- Arrest van 21 april 2011

21/04/2011 - C.08.0452.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen blijkt dat het niet aan de decretale wetgever staat een delegatie van bevoegdheid van de regering rechtstreeks te verlenen aan een van de leden ervan (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0452.F

GERARDRIE IMMO, nv,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

STAD LUIK,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 20 mei 2008.

Op 22 februari 2011 heeft advocaat-generaal Thierry Werquin een conclusie ter griffie neergelegd.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Thierry Werquin werd in zijn conclusie gehoord.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert vier middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 6, inzonderheid § 1, 1°, 68, 69, 79, 82 en 83 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;

- de artikelen 172, 173, 181, 471 en 474 van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium;

- artikel 1 van het besluit van de Waalse Regering van 27 augustus 2001 tot regeling van de werking van de Regering;

- de artikelen 5 en 6 van het besluit van de Waalse Regering van 27 augustus 2001 tot vaststelling van de verdeling van de ministeriële bevoegdheden en tot regeling van de ondertekening van haar akten;

- de artikelen 1315, 1316, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- algemeen beginsel van het recht van verdediging dat het recht op een tegensprekelijk debat omvat en ook het verbod voor de rechter om melding te maken van een feit dat hij uit eigen wetenschap zou kennen en dat hem niet voorgelegd is het kader van het tegensprekelijk debat;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verwerpt het hoger beroep van de eiseres, verklaart daarentegen het incidenteel hoger beroep van de verweerster gegrond en wijst het volledig toe, bevestigt de beroepen beslissing met de volgende wijzigingen, namelijk dat het: 1. het bedrag van de aan de eiseres verschuldigde volledige vergoeding bepaalt op 1.780.086,84 euro; 2. aan de verweerster akte verleent van haar voorstel om de eiseres voor een bedrag van 1.920.000 euro te vergoeden; 3. de eiseres veroordeelt om, met toepassing van artikel 21 van de wet van 26 juli 1962, aan de verweerster de burgerlijke vruchten te betalen die overeenkomstig die bepaling zijn berekend, naast de moratoire interest op het geheel te rekenen van de datum van het arrest, en veroordeelt haar in de appelkosten van de verweerster, zijnde 15.000 euro. Het baseert die beslissingen op de onderstaande gronden:

"Artikel 3 van het besluit van de Waalse Regering van 27 augustus 2001 tot vaststelling van de verdeling van de ministeriële bevoegdheden en tot regeling van de ondertekening van haar akten bepaalt dat minister Daerden, minister van Begroting, Huisvesting, Uitrusting en Openbare Werken, bevoegd is voor ‘de stadsvernieuwing, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, I, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen'. Artikel 6 van hetzelfde besluit vermeldt dat minister Foret, minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu, bevoegd is voor ‘de ruimtelijke ordening, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, I, van de wet, met uitzondering van 3°, 4° en 7°; de sanering van de afgedankte bedrijfsruimten; het leefmilieu, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, II, van de wet, met inbegrip van het waterbeleid; de erkenning van ondernemers; het beheer van de rijkdommen van de ondergrond'.

De parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen vermeldt: ‘De stadskernvernieuwing (...) omvat de hernieuwing van de stadskernen op het vlak van de huisvesting, van de wegen, van de inrichting en de bescherming van de omgeving, alsook van de instandhouding of de bevordering van daarmee verband houdende activiteiten' (bijzondere wet van 8 augustus 1980, memorie van toelichting, Senaat, [1979-1980], nr. 434/1, p. 12).

Artikel 172, § 1, van het WWROSP luidt als volgt: "Stadheroplevingsoperaties beogen de verbetering en de geïntegreerde ontwikkeling van de huisvesting binnen een bepaald gebied, met inbegrip van de handels- en dienstenfuncties, d.m.v. overeenkomsten die tussen de gemeente en de privé-sector worden gesloten'. Een stadsheroplevingsoperatie is wel degelijk een stadsvernieuwingsoperatie in de zin van de wet van 8 augustus 1980, namelijk het voeren van een voluntaristisch beleid voor de herwaardering van oude stadskernen in het kader waarvan de gemeente een partnerschap aangaat met de privésector met de bedoeling om in een welbepaald gebied de woongelegenheid te promoten, te bewaren, te verbeteren, te renoveren, te bouwen of te herbouwen en aan het Waalse Gewest subsidies kan aanvragen die de kosten dekken voor de aanleg van het openbaar domein (memorie van toelichting bij het decreet van 20 december 1990 met betrekking tot de wederopleving van de stedelijke centra, Doc. cons. rég. wall., zitting 1989-1990, 185, nr. 1).

