- Arrest van 21 april 2011

21/04/2011 - C.10.0394.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Indien de Kongolezen, na de annexatie van Kongo bij België, de Belgische nationaliteit hebben verkregen, dan is dat niet gebeurd krachtens de nationaliteitswetten van het moederland, maar wel krachtens soortgelijke regels vervat in titel I van het boek I van het Kongolese Burgerlijk Wetboek en die, aangezien ze niet strijdig waren met de openbare orde, effect zijn blijven sorteren (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ***.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0394.F

K. B.,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 januari 2010.

Op 25 februari 2011 heeft advocaat-generaal Thierry Werquin een conclusie ter griffie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 24 en 28 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit;

- de artikelen 4 van de Grondwet van 7 februari 1831 die van toepassing was op 30 juni 1960 toen Congo onafhankelijk werd, en voor zoveel als nodig, 8 van de Grondwet in de huidige versie ervan;

- de artikelen 18 en 19 van de nationaliteitswet van 14 december 1932.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het negatieve advies van de procureur des Konings gegrond en zegt bijgevolg dat er geen grond bestaat om het verzoek tot herkrijging van de Belgische nationaliteit in te willigen dat de eiser heeft ingediend heeft met toepassing van artikel 24 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Het baseert die beslissing onder meer op de onderstaande gronden:

"Door de annexatie van Congo bij het Belgische grondgebied door de annexatiewet van 18 oktober 1908 zijn de Congolezen ‘Belgen met koloniaal statuut' geworden' die later ook nog ‘Belgen met Congolees statuut' werden genoemd. Die wet van 18 oktober 1908 (ook koloniaal charter genoemd) bepaalde echter in artikel 1 dat Belgisch Congo en zijn inwoners door afzonderlijke wetten zouden worden beheerst en onder een bijzondere regeling zouden vallen [...]. Hoewel de door [de eiser] geciteerde auteurs aldus redenen hadden om aan te nemen dat de Congolezen, door de annexatiewet van 18 oktober 1908, de Belgische nationaliteit [...] hadden verkregen, dient er toch op gewezen dat dezelfde auteurs de mening waren toegedaan dat de Congolezen daarom nog geen ‘Belgische burgers' waren geworden, maar' wel ‘Belgische onderdanen' onderworpen aan de Belgische soevereiniteit [...]. In die hoedanigheid hadden zij niet dezelfde rechten als de ‘Belgische burgers' van het moederland, meer bepaald het recht op toegang tot de openbare ambten, stemrecht en recht op verkiesbaarheid. Het begrip ‘Belgische nationaliteit' dat de voornoemde auteurs gebruiken, moet dus genuanceerd worden en heeft niet dezelfde betekenis als die welke men er nu aan geeft, onder meer in artikel 24 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit [...]. In werkelijkheid werden het verlies en de herkrijging van het statuut van ‘Belg met Congolees statuut' sinds de annexatie en tot de onafhankelijkheid van Congo niet geregeld door de moederlandse wet van 14 december 1932, maar wel door titel I van het boek betreffende de personen van het Congolese Burgerlijk Wetboek [...]. Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat het verlies van de Belgische nationaliteit geen betrekking kan hebben op het geval van het verlies van de staat van Belgisch onderdaan met Congolees statuut. Het Wetboek van de Belgische nationaliteit vervangt immers de vorige wet van 14 december 1932 die, zoals eerder gezegd, slechts gold voor de Belgische ‘burgers' en niet voor de Belgische ‘onderdanen'".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 4 van de Grondwet van 7 februari 1831, die van toepassing was ten tijde van de annexatie van Congo door België, en het huidige artikel 8 van de Grondwet wordt de staat van Belg verkregen, behouden en verloren volgens de regels die bij de burgerlijke wet worden gesteld.

De staat van Belg werd toentertijd dus geregeld door de in het middel aangewezen wet van 14 december 1932 en niet door titel I van het boek betreffende de personen van het Congolese Burgerlijk Wetboek.

Het arrest dat het tegenovergestelde beslist en om die reden oordeelt dat het door de eiser ingediende verzoek tot herkrijging van nationaliteit niet gegrond was, schendt alle in het middel aangewezen bepalingen van de Grondwet.

Tweede onderdeel

De nationaliteitswet van 14 december 1932 maakte m.b.t. de omstandigheden die leidden tot het verlies en de herkrijging van de nationaliteit geen enkel onderscheid tussen de Belgische burgers en de Belgische onderdanen.

Artikel 24 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit luidt als volgt: "Hij die de Belgische nationaliteit anders dan door vervallenverklaring heeft verloren, kan ze door een overeenkomstig artikel 15 afgelegde verklaring herkrijgen onder de voorwaarden dat hij ten minste achttien jaar oud is en dat hij gedurende de twaalf maanden die aan de verklaring voorafgaan zijn hoofdverblijf in België heeft gehad."

Dat artikel 24 maakt evenmin een onderscheid voor de aanvraag tot herkrijging van de nationaliteit.

