- Arrest van 8 april 2011

08/04/2011 - F.10.0013.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De uitoefening van het recht op aftrek vereist dat de belastingplichtige de hem geleverde goederen en diensten waarvan hij de B.T.W. wil aftrekken, voor welbepaalde handelingen gebruikt, meer bepaald voor handelingen die effectief belast zijn, dan wel van belasting zijn vrijgesteld wegens uitvoer of omdat ze in het buitenland plaatsvinden; indien deze goederen en diensten niet worden verhandeld onder voorwaarden die de B.T.W. opeisbaar maken, is er geen recht op aftrek en is de B.T.W. opeisbaar (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0013.N

KIMO INVEST nv, met zetel te 9000 Gent, Keizer Karelstraat 75,

eiseres,

met als raadsman mr. Victor Dauginet, advocaat bij de balie te Antwerpen,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de rekenplichtige ambtenaar van het eerste btw-ontvangkantoor Gent I, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6/107,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 30 januari 2007.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Artikel 45, § 1, 1°, Btw-wetboek bepaalt: "Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van (...) belaste handelingen."

2. De uitoefening van het recht op aftrek vereist dat de belastingplichtige de hem geleverde goederen en diensten waarvan hij de btw wil aftrekken, voor welbepaalde handelingen gebruikt, meer bepaald voor handelingen die effectief belast zijn, dan wel van belasting zijn vrijgesteld wegens uitvoer of omdat ze in het buitenland plaatsvinden. Indien deze goederen en diensten niet worden verhandeld onder voorwaarden die de btw opeisbaar maken, is er geen recht op aftrek en is de btw opeisbaar. Van handelingen die niet worden belast, kan men dus geen voorbelasting aftrekken.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

3. Anders dan het onderdeel aanvoert, beslist het arrest niet dat de deelnemers in een tijdelijke vereniging die geopteerd heeft voor de behandeling als belastingplichtige, niet over een eigen recht beschikken, maar oordeelt wel dat het recht op aftrek niet wordt toegekend aan een deelnemer die niet doorgefactureerd heeft aan de feitelijke vereniging.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

4. Een middel dat aan de feitenrechter niet is voorgelegd en waarover die op eigen initiatief niet heeft beslist, ook al is het gegrond op een wettelijke bepaling of verdragsbepaling die, of op een algemeen rechtsbeginsel dat de openbare orde raakt of van dwingend recht is, kan slechts voor het Hof worden opgeworpen, wanneer de feitelijke gegevens die voor de beoordeling noodzakelijk zijn, blijken uit de bestreden beslissing of uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan.

5. Het onderdeel vraagt een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Het arrest verwerpt en beantwoordt het verweer in verband met de schending van het neutraliteitsbeginsel. Het grondt zijn beslissing niet op de schending van het neutraliteitsbeginsel, maar wel op de nood van transparantie die het afleidt uit de bepalingen van artikel 45 Btw-wetboek en van het koninklijk besluit nr. 3 evenals uit de eigen vrije keuze van de eiseres.

Het middel mist feitelijke grondslag.

7. De voorgestelde prejudiciële vraag hoeft niet te worden gesteld.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 280,32 euro jegens de eisende partijen en op de som van 216,28 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 8 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Inkomende B.T.W.

  • Recht op aftrek

  • Vereisten