Het gaat om een welomschreven en strikt afgebakend vastgoedproject (memorie van toelichting bij voorontwerp van decreet tot wijziging van de artikelen 11 en 127 van het WWROSP; zie ook P. Haumont, L'urbanisme en région wallonne, p. 446, nrs. 352-359). Het onderscheid dat het WWROSP maakt tussen de begrippen stads‘heropleving' en -‘vernieuwing' heeft uitsluitend betrekking op de wijze waarop die beide soorten projecten worden opgezet. De in artikel 173 van het WWROSP bedoelde ‘vernieuwing' betreft immers een globaal overlegde actie die van de gemeente uitgaat en de herstructurering, sanering of vernieuwing van een stadsgebied beoogt met gewestsubsidies maar zonder partnerschap met de privésector.

In deze zaak moet worden vastgesteld dat de voltallige Waalse regering op 6 december 2001, met toepassing van artikel 69 van de voornoemde bijzondere wet van 8 augustus 1980 heeft ingestemd met de stadsvernieuwingsoperatie en de uitvoering ervan heeft toevertrouwd [aan de minister] die bevoegd is voor ‘de stadsvernieuwing, namelijk minister Daerden. De ministeriële besluiten van 21 september 2001 en van 21 mei 2002 die het gebied van stadsheropleving goedkeuren en toestaan dat de onteigeningsprocedure wordt aangewend, zijn overeenkomstig de toepasselijke wetsbepalingen uitgevaardigd door de bevoegde overheid".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen heeft onder meer de bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening, stedenbouw en stadsvernieuwing naar het Waals Gewest overgeheveld; die aangelegenheden vielen oorspronkelijk onder verschillende bevoegdheidsniveaus.

Vervolgens werd stadsvernieuwing opgenomen in het domein van de ruimtelijke ordening en in het bijzonder geregeld door artikel 173 van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium, dat hoofdstuk III van boek II van dat wetboek vormt en dat ze, in paragraaf 1 omschrijft als zijnde "een globaal overlegde actie die van de gemeente uitgaat en de herstructurering, sanering of vernieuwing van een stadsgebied beoogt om er het behoud of de toename van de plaatselijke bevolking te bevorderen en om de sociale, economische en culturele functie te stimuleren met inachtneming van de eigen culturele en architecturale kenmerken".

Stadsheropleving is een totaal andere operatie. Dat begrip werd ingevoerd door het Waalse decreet van 20 december 1990, waarop artikel 172 van het WWROSP, dat hoofdstuk II van boek II van dat wetboek vormt, doelt en dat bepaalt dat "stadsheroplevingsoperaties (...) de verbetering en de geïntegreerde ontwikkeling van de huisvesting binnen een bepaald gebied (beogen), met inbegrip van de handels- en dienstenfuncties, d.m.v. overeenkomsten die tussen de gemeente en de privésector worden gesloten".

Artikel 181 van het WWROSP dat betrekking heeft op onteigening ten algemene nutte waartoe het Gewest kan besluiten in het kader van ruimtelijke ordening en stedenbouw, maakt een perfect onderscheid tussen het geval van het "gebied van stadsheropleving" en dat van het "gebied van stadsvernieuwing".

Bovendien is de procedure voor de goedkeuring van een stadsheroplevingsoperatie heel bijzonder en wordt zij geregeld door de artikelen 471 en volgende van het WWROSP, die niets te maken hebben met stadsvernieuwing. Dat artikel 471 luidt immers als volgt:

"Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient te worden verstaan onder:

1° minister: de minister van het Waalse Gewest tot wiens bevoegdheden ruimtelijke ordening behoort;

2° (...)

3° privaatrechtelijke persoon: de privaatrechtelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, houder van een recht van eigendom, vruchtgebruik, erfpacht of oppervlakte op een onroerend goed gelegen in een wederoplevingsomtrek".

Artikel 474, tweede lid, preciseert daarbij: "de administratie draagt het volledige dossier over aan de executieve die haar beginselakkoord geeft".

