- Arrest van 26 april 2011

26/04/2011 - P.11.0700.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Vermits de waarborgen, waarmee de vrijheidsberoving met het oog op een eventuele overlevering krachtens artikel 11 Wet Europees Aanhoudingsbevel is omringd, in hoge mate gelijklopend zijn met die waarin is voorzien in de Voorlopige Hechteniswet en de vordering tot overlevering spoedeisend is en de uitspraak over die vordering slechts een voorlopig karakter heeft, moet een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de bestaanbaarheid van de artikelen 16, § 1, en 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet worden gesteld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0700.N

D M,

aangehouden krachtens een Europees aanhoudingsbevel,

eiser,

met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 april 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.4, 6.1 en 6.3.d EVRM, artikel 10 Wet Europees Aanhoudingsbevel en artikel 2 Voorlopige Hechteniswet: de kamer van inbeschuldigingstelling stelt onterecht geen bevoegdheid te hebben de rechtmatigheid van een vrijheidsbeneming te toetsen in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel; de eiser moet de mogelijkheid hebben na te gaan of het onderzoek dat naar hem werd gevoerd, en zijn vrijheidsberoving rechtmatig en correct zijn verlopen, het desbetreffende dossier in te zien, hierover tegenspraak te voeren en desnoods een getuige te doen horen.

2. Artikel 6 EVRM is van toepassing voor de rechter die uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering, wat niet het geval is voor de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de uitvoerbaarheid van een Europees aanhoudingsbevel.

In zoverre faalt het middel naar recht.

3. Krachtens artikel 9 Wet Europees Aanhoudingsbevel, is het Europees aanhoudingsbevel een aanhoudingstitel.

De aanhouding van een gezochte persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel is krachtens artikel 10 Wet Europees Aanhoudingsbevel onderworpen aan artikel 2 Voorlopige Hechteniswet.

Krachtens artikel 11 Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt de betrokken persoon binnen vierentwintig uur na zijn effectieve vrijheidsberoving voor de onderzoeksrechter gebracht, die hem met name in kennis stelt van het bestaan en de inhoud van het Europees aanhoudingsbevel en van zijn recht om een advocaat en een tolk te kiezen. De onderzoeksrechter hoort vervolgens de betrokken persoon omtrent zijn eventuele hechtenis en de opmerkingen die hij ter zake formuleert.

Na het verhoor kan de onderzoeksrechter gelasten dat betrokkene op grond van het Europees aanhoudingsbevel en rekening houdend met de daarin, alsook de door betrokkene vermelde feitelijke omstandigheden in hechtenis wordt geplaatst of blijft.

De beslissing van de onderzoeksrechter om een gezochte persoon in hechtenis te nemen met het oog op de instelling van strafvervolging ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijk bevel dat beantwoordt aan de vereisten gesteld in artikel 5.4 EVRM.

Artikel 11, § 7, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat tegen de door artikel 11, § 3, van deze wet bedoelde beschikking van de onderzoeksrechter geen rechtsmiddel openstaat.

De kamer van inbeschuldigingstelling die met toepassing van artikel 14, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel uitspraak doet, heeft enkel te oordelen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. De beschikking van de onderzoeksrechter waarbij overeenkomstig artikel 11, § 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel de hechtenis wordt bevolen, is niet aanhangig en de kamer van inbeschuldigingstelling heeft geen rechtsmacht om over de regelmatigheid van die beschikking uitspraak te doen.

Het middel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre eveneens naar recht.

4. In zoverre het middel betrekking heeft op eisers vrijheidsberoving, is het middel niet gericht tegen het bestreden arrest.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, artikel 10 Wet Europees Aanhoudingsbevel en artikel 2 Voorlopige Hechteniswet: in het kader van de Voorlopige Hechteniswet heeft de verdachte de mogelijkheid na te gaan of zijn vrijheidsberoving rechtmatig is verlopen; het arrest dat de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling het recht ontzegt de rechtmatigheid van de aanhouding in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te beoordelen, schendt het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel van de artikelen 10 en 11 Grondwet; in ondergeschikte orde verzoekt de eiser het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schenden de artikelen 16, § 1, en 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel de artikelen 10 en 11 Grondwet in zoverre zij samengelezen zowel aan de raadkamer als aan de kamer van inbeschuldigingstelling de rechtsmacht ontnemen zich uit te spreken over de rechtmatigheid van de vrijheidsberoving in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel daar waar voormelde onderzoeksgerechten zich wel over de rechtmatigheid van de vrijheidsberoving kunnen uitspreken in het kader van de Voorlopige Hechteniswet?"

6. Het middel is geheel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde verdrags- en wetschendingen.

In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden en is het mitsdien niet ontvankelijk.

7. Behalve wanneer ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel met een van de in § 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Hof aanhangig is, is een rechtscollege krachtens artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof zowel in het geval de vordering spoedeisend is en de uitspraak over de vordering slechts een voorlopig karakter heeft, als in het geval het een procedure ter beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis betreft, er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen.

8. De waarborgen waarmee de vrijheidsberoving met het oog op een eventuele overlevering krachtens artikel 11 Wet Europees Aanhoudingsbevel is omringd en die in het antwoord op het eerste middel werden beschreven, zijn in hoge mate gelijklopend met die waarin is voorzien in de Voorlopige Hechteniswet.

Vermits de vordering tot overlevering spoedeisend is en de uitspraak over de vordering slechts een voorlopig karakter heeft, moet de prejudiciële vraag niet worden gesteld.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 66,53 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 26 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Vrijheidsberoving met het oog op overlevering

  • Toezicht op de wettigheid

  • Bestaanbaarheid van de artikelen 16, § 1 en 17, § 4 Wet Europees Aanhoudingsbevel met de Grondwet

  • Prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof

  • Verplichting van het Hof van Cassatie