- Arrest van 20 april 2011

20/04/2011 - P.10.1691.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het hoger beroep van een beklaagde tegen een vonnis alvorens recht te doen dat een deskundigenonderzoek beveelt, terwijl die beklaagde door de achteraf gewezen strafrechtelijke beslissing over de grond van de zaak, buiten het geding werd gesteld, heeft geen belang en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1691.F

A. P.,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, waar woonplaats is gekozen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 september 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het arrest vermeldt (pagina 22) dat het hof van beroep met name kennis neemt van het hoger beroep dat de eiser, zowel op strafrechtelijk als burgerrechtelijk vlak, heeft ingesteld tegen het vonnis alvorens recht te doen van 24 februari 2005 en tegen het vonnis dat op 30 en 31 maart 2006 uitspraak doet over de grond van de zaak.

Het arrest verklaart de hogere beroepen op strafrechtelijk vlak niet ontvankelijk bij gemis aan bestaansreden of gebrek aan belang. Het houdt de uitspraak aan over de burgerlijke belangen.

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op het hoger beroep tegen het vonnis alvorens recht te doen

Eerste, derde en vierde onderdeel

De eiser werd vervolgd wegens valsheid in geschriften met het oog op de inbreng van liquide middelen en waardepapieren ten voordele van de moedervennootschap, wat ten koste ging van de onafhankelijke aandeelhouders van de dochtervennootschappen.

Het deskundigenonderzoek dat bevolen wordt alvorens recht te doen heeft in hoofdzaak betrekking op de wijze waarop de met de overdracht van de deelbewijzen gepaard gaande verrichtingen zijn geboekt en op het gevolg daarvan op de waarde van de bedoelde vennootschappen.

Het gebrek aan belang dat wordt opgeworpen tegen het hoger beroep tegen het vonnis waarbij die maatregel wordt gelast, is afgeleid uit het feit dat de eiser door de strafrechtelijke beslissing over de grond van de zaak buiten het geding is gesteld.

De eiser voert enerzijds aan dat het door de strafrechter bevolen deskundigenonderzoek hem schade kan berokkenen, hoewel hij, wat de strafvordering betreft, buiten het geding is gesteld, aangezien de strafvordering als grondslag kan worden aangevoerd voor de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen waarover het hof van beroep de uitspraak heeft aangehouden. Hij leidt daaruit af dat het arrest de beslissing van het hof, waarbij verklaard wordt dat zijn hoger beroep voor de strafrechter geen belang heeft, niet naar recht verantwoordt.

Het middel voert anderzijds aan dat het arrest de afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van het vonnis waarbij het deskundigenonderzoek wordt bevolen, niet naar recht verantwoordt en de beslissing van het hof van beroep volgens welke de onderzoeksmaatregel regelmatig is, niet regelmatig met redenen omkleedt.

Het door het arrest aangevoerde gebrek aan belang heeft evenwel alleen betrekking op het hoger beroep op strafrechtelijk vlak en de eiser dient geen verweer meer te voeren tegen de strafvordering.

Het arrest verduidelijkt dat het in voorkomend geval aan het hof staat om later, in het kader van het onderzoek van de hogere beroepen op burgerrechtelijk vlak, de grieven te onderzoeken die volgens de eiser terecht tegen het deskundigenonderzoek kunnen worden aangevoerd.

De door de eiser aangeklaagde beslissing van niet-ontvankelijkheid berokkent hem bijgevolg geen nadeel aangezien het debat dat op hem betrekking heeft open blijft.

Hetzelfde geldt voor de kritiek op de motivering betreffende de regelmatigheid van het deskundigenonderzoek en de afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van de beslissing waarbij dat onderzoek bevolen wordt. Het arrest doet geen uitspraak over het hoger beroep dat de eiser op burgerrechtelijk vlak heeft ingesteld. Laatstgenoemde behoudt dus het recht om, op dat hoger beroep, kritiek uit te oefenen op het vonnis alvorens recht te doen, op alle punten waarop die beslissing hem, wat de burgerlijke rechtsvorderingen betreft, schade zou kunnen berokkenen.

Het eerste, derde en vierde onderdeel zijn niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op het hoger beroep tegen het vonnis dat uitspraak doet over de grond van de zaak

Eerste onderdeel voor het overige

Het arrest stelt vast (pagina 23) dat het vonnis, dat uitspraak doet over de grond van de strafvordering, in zijn redenen verschillende telastleggingen van valsheid en gebruik van valse stukken tegen de eiser bewezen verklaart, en tegelijkertijd in zijn beschikkend gedeelte zegt dat die rechtsvordering verjaard is.

Uit het feit dat de schuldigverklaring alleen in de motivering van het vonnis staat en niet door een straf gevolgd wordt, kan niet worden afgeleid dat het hoger beroep van de aldus schuldig bevonden beklaagde elke bestaansreden zou missen.

Het arrest dat het tegendeel beslist, is niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is gegrond.

Het tweede onderdeel van het middel hoeft geen nader onderzoek, aangezien het niet tot ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing kan leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dat arrest het hoger beroep van de eiser tegen het op 30 en 31 maart 2006 gewezen vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel, niet ontvankelijk verklaart.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de andere helft ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Albert Fettweis, Benoît Dejemeppe en Pierre Cornelis, en in openbare terechtzitting van 20 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Vonnis alvorens recht te doen beveelt een deskundigenonderzoek

  • Vonnis over de grond van de zaak stelt de beklaagde buiten het geding

  • Hoger beroep van de beklaagde tegen het vonnis alvorens recht te doen

  • Ontvankelijkheid