Een stadsvernieuwingsoperatie en een stadsheroplevingsoperatie mogen niet met elkaar worden verward en overlappen elkaar niet. Ze hebben een verschillend voorwerp, worden op een verschillende wijze uitgevoerd en afgewerkt, worden op een totaal andere wijze gefinancierd, komen via andere middelen tot stand, inzonderheid wat de subsidiëring door de overheid betreft, en hebben trouwens niet dezelfde doelstelling.

Om het tegendeel te beweren, gaat het arrest er ten onrechte van uit dat het zich kan baseren op de parlementaire voorbereiding van het Waals decreet van 20 december 1990 met betrekking tot de wederopleving van de stedelijke centra en van het decreet dat de artikelen 11 en 127 van het WWROSP heeft gewijzigd, alsook op de parlementaire voorbereiding van artikel 6 van de wet tot hervorming van de instellingen.

De artikelen 172, die worden toegelicht door de artikelen 471 en 474, en 173, in het licht van artikel 181 van het WWROSP, zijn duidelijk en maken een heel strikt onderscheid tussen de stadsheroplevings- en de stadsvernieuwingsoperatie. De eerste is immers geen bijzondere categorie van de tweede, zodat de parlementaire voorbereiding van die bepalingen niet tegen de tekst ervan kan worden aangevoerd en twee regelingen waartussen de wet een onderscheid maakt, niet met elkaar verward mogen worden.

Bijgevolg is een onteigeningsmachtiging in het raam van een stadsheroplevingsoperatie slechts geldig als zij uitgaat van de bevoegde overheid en wordt toegekend volgens de vormvereisten waarin de wet voorziet. Een administratieve handeling of een ministerieel of ander besluit die uitgevaardigd zijn door een overheid die niet bevoegd is om ze goed te keuren, is immers volstrekt nietig aangezien de regel de openbare orde raakt.

Artikel 79 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen luidt echter als volgt: "Onverminderd § 2, kunnen de Regeringen overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet, met inachtneming van de bij de wet vastgestelde gerechtelijke procedures en van het principe van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling bepaald bij artikel (16) van de Grondwet". Zowel krachtens die bepaling als krachtens artikel 6, § 1, I, 1°, van dezelfde wet en artikel 181 van het WWROSP is de Waalse regering dus gemachtigd om met het oog op een goede ruimtelijke ordening, en meer bepaald op de stadsheropleving, procedures voor onteigening ten algemene nutte in te stellen en daarbij de spoedprocedure te hanteren, met inachtneming van de ter zake toepasselijke wettelijke bepalingen en van de bevoegdheden die de wet verleent aan degene die de noodzakelijke machtigingen opstelt.

Hoewel de wet betreffende de hervorming der instellingen dienaangaande aan het Gewest enkel bevoegdheid verleent voor ruimtelijke ordening en stedenbouw en bovendien voor stadsvernieuwing, kent het WWROSP die bevoegdheid m.b.t. de stadsheropleving bij uitsluiting toe aan de minister van ruimtelijke ordening (artikelen 471-474 van het WWROSP).

Uit het onderling verband tussen de artikelen 68, 69, 82 en 83 van de wet van 8 augustus 1980 volgt dat het Gewest wordt vertegenwoordigd door zijn regering die haar functies collegiaal uitoefent, behalve in de gevallen waarin een bijzondere delegatie is toegestaan aan een regeringslid met het oog op de goedkeuring van een bijzondere regel en tenzij, zoals artikel 83, § 3, zegt, "de bevoegdheden toegewezen aan een Minister bij wet, bij decreet of bij koninklijk besluit, worden uitgeoefend door de Regering, telkens als het om een zaak gaat die tot de bevoegdheid van deze laatste behoort".

De door artikel 69 van de bijzondere wet toegestane delegatie van macht (die samenvalt met de delegatie van bevoegdheid) is noodzakelijkerwijs slechts voor een beperkende uitlegging en toepassing vatbaar aangezien zij afwijkt van de algemene regel dat alle machten van het Gewest collegiaal door zijn regering worden uitgeoefend.

