- Arrest van 19 april 2011

19/04/2011 - P.11.0684.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 136ter, §1, Wetboek van Strafvordering beoogt een controle uit te oefenen op het gerechtelijk onderzoek wanneer de inverdenkinggestelde zich sinds zes maanden in voorlopige hechtenis bevindt, teneinde erover te waken dat dit onderzoek geen onnodige vertraging oploopt; die procedure staat evenwel los van de maandelijkse handhaving van de voorlopige hechtenis bepaald bij de artikelen 22 en volgende Voorlopige Hechteniswet en van de wettigheid van de vrijheidsberoving die het aanhoudingsbevel uitmaakt (1). (1) Zie: Steven Vandromme, De wet van 31 mei 2005: punctuele wijzigingen m.b.t. de regeling van de rechtspleging, de voorlopige hechtenis en de onwerkzame voorlopige hechtenis, R.W., 2005, 401 (nrs. 39 ev.); Damien Vandermeersch, La détention préventive revisitée – Les modifications aux règles relatives à la détention préventive apportées par la loi du 31 mai 2005, J.T., 2005, 477.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0684.N

K V A,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Tom Decaigny, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 april 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 136ter Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat er voor de procureur-generaal geen verplichting bestaat toepassing te maken van de procedure bedoeld in dat artikel; het komt het openbaar ministerie niet toe de opportuniteit van die procedure in te schatten.

2. Het arrest oordeelt dat de procedure bepaald in artikel 136ter Wetboek van Strafvordering niet aanhangig is voor de kamer van inbeschuldigingstelling en dat uit de niet-toepassing van dat artikel niet volgt dat hierdoor de voorlopige hechtenis van de verdachte zou beëindigd zijn. Die redenen dragen de beslissing dat de eiser zich voor de handhaving van zijn voorlopige hechtenis tevergeefs beroept op artikel 136ter Wetboek van Strafvordering.

3. Het onderdeel dat opkomt tegen een overtollige reden kan niet leiden tot cassatie en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 136ter Wetboek van Strafvordering en van de artikelen 22 en 26 Voorlopige Hechteniswet: de kamer van inbeschuldigingstelling laat na op het hoger beroep tegen de beschikking die de voorlopige hechtenis handhaaft, vast te stellen dat de raadkamer geen vorm van voorlopige hechtenis meer kon opleggen; bij gebrek aan toepassing van de procedure bepaald in artikel 136ter Wetboek van Strafvordering kon de wettigheid van de vrijheidsberoving niet worden vastgesteld.

5. Artikel 136ter, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Met uitzondering van de bij artikel 22, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis bedoelde zaken, neemt de kamer van inbeschuldigingstelling kennis van alle zaken waarin de inverdenkinggestelde zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarover de raadkamer, wat de regeling van de rechtspleging betreft, geen uitspraak heeft gedaan binnen zes maanden te rekenen van het verlenen van het bevel tot aanhouding."

6. Deze bepaling beoogt een controle uit te oefenen op het gerechtelijk onderzoek wanneer de inverdenkinggestelde zich sinds zes maanden in voorlopige hechtenis bevindt, teneinde erover te waken dat dit onderzoek geen onnodige vertraging oploopt. Die procedure staat evenwel los van de maandelijkse handhaving van de voorlopige hechtenis bepaald bij de artikelen 22 en volgende Voorlopige Hechteniswet en van de wettigheid van de vrijheidsberoving die het aanhoudingsbevel uitmaakt. De omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer de zaak bij haar aanhangig gemaakt is met toepassing van artikel 136ter voormeld, bij die gelegenheid overeenkomstig, paragraaf 2(*), tweede lid, van dat artikel tevens uitspraak doet over het bestaan van voldoende aanwijzingen van schuld en onderzoekt of er voldoende redenen zijn om de hechtenis te handhaven, doet hieraan geen afbreuk.

7. Het feit dat de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 136ter Wetboek van Strafvordering niet aanhangig is gemaakt en dit onderzoeksgerecht bijgevolg met toepassing van die wetsbepaling geen uitspraak heeft gedaan, heeft geen gevolg op de wettigheid van de vrijheidsberoving van de inverdenkinggestelde. Dit feit belet immers niet dat het gerechtelijk onderzoek zijn voortgang vindt en dat de handhaving van de voorlopige hechtenis steeds met toepassing van artikel 22 Voorlopige Hechteniswet elke maand moet worden beoordeeld.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

8. In zoverre het onderdeel schending van artikel 26 Voorlopige Hechteniswet aanvoert, is het afgeleid uit de hierboven vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 235bis Wetboek van Strafvordering alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging: het arrest voert ten onrechte een controle uit over de regelmatigheid van de procedure; de kamer van inbeschuldigingstelling heeft immers het debat niet heropend over dat punt; aldus miskent het arrest eisers recht van verdediging.

10. Met de in het middel weergegeven redenen, spreekt het arrest zich niet uit met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, maar geeft het enkel te kennen dat vermits de eiser regelmatig naar de correctionele rechtbank is verwezen, de toepassing van artikel 136ter Wetboek van Strafvordering geen bestaansreden meer heeft.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

11. Voor het overige belet geen enkele wetsbepaling dat de eiser voor de feitenrechter zijn verweer laat gelden met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van zijn zaak.

In zoverre het miskenning van het recht van verdediging aanvoert, kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 60,26 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 19 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

(*) lees §3

Vrije woorden

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Controle op het gerechtelijk onderzoek

  • Artikel 136ter, § 1, Wetboek van Strafvordering

  • Voorlopige hechtenis