- Arrest van 21 april 2011

21/04/2011 - C.11.0054.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Alle wrakingsgronden die op een bepaald ogenblik voorhanden zijn en waarvan de eiser op dat ogenblik kennis draagt, moeten tegelijkertijd worden voorgedragen met dien verstande dat zijn nieuwe vordering tot wraking niet ontvankelijk is indien zij steunt op feiten waarvan hij reeds kennis droeg toen hij zijn vorige vordering instelde (1). (1) Cass., 8 juli 2008, A.R. C.08.0285.N, A.C., 2008, nr.422

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0054.F

F.,

Mr. Eric Causine, advocaat bij de balie van Brussel (...), mr. Dominique Remy, advocaat bij de balie van Dinant, (...), en mr. Geert De Peyper, advocaat bij de balie van Brussel.

in tegenwoordigheid van

1. PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUIK,

2. C. M.,

3. Ph. M.,

4. DINANT LOISIRS,

de laatste 3 vertegenwoordigd door mr. Jean Bourtembourg, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 19 januari 2011.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 6. 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- de artikelen 828 en, voor zoveel als nodig, 842 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest weert de conclusie die de eiser op de terechtzitting van 17 januari 2011 heeft neergelegd uit het debat, in zoverre zij een nieuwe wrakingsgrond aanvoert, namelijk gewettigde verdenking.

Die beslissing steunt op de onderstaande redenen:

"De raadsman van C. en van P. M., alsook van de naamloze vennootschap Dinant Loisirs in vereffening, heeft op de terechtzitting van 17 januari 2011 gevorderd dat de conclusie die was neergelegd door [eisers] raadslieden, samen met hun dossier, uit het debat zouden worden geweerd omdat ze hem niet vóór de terechtzitting waren medegedeeld;

Die conclusie moet uit het debat worden geweerd omdat zij een nieuwe wrakingsgrond aanvoert, namelijk gewettigde verdenking. Die grond was immers niet aangevoerd in de op 19 november 2010 neergelegde conclusie en rechter C.J. had er niet kunnen op antwoorden overeenkomstig artikel 836 van het Gerechtelijk Wetboek dat luidt als volgt: ‘De akte van wraking wordt binnen vierentwintig uren door de griffier overhandigd aan de gewraakte rechter.

Deze is gehouden binnen twee dagen onderaan op die akte een verklaring te stellen, luidens welke hij in de wraking berust of weigert zich van de zaak te onthouden, met zijn antwoord op de middelen van wraking';

Het hof [van beroep] mag enkel uitspraak doen op grond van de middelen die in de wrakingsakte zijn uiteengezet en onderworpen aan de tegenspraak van de betrokken rechter; het mag geen acht slaan op de conclusie die op de zittingsdag wordt neergelegd;

[...] In een conclusie die werd neergelegd op de terechtzitting van 17 januari 2011 vragen [eisers] raadslieden de toestemming om met alle middelen rechtens, met inbegrip van getuigenissen, het bewijs te mogen leveren van vier feiten;

Aangezien die conclusie om de hierboven uiteengezette redenen uit het debat moet worden geweerd, is die vordering niet-ontvankelijk;

Artikel 839 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, indien de wrakende partij geen bewijs door geschrift of geen begin van bewijs levert van de wrakingsgronden, de rechtbank de wraking kan verwerpen op de eenvoudige verklaring van de rechter dan wel een getuigenbewijs bevelen;

In de huidige stand van de zaak en gelet op het feit dat [eisers] conclusie om de hierboven weergegeven redenen uit het debat moet worden geweerd, moet de vordering tot wraking worden verworpen, aangezien geen enkel gegeven van de zaak verantwoordt dat onderzoeksmaatregelen, zoals getuigenverhoren, worden bevolen".

Grieven

1. Uit artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat wraking het recht is dat de wet aan een partij toekent om te weigeren gevonnist te worden door een of meer leden van het rechtscollege.

Luidens artikel 6. 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Luidens artikel 842 van het Gerechtelijk Wetboek belet het vonnis of arrest dat een vordering tot wraking van een rechter heeft verworpen niet dat een nieuwe vordering wordt ingesteld wegens feiten die zich sedert de uitspraak voorgedaan hebben.

Uit die gezamenlijk beschouwde bepalingen volgt dat de rechtzoekende de mogelijkheid moet hebben om aan het bevoegde gerecht elk middel voor te leggen dat de wraking van een of meer leden van het gerecht dat uitspraak moet doen, zou kunnen verantwoorden. Dat is eveneens het geval wanneer de rechtzoekende, tussen de dag waarop de vordering tot wraking wordt ingesteld en de dag waarop het gerecht dat over die vordering uitspraak moet doen zijn beslissing wijst, kennis krijgt van nieuwe gegevens die een wrakingsgrond opleveren. Uit artikel 842 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat er, na de uitspraak van een vonnis of van een arrest dat de vordering tot wraking van een rechter heeft verworpen, tegen dezelfde magistraat een nieuwe vordering tot wraking kan worden ingesteld, maar uitsluitend op grond van gegevens die zich na het verwerpend vonnis of arrest hebben voorgedaan.

