- Arrest van 5 april 2011

05/04/2011 - P.10.1651.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de interpretatie die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft aan het recht op de bijstand van een raadsman, blijkt niet dat zulks vereist is wanneer de feiten waarover de verdachte of beklaagde wordt gehoord, geen aanleiding kunnen geven tot vrijheidsberoving (1). (1) E.H.R.M., 19 feb. 2009, Shabelnik t./ Oekraïne, (r.o. § 58); VAN GAEVER, J., 'Evaluatie van de evolutie van de Salduz-rechtspraak', T. Strafr., 2010, nr. 5, 423.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1651.N

P. P. J. M. J.

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Didier Van De Keere, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Gent, van 23 september 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM: het recht van verdediging wordt onherroepelijk geschaad wanneer belastende verklaringen worden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder bijstand van een advocaat; zulk bewijs is ontoelaatbaar, ook als steunbewijs.

2. Uit de interpretatie die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft aan het recht op de bijstand van een raadsman, blijkt niet dat zulks vereist is wanneer de feiten waarover de verdachte of beklaagde wordt gehoord, geen aanleiding kunnen geven tot vrijheidsberoving.

3. De eiser werd vervolgd uit hoofde van vluchtmisdrijf (de artikelen 33, § 1, 1°, en 38, § 1, 5°, Wegverkeerswet), geïntoxiceerd voeren (de artikelen 34, § 2, 1°, en 38, § 1, 1°, Wegverkeerswet), dronken voeren (artikel 35 Wegverkeerswet) en het feit dat hij als bestuurder niet in staat was alle nodige rijbewegingen uit te voeren (artikel 8.3, tweede lid, Wegverkeersreglement).

Geen van deze misdrijven kan leiden tot een vrijheidsberoving.

Aldus diende de eiser bij zijn verhoor niet te worden bijgestaan door een raadsman.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser door zich spontaan zonder raadsman voor het afleggen van een verklaring bij de verbalisanten aan te bieden, afstand gedaan heeft van zijn recht op bijstand van een advocaat, zodat zijn recht van verdediging en recht op een eerlijk proces geenszins zijn aangetast; de eiser werd niet degelijk ingelicht over zijn recht op bijstand van een advocaat zodat hij geen afstand heeft gedaan van dat recht; het bestreden vonnis kon bijgevolg de schuldigverklaring niet laten steunen op de bijkomende verklaring afgelegd aan de verbalisanten dat hij een pilsbier en een tripel gedronken heeft, welke verklaring onmiddellijk aansloot op de verklaring waarvoor hij zich spontaan aangeboden heeft.

5. Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, kan dit onderdeel niet tot cassatie leiden.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 34, § 2, 1°, 35 en 38 § 1, 1° Wegverkeerswet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis antwoordt niet op de conclusie van de eiser waar deze had opgeworpen na het verkeersongeval te hebben gedronken en valium te hebben genomen.

7. Het bestreden vonnis oordeelt: "In zijn verhoor dd. 12.06.2009 om 08.43 uur verklaarde de [eiser]: ‘Ik ben onder invloed van alcoholische drank maar ben in staat tot het afleggen van een verklaring. (...). Op uw vraag of ik alcoholische drank genuttigd heb antwoord ik u: zeker weten. Ik drink meestal triples Westmalle. Ik heb gisteren vermoedelijk triples Westmalle gedronken maar ik weet niet meer hoeveel. Ik heb de nacht afgesloten in de pittabar te Drongen alwaar ik pilsbier gedronken heb'. (...) zelfs indien men enkel rekening zou mogen houden met de bijkomende verklaring van de [eiser] dd. 18 juni 2009, dan nog stelt de Rechtbank vast dat de [eiser] daar ook verklaart dat hij een pilsbier en een tripel gedronken had (p. 25 strafdossier); tevens gelet op de vaststellingen van de verbalisanten, de uiterlijke tekenen van dronkenschap en de vastgestelde intoxicatie, blijven de telastleggingen B en C bewezen."

Aldus hebben de appelrechters de conclusie van de eiser beantwoord en hun beslissing naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 66,53 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 5 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Artikel 6.3.c

  • Recht van verdediging

  • Recht op bijstand van een raadsman

  • Interpretatie door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

  • Vervolging voor feiten die geen aanleiding kunnen geven tot vrijheidsberoving

  • Toepassing