De Waalse regering heeft bij besluit van 27 augustus 2001 de dienstige delegaties vastgelegd, haar werking geregeld en daarbij evenwel het collegialiteitsbeginsel benadrukt, behoudens uitdrukkelijke, en bijgevolg, noodzakelijkerwijs beperkte en voor strikte uitlegging vatbare, delegatie (besluit van de Waalse regering van 27 augustus 2001 tot regeling van de werking van de Regering).

Nog steeds bij besluit van 27 augustus 2001, maar nu tot vaststelling van de verdeling van de ministeriële bevoegdheden en tot regeling van de ondertekening van de akten van de regering, werden de bevoegdheden tussen de ministers Daerden, minister van Begroting, Huisvesting, Uitrusting en Openbare Werken, en Foret, minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu, als volgt verdeeld:

a) volgens artikel 5 werden aan minister Daerden de volgende bevoegdheden verleend:

- de begroting, de financiën en de schatkist;

- de huisvesting, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, IV, van de wet van 8 augustus 1980;

- de stadsvernieuwing, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, I, 4°, van de wet (van 8 augustus 1980);

- de openbare werken, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, X, 1° tot 6°, van die wet;

- de cartografie;

- het patrimonium, met inbegrip van de monumenten en landschappen, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, I, 7°, van de wet;

- de grote kunstwerken zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 2 februari 1993 tot overdracht van de waterwegen aan de Gewesten;

- wat lichamelijke opvoeding, sport en openluchtleven betreft, de gemeentelijke, provinciale en intercommunale infrastructuren;

b) artikel 6 heeft aan minister Foret onder andere de bevoegdheid toegekend inzake de ruimtelijke ordening, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, I, 1°, van de wet van 8 augustus 1980, met uitzondering van 3°, 4° en 7°, namelijk de stedenbouw en de ruimtelijke ordening (1°), de rooiplannen van de gemeentewegen (2°), De vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimtes (5°) en het grondbeleid (6°).

Enkel de stadsvernieuwing, in de zin van artikel 173 van het WWROSP werd toegekend aan de minister van Begroting. De overige materies van de ruimtelijke ordening, waaronder de stadsheropleving in de zin van de artikelen 172, 471 en 474 van het WWROSP daarentegen behoren immers bij uitsluiting tot de bevoegdheid van minister Foret, die verantwoordelijk is voor die portefeuille.

Bijgevolg was, in die specifieke materie, enkel de minister van Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw wettelijk bevoegd om de heroplevingsoperatie voor het gebied "La Gérardrie" in Luik goed te keuren en de onteigeningsmachigingen te verlenen.

Het arrest dat de exceptie van onwettigheid verwerpt die de eiseres had opgeworpen tegen de ministeriële besluiten van 21 december 2001 en 21 maart 2002 wegens onbevoegdheid van de steller ervan, minister Daerden, belast met de begroting en de openbare werken, en krachtens een bijzondere wettelijke bepaling, met de stadsvernieuwing, terwijl de operatie die geleid heeft tot de onteigening van het goed van de eiseres deel uitmaakte van een project voor de heropleving van een stedelijk gebied, een materie die bij uitsluiting behoorde tot de bevoegdheid van de minister van Ruimtelijke Ordening en niet uitdrukkelijk uit die bevoegdheid was uitgesloten, en dat beslist dat die stadsheroplevingsoperatie gelijkstaat met een stadsvernieuwingsoperatie zodat de minister die in laatstgenoemde materie beslissingsbevoegdheid had eveneens bevoegd was voor de stadsheropleving, en het litigieuze plan betreffende de Gérardrie in Luik rechtsgeldig had goedgekeurd en de verweerster toestemming had gegeven om het pand van de eiseres te onteigenen, schendt in dat opzicht alle in het middel aangewezen bepalingen, behalve de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, miskent het in het middel aangewezen algemeen rechtsbeginsel en schendt artikel 149 van de Grondwet.

Tweede onderdeel

Het arrest zegt weliswaar dat de stadsheroplevingoperatie voor het gebied "La Gérardrie" goedgekeurd is bij een collegiale beslissing van 6 december 2001 van de Waalse regering die minister Daerden aanwees om die operatie goed te keuren en de aangepaste onteigeningsmachtigingen te verlenen, waaronder die voor de onteigening van het pand van de eiseres, zodat de daaruit volgende besluiten van de minister noodzakelijkerwijs rechtsgeldig zouden zijn, aangezien ze slechts de uitvoering zouden zijn van de beslissing van de Waalse regering.

