- Arrest van 20 april 2011

20/04/2011 - P.10.2026.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, heeft bedrieglijke reclame jegens consumenten niet uit het strafrecht gelicht; door met name te voorzien in een aparte strafbaarstelling voor bedrieglijke reclame jegens andere personen dan consumenten, streeft de nieuwe wet haar doel na, namelijk het bestrijden van oneerlijke praktijken tussen ondernemingen (1). (1) Zie H. JACQUEMIN, 'La loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du marché et à la protection du consommateur', J.T., 2010, p. 546, nr. 3.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.2026.F

CONSTRUCT DATA VERLAG A.G., vennootschap naar Oostenrijks recht,

Mr. Gérard Martin, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

1. OIVO, vzw,

2. RUBINSTEIN, nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 17 november 2010.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering

(...)

Tweede middel

Nadat het hof van beroep de eiseres daarvan kennis heeft gegeven, heeft het beslist om het onderzoek over de vraag of zij schuldig is, te voeren op grond van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, die van kracht was op het ogenblik van de feiten, welke, volgens het arrest, tussen 2 juli 2000 en 26 november 2006 zijn voorgevallen, op grond dat de omschrijving van het misdrijf het hof gunstiger toescheen dan die van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming die, met toepassing van haar artikel 142, in werking is getreden dertig dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, op 12 april 2010.

Het middel voert aan dat, aangezien artikel 96 van de wet van 6 april 2010, gelet op het opschrift van de onderafdeling waarin het is opgenomen, alleen bedrieglijke reclame "jegens andere personen dan consumenten" strafbaar stelt, dit artikel integendeel een minder strenge omschrijving van het misdrijf geeft.

Het arrest vermeldt dat de economische activiteit van de eiseres bestaat in het verspreiden op haar Internet site van een internationaal register om nieuwe gegevens te vergaren over jaarbeurzen en tentoonstellingen, exposanten en organisatoren van evenementen. De conclusie die bij wijze van uittreksel in het middel is overgenomen, bevestigt dat de litigieuze reclame was gericht aan ondernemingen in de zin van artikel 2, 1° van de wet.

In strijd met wat de eiser aanvoert blijkt niet dat de wet van 6 april 2010 bedrieglijke reclame jegens consumenten uit het strafrecht heeft gelicht, aangezien uit artikel 19, § 1, 1°, uitdrukkelijk blijkt dat alle reclame in de zin van artikel 2, 19°, als een misleidende handelspraktijk kan beschouwd worden in de zin van de artikelen 88 tot 91 en, bijgevolg, als een oneerlijke handelspraktijk jegens consumenten. Door met name te voorzien in een aparte strafbaarstelling voor bedrieglijke reclame jegens andere personen dan consumenten, streeft de nieuwe wet haar doel na, namelijk het bestrijden van oneerlijke praktijken tussen ondernemingen.

Het arrest dat met name vaststelt dat het door de eiseres gebruikte formulier de geadresseerde uitnodigde om de gegevens over zijn beroepsbezigheden bij te werken, wijst erop dat de appelrechters, zoals de conclusie van de eiser hen daartoe uitnodigde, het oneerlijke en bedrieglijke karakter van de reclame hebben beoordeeld in het licht van de beroepsbezigheden van degene aan wie zij was gericht. Het arrest antwoordt aldus op de voormelde conclusie.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Het middel voert aan dat bijzonder opzet niet kan worden vastgesteld bij een rechtspersoon, zonder dat het eerst werd vastgesteld bij een natuurlijke persoon die voor die rechtspersoon aansprakelijk is.

Als het strafbaar feit door een vennootschap is gepleegd, is het opzet genoegzaam bewezen door de vaststelling dat de leidinggevende organen kennis hadden van het opzet om de schuldige handeling te stellen en daarmee hebben ingestemd.

Het middel faalt dienaangaande naar recht.

Voor het overige voert het middel schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek, op grond dat het arrest niet antwoordt op de conclusie waarin wordt aangevoerd dat het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, wat het morele bestanddeel van de oplichting is, niet louter uit het aanwenden van listige kunstgrepen kan worden afgeleid, wat een onderscheiden bestanddeel van dat misdrijf uitmaakt.

Het arrest beperkt zich evenwel niet tot de overweging dat de eiseres listige kunstgrepen heeft aangewend om bij verrassing de handtekening van de klagers te verkrijgen (pagina 21). Het vermeldt dat de verwarring tussen de zogenaamd gratis plaatsing van de bijgewerkte gegevens en de bestelling tegen betaling van de gids "alle goede trouw uitsluit" aan de zijde van de eiseres (pagina 20). Het wijst er verder op dat sommige klagers, ondanks hun protest, via de juridische dienst van de eiseres post, aanmaningen en ingebrekestellingen hebben ontvangen (pagina 12) en dat deze zich "bewust was van het strafbaar karakter van de toestand", vermits zij in 2007 de passende maatregelen heeft genomen om er een einde aan te stellen (pagina 20).

Met die vermeldingen en overwegingen antwoorden de appelrechters op de voormelde conclusie van de eiseres, omkleden zij hun beslissing dat de telastleggingen van oplichting en pogingen tot oplichting bewezen waren, regelmatig met redenen en verantwoorden ze naar recht.

Het middel kan dienaangaande niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweersters tegen de eiseres

De eiseres voert geen bijzonder middel aan.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 20 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Wet betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming

  • Bedrieglijke reclame jegens consumenten

  • Strafbaarstelling