Uit het onderling verband tussen de voornoemde wetsbepalingen volgt dat de nieuwe gegevens waarvan de rechtzoekende kennis heeft gekregen tussen de dag waarop de vordering tot wraking wordt ingesteld en de dag waarop het gerecht dat over die vordering uitspraak moet doen zijn beslissing wijst, voorgelegd moeten worden aan het gerecht dat uitspraak moet doen over de gegrondheid van die vordering tot wraking.

2. Aangezien de conclusie die de eiser heeft neergelegd een nieuwe wrakingsgrond bevat, weert het arrest ze uit het debat op grond dat "het hof [van beroep] enkel uitspraak mag doen op grond van de middelen die in de wrakingsakte zijn uiteengezet en onderworpen aan de tegenspraak van de betrokken rechter; zij mag geen acht slaan op de conclusie die op de zittingsdag wordt neergelegd".

Het arrest dat beslist dat het geen acht mag slaan op de nieuwe wrakingsgronden die de eiser in zijn conclusie heeft aangevoerd, belet de eiser om aan een gerecht dat alle in artikel 6. 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden vermelde waarborgen vertoont, de nieuwe wrakingsgronden voor te leggen waarvan hij kennis heeft gekregen na de dag waarop de vordering tot wraking is ingesteld (schending van de artikelen 6.1, van dat verdrag en, voor zoveel als nodig, 842 van het Gerechtelijk Wetboek).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens artikel 835 Gerechtelijk Wetboek wordt de vordering tot wraking op straffe van nietigheid ingeleid bij een ter griffie neergelegde akte die de middelen bevat.

Artikel 836, eerste lid, van dat wetboek bepaalt dat de akte van wraking binnen vierentwintig uren door de griffier wordt overhandigd aan de gewraakte rechter. Artikel 836, tweede lid, bepaalt dat deze gehouden is binnen twee dagen onderaan op die akte een verklaring te stellen, luidens welke hij in de wraking berust of weigert zich van de zaak te onthouden, met zijn antwoord op de middelen van wraking.

Volgens artikel 838, tweede lid, van dat wetboek wordt over de wraking binnen acht dagen uitspraak gedaan door de bevoegde rechter, op de conclusie van het openbaar ministerie, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen om hun opmerkingen te horen.

Uit die bepalingen volgt, enerzijds, dat alle wrakingsgronden die op een bepaald ogenblik voorhanden zijn en waarvan de eiser op dat ogenblik kennis draagt, tegelijkertijd moeten worden voorgedragen met dien verstande dat een nieuwe vordering tot wraking niet ontvankelijk is indien zij steunt op feiten waarvan hij reeds kennis droeg toen hij zijn vorige vordering instelde, anderzijds, dat de wrakingsrechter slechts uitspraak kan doen op grond van de middelen die in de wrakingsakte zijn vervat en aan de tegenspraak van de gewraakte rechter zijn voorgelegd. Aanvullende wrakingsmiddelen die zijn aangevoerd in een conclusie die ter rechtszitting of met het oog daarop is neergelegd, zijn bijgevolg niet ontvankelijk.

Artikel 6. 1 EVRM dat, om het recht op een onpartijdige rechter te waarborgen, de toegang tot de wrakingsrechter vrijwaart, verzet zich niet tegen de toepassing van die regels die, aangezien ze de tegenspraak waarborgen over tegen een rechter voorgedragen wrakingsgronden en tot een gefundeerd oordeel kunnen leiden, die toegang niet verhinderen .

Uit het feit dat artikel 842 Gerechtelijk Wetboek naar luid waarvan het vonnis of het arrest dat een vordering tot wraking van een rechter heeft verworpen, niet eraan in de weg staat dat een nieuwe vordering wordt ingesteld wegens feiten die zich sedert de uitspraak hebben voorgedaan, kan niet worden afgeleid dat het, ter vrijwaring van het in voornoemd artikel 6.1 gewaarborgde recht van toegang tot de wrakingsrechter nodig zou zijn om, bij de uitspraak over een eerste wrakingsvordering, middelen die niet werden aangevoerd in de akte waarbij die vordering werd ingesteld en die niet aan de tegenspraak van de gewraakte rechter werden onderworpen, ontvankelijk te verklaren, ook al had de eiser pas na de neerlegging van de wrakingsakte kennis gekregen van de feiten waarop op die middelen gegrond waren.

Het middel faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep;

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Alain Simon en Mireille Delange en in openbare terechtzitting van 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Vordering tot wraking

  • Gronden

  • Tweede vordering

  • Wrakingsgronden bij de eiser bekend op ogenblik van de eerste vordering

  • Ontvankelijkheid