- Arrest van 20 april 2011

20/04/2011 - P.11.0609.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, noch de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, zijn toepasselijk op de onderzoeksgerechten (1). (1) Cass. 31 juli 2001, AR P.01.1011.F, AC, nr. 427.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0609.F

P. d. C. A. L.,

Mr. Papis Tshimpangila, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

BELGISCHE STAAT, staatssecretaris van Migratie en Asielbeleid.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 maart 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Noch artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, noch de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, zijn toepasselijk op de onderzoeksgerechten.

De onderzoeksgerechten waarbij een vreemdeling beroep heeft ingesteld tegen de maatregel van vrijheidsberoving die is getroffen met het oog op zijn verwijdering van het grondgebied, moeten wel nagaan of de maatregel alsook de beslissing tot verwijdering waarop die maatregel steunt, in overeenstemming zijn met de wet. Dat aan de onderzoeksgerechten opgedragen wettigheidstoezicht heeft onder meer betrekking op de formele geldigheid van de akte, in de zin dat zij moeten nagaan of die akte, overeenkomstig de voormelde wetsbepalingen, afdoende met redenen is omkleed. Dat toezicht houdt eveneens in dat de werkelijke toedracht en de juistheid van de door de bestuurlijke overheid aangevoerde feiten wordt nagegaan, aangezien de rechter moet onderzoeken of de beslissing steunt op een redengeving die door geen enkele kennelijke beoordelingsfout of dwaling omtrent de feiten is aangetast.

Aangezien de bestuurlijke beslissingen de juridische en feitelijke overwegingen bevatten die eraan ten grondslag liggen, kunnen zij de artikelen 1 en 2 van de voormelde wet van 29 juli 1991 niet schenden.

In zoverre het middel eigenlijk kritiek uitoefent op de feitelijke beoordeling door de kamer van inbeschuldigingstelling, is het niet ontvankelijk.

Voor het overige vermeldt het arrest dat de eiseres "de wederrechtelijke situatie waarin zij zich momenteel bevindt bewust heeft gecreëerd, doordat zij geen regelmatige verblijfsvergunning kon voorleggen" en dat er "ernstige redenen zijn om aan te nemen dat [zij] niet vrijwillig gevolg zal geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten dat haar ter kennis was gebracht". Het stelt vervolgens vast dat het aan de kamer van inbeschuldigingstelling voorgelegde dossier relevante gegevens bevat die een dwaling omtrent de feiten of een kennelijke beoordelingsfout kunnen uitsluiten.

De appelrechters die het risico dat de eiseres geen gevolg zal geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, afleiden uit het feit dat zij het grondgebied op onwettige wijze was binnengekomen en er zich op onrechtmatige wijze had gevestigd, dienden niet te antwoorden op het argument dat nooit eerder tegen haar een bevel om het grondgebied te verlaten was uitgevaardigd en dat haar adres door de overheid gekend was.

Volgens het arrest vermelden de beslissingen tot verwijdering van het grondgebied en vrijheidsbeneming dat de eiseres niet over de documenten beschikt die haar toestaan in het Rijk te verblijven en dat haar daadwerkelijke repatriëring naar haar land van oorsprong dient te worden verzekerd. Het arrest beslist aldus naar recht dat die beslissingen in overeenstemming met de wet zijn genomen.

Het middel kan dienaangaande niet worden aangenomen.

Tweede middel

Onder het mom van een schending van artikel 36.1, b, van het Verdrag van Wenen inzake consulair verkeer van 24 april 1963, voert het middel een miskenning aan van het recht van verdediging van de eiseres, inzonderheid van haar recht op een eerlijke behandeling van de zaak dat met name door artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. De grief is afgeleid uit het feit dat de Belgische overheid de eiseres niet onverwijld, op het ogenblik van haar aanhouding, op de hoogte gebracht heeft van haar recht om te verzoeken dat de consulaire post van haar land in kennis zou worden gesteld van haar administratieve hechtenis.

Het middel dat voor het eerst voor het Hof wordt aangevoerd, is niet ontvankelijk.

Derde middel

Het middel voert de schending aan van artikel 15 van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en van de Raad, van 16 december 2008, over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.

Volgens het arrest laat die bepaling de bevoegdheid om de dwangmaatregelen te beoordelen die nodig zijn voor de voorbereiding van de terugkeer of voor de verwijdering, bij de lidstaten. Bovendien wordt de daarin bepaalde mogelijkheid tot bewaring niet beperkt tot alleen het risico op ontvluchting of de erin vermelde belemmering van de verwijderingsprocedure.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiseres de kamer van inbeschuldigingstelling heeft verzocht een maatregel toe te passen die minder dwingend is dan de vrijheidsbeneming maar die toch de uitvoering van de jegens haar genomen maatregel tot verwijdering van het grondgebied kan verzekeren.

Het arrest verantwoordt naar recht zijn beslissing dat de maatregel tot vrijheidsbeneming van de eiseres in overeenstemming is met richtlijn 2008/115 en inzonderheid met artikel 15 van die richtlijn.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 20 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Vrijheidsberoving

  • Beroep bij de rechterlijke macht

  • Onderzoeksgerechten

  • Motivering

  • Toepasselijke wetsbepalingen