Enerzijds echter staan de artikelen 5 en 6 van het besluit van de Waalse Regering van 27 augustus 2001 de Waalse regering niet toe, ook al beslist zij collegiaal, aan een minister een bevoegdheid te verlenen die de wet hem niet geeft en was de minister van Begroting en Openbare Werken, die bevoegd was voor problemen inzake stadsvernieuwing, niet bevoegd voor de in de artikelen 172 en 474 van het WWROSP bedoelde stadsheropleving.

Anderzijds volgt uit geen enkel stuk van het dossier waarop het Hof vermag acht te slaan dat de voltallige Waalse regering een dergelijke beslissing zou hebben genomen op 6 december 2001 en dat over die beslissing een tegensprekelijk debat zou zijn gevoerd.

Noch de eiseres noch de verweerster hebben de tekst van een dergelijke beslissing voorgelegd aan het hof van beroep. Noch syntheseconclusie in hoger beroep, noch de inventarissen die bij die conclusie zijn gevoegd, verwijzen ergens naar die vermeende beslissing van 6 december 2001.

Bovendien maken noch het gewestelijk ministerieel besluit van 21 december 2001 tot goedkeuring van het heroplevingsgebied, noch het gewestelijk ministerieel besluit van 21 mei 2002 tot machtiging van de onteigening van het pand van eiseres gewag van die collegiale beslissing van de Waalse regering van 6 december 2001.

Daaruit volgt dat het arrest dat beslist dat de voltallige Waalse regering op 6 december 2001 het heroplevingsproject van het gebied Gérardrie had goedgekeurd en de uitwerking van die goedkeuring en van dat project had toevertrouwd aan minister Daerden, een feit aanvoert waarover geen tegensprekelijk debat werd gevoerd (miskenning van het recht van verdediging van de eiseres), gewag maakt van een omstandigheid die, aangezien de partijen ze niet aan de appelrechters hebben voorgelegd en aangezien zij niet algemeen bekend was, het hof uit eigen wetenschap heeft kunnen kennen, niet alleen het recht van verdediging miskent maar ook de regels betreffende de bewijslast in burgerlijke zaken (artikelen 1315 en 1316 van het Burgerlijk Wetboek), en de bewijskracht miskent van de syntheseconclusie in hoger beroep van de eiseres en van de verweerster, alsook van de bij die conclusies gevoegde inventarissen die geen gewag maken van die beslissing van 6 december 2001, en bovendien de bewijskracht miskent van het gewestelijk ministerieel besluit van 21 december 2001 dat het gebied voor de stadsheroplevingsoperatie Gérardrie in Luik goedkeurt en dat van 21 mei 2002 tot machtiging van de onteigening ten algemenen nutte van de onroerende goederen in de rue Saint-Denis in Luik, aangezien noch het ene noch het andere evenmin gewag maken van het bestaan van die collegiale beslissing van de Waalse regering van 6 december 2001 (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

Op zijn minst schendt het artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 1 van het besluit van de Waalse Regering van 27 augustus 2001 tot regeling van de werking van de Regering en de artikelen 5 en 6 van het besluit van de Waalse Regering van 27 augustus 2001 tot vaststelling van de verdeling van de ministeriële bevoegdheden door aan de Waalse regering een bijzondere delegatiebevoegdheid toe te kennen die zij niet langer bezat.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 6, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zijn de aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet, wat de ruimtelijke ordening betreft, 1° de stedenbouw en de ruimtelijke ordening en 4° de stadsvernieuwing.

2. Artikel 173, § 1, eerste lid, van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium, zoals het werd gewijzigd bij het decreet van 27 november 1997, bepaalt dat stadsvernieuwing een globaal overlegde actie is die van de gemeente uitgaat en de herstructurering, sanering of vernieuwing van een stadsgebied beoogt om er het behoud of de toename van de plaatselijke bevolking te bevorderen en om de sociale, economische en culturele functie te stimuleren met inachtneming van de eigen culturele en architecturale kenmerken.

Volgens artikel 173, § 1, tweede lid, van dat wetboek beoogt de stadsvernieuwing het behoud en de verbetering van de huisvesting d.m.v. één of meer van de volgende werkzaamheden:

1. de vernieuwing of de bouw van woningen;

2. de bouw of de verbetering van gemeenschappelijke uitrustingen zoals bepaald door de Regering;

3. de inrichting of verfraaiing van groene ruimtes;

4. de bouw of verfraaiing van gebouwen voor handels- of dienstenactiviteiten.