Dat onderscheid, dat enkel geldt voor sommige politieke rechten (kiesrecht, recht op toegang tot bepaalde openbare ambten) heeft trouwens nu geen bestaansreden meer (Ch.-L. Closset, Traité de la nationalité de droit belge, Larcier, 2004, nrs. 16 en 205; R.P.D.B., aanv. III, trefwoord Nationalité, nr. 88, en de aldaar geciteerde ref.). Elke persoon, die, op welke grond ook, ooit Belg is geweest, meer bepaald een Congolees burger die de Belgische nationaliteit had toen Congo Belgisch was, kan die nationaliteit herkrijgen, ook al heeft hij geen gebruik gemaakt van de in de wet van 22 december 1961 opgenomen tijdelijke bepalingen op grond waarvan vreemdelingen de nationaliteit konden herkrijgen (Ch.-L. Closset, op. cit., nr. 767).

Het arrest betwist niet dat de eiser de Belgische nationaliteit had verkregen toen Congo door de Belgische Staat werd geannexeerd. Het ontzegt hem echter het recht die nationaliteit, die hij bij de onafhankelijkheid van Congo verloren had, te herkrijgen, alleen maar omdat hij, krachtens wetten van vóór de onafhankelijkheid, nooit Belgisch burger, maar enkel Belgisch onderdaan was geweest.

Het maakt aldus een onderscheid tussen personen met de Belgische nationaliteit die deze hebben gehad en ze zouden willen herkrijgen, naargelang zij ‘burgers' dan wel ‘onderdanen' waren, terwijl dat onderscheid uit geen enkele bepaling waarop het zich baseert voortvloeit.

Het arrest, dat op grond van een dergelijk onderscheid beslist eisers verzoek tot herkrijging van de Belgische nationaliteit in te willigen, schendt alle in het middel aangewezen bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Luidens artikel 4, eerste lid, Grondwet die van toepassing was toen de eiser de Belgische nationaliteit die hij wil herwinnen, verkreeg en verloor, wordt de staat van Belg verkregen, behouden en verloren volgens de regels bij de burgerlijke wet gesteld.

Volgens artikel 1, vierde lid van die tekst gelden voor de koloniën, overzeese bezittingen of beschermde gebieden die België kan verkrijgen, bijzondere wetten.

Krachtens artikel 1, eerste lid, van de wet van 18 oktober 1908 op het beheer van de Belgische Congo, het zogeheten Koloniaal Charter, heeft Belgisch Congo een rechtspersoonlijkheid die onderscheiden is van die van het moederland en wordt het door afzonderlijke wetten beheerst.

Artikel 4 van het charter bepaalt dat de Belgen, de ingeschreven Congolezen en de vreemdelingen al de burgerlijke rechten genieten die erkend zijn door de wetgeving van het Belgische Congoland en dat hun persoonlijk statuut wordt beheerst door hun nationale wetten voor zover deze niet strijden met de openbare orde.

Uit die bepaling volgt dat, indien de Congolezen, na de annexatie van Congo bij België, de Belgische nationaliteit hebben verkregen, dat dan niet is gebeurd krachtens de nationaliteitswetten van het moederland, maar wel krachtens soortgelijke regels die vervat zijn in titel I van het boek I Congolese Burgerlijk Wetboek en die, aangezien ze niet met de openbare orde streden, effect zijn blijven sorteren.

Tweede onderdeel

Artikel 24, eerste lid, Wetboek van de Belgische nationaliteit bepaalt dat degene die de Belgische nationaliteit anders dan door vervallenverklaring heeft verloren, ze door een overeenkomstig artikel 15 afgelegde verklaring kan herkrijgen onder de voorwaarden dat hij ten minste achttien jaar oud is en dat hij gedurende de twaalf maanden die aan de verklaring voorafgaan zijn hoofdverblijf in België heeft gehad.

Vóór de inwerkingtreding van dat wetboek werd de herkrijging van de Belgische nationaliteit, onder analoge voorwaarden, geregeld door artikel 19 van de op 14 december 1932 gecoördineerde wetten op de verwerving, het verlies en de herkrijging van de nationaliteit.

Artikel 2, § 4, van de wet van 22 december 1961 betreffende de verwerving of herkrijging van de Belgische nationaliteit door de buitenlanders die geboren zijn of hun woonplaats hebben op het grondgebied van de Republiek Congo of door de Congolezen die hun gewone verblijfplaats in België hebben gehad, heeft voor personen die op 30 juni 1960 de staat hadden van Belg met Congolees statuut, tijdelijk de mogelijkheid geboden om de staat van Belg via nationaliteitskeuze te verkrijgen.

Degenen die verzuimd hadden tijdig een verklaring van keuze voor de Belgische nationaliteit af te leggen op grond van voornoemd artikel 2, § 4, hebben op grond van artikel 28, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, de kans gekregen om die verklaring af te leggen, op de wijze bepaald bij artikel 15, binnen twee jaar na de inwerkingtreding, op 1 januari 1985, van die bepaling.

Uit al die bepalingen volgt dat de in artikel 24 Wetboek van de Belgische nationaliteit bedoelde mogelijkheid om de Belgische nationaliteit te herkrijgen niet geldt voor de Belgen met Congolees statuut, die de Belgische nationaliteit niet hadden verkregen op grond van de nationaliteitswetten van het moederland.

Beide onderdelen falen naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep;

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 21 april 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Verwerving, verlies en herkrijging van de Belgische nationaliteit

  • Verwerving

  • Kongolees, geboren vóór de onafhankelijkheid van Kongo