die beslissingen zijn bijgevolg definitief en maakten geen deel uit van de rechtspunten waarover de verwijzingsrechters te oordelen hadden.

20. In zoverre het middel betrekking heeft op die huiszoekingen, is het niet ontvankelijk.

21. Voor het overige kan het middel niet leiden tot ruimere cassatie noch tot cassatie zonder verwijzing en behoeft het bijgevolg geen antwoord.

Overige grieven

22. De overige grieven kunnen niet leiden tot cassatie zonder verwijzing noch tot ruimere cassatie en behoeven bijgevolg geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de huiszoekingen verricht in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning en de burelen van de eiser 2, alsmede over de daar uitgevoerde inbeslagnames.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eisers in een derde der kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld dan in de samenstelling van 9 september 2010 en 22 december 2010.

Bepaalt de kosten op 671,08 euro, waarvan 407,15 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 5 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Huiszoekingsbevel

  • Regelmatigheid