Luidens artikel 173, § 2, eerste lid, kan het Gewest een gemeente een subsidie verlenen wanneer zij een stadsvernieuwingsoperatie uitvoert.

3. Artikel 172, § 1, bepaalt dat stadsheroplevingsoperaties de verbetering en de geïntegreerde ontwikkeling van de huisvesting binnen een bepaald gebied beogen, met inbegrip van de handels- en dienstenfuncties, d.m.v. overeenkomsten die tussen de gemeente en de privésector worden gesloten.

Artikel 172, § 2, bepaalt dat, wanneer één of meer privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen een overeenkomst sluiten in het kader van de stadsheropleving, het Gewest, onder de door de Regering bepaalde voorwaarden, de gemeente een subsidie kan verlenen die voor 100 % de kosten dekt van :

1. inrichtingen van het openbaar domein i.v.m. :

a. de uitrusting of de aanleg van wegen, rioleringen, openbare verlichting, distributienetwerken en omgeving;

b. de inrichting van groene ruimtes;

c. stadsuitrusting voor gemeenschappelijk gebruik, zoals bepaald door de Regering;

2. de honoraria van de ontwerper van de inrichtingen van het openbaar domein, onder de door de Regering bepaalde voorwaarden.

4. Blijkens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van het decreet van 27 november 1997 past de stadsheropleving, die wordt opgevat als een bijzondere manier om de stadsvernieuwing te realiseren, binnen het in die bijzondere wet bedoelde begrip stadsvernieuwing.

5. Artikel 68 van de wet bepaalt dat elke Regering, onverminderd de bepalingen van die wet, haar werkwijze regelt.

Artikel 69 bepaalt dat elke Regering, onverminderd de door haar toegestane delegaties, collegiaal beraadslaagt, volgens de in Ministerraad toegepaste procedure van de consensus, over alle zaken die tot haar bevoegdheid behoren.

Uit die bepalingen volgt dat het niet aan de decreetgever staat rechtstreeks een delegatie van bevoegdheid van de regering aan een van haar leden toe te kennen.

Daaruit volgt dat, krachtens het legaliteitsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel van de normenhiërarchie, die allebei grondwettelijke waarde hebben en waarvan artikel 159 van de Grondwet een bijzondere verwoording vormt, de hoven en rechtbanken verplicht zijn de toepassing van de artikelen 471 tot 474 van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium uit te sluiten in zoverre ze, in strijd met de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de bevoegdheid betreffende de stadsheropleving toekennen aan de minister van het Waals Gewest die bevoegd is voor de ruimtelijke ordening.

6. Het arrest dat vaststelt dat "artikel 3 van het besluit van de Waalse gewestregering van 27 augustus 2001 [...] bepaalt dat minister Daerden [...] bevoegd is voor de stadsvernieuwing [...] zoals bedoeld in artikel 6, § 1, I, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980" en oordeelt dat voornoemd begrip de stadsheropleving omvat, verantwoordt bijgevolg naar recht zijn beslissing dat "de ministeriële besluiten van 21 september 2001 en van 21 mei 2002 die het gebied van stadsheropleving goedkeuren en toestaan dat de onteigeningsprocedure wordt aangewend, [...] uitgevaardigd [zijn] door de bevoegde overheid", zijnde die minister.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Aangezien het arrest, op de gronden waarop het eerste onderdeel tevergeefs kritiek uitoefent, zijn beslissing naar recht verantwoordt, kan de kritiek tegen de vaststelling dat "dat de voltallige Waalse regering op 6 december 2001 [...] heeft ingestemd met de stadsvernieuwingsoperatie en de uitvoering ervan heeft toevertrouwd aan de minister die bevoegd is voor de stadsvernieuwing" niet tot de vernietiging van die beslissing leiden en heeft zij bijgevolg geen belang.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 21 april 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gewest

  • Stedenbouw

  • Ruimtelijke ordening

  • Stadsvernieuwing

  • Stadsheroplevering

  • Gewestbevoegdheid

  • Wijze van uitoefening

  • Regeling

  • Bevoegdheid