- Arrest van 26 april 2011

26/04/2011 - P.10.1972.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bijzondere motiveringsplicht van artikel 195 Wetboek van Strafvordering vereist niet dat bij een veroordeling wegens lidmaatschap van een criminele organisatie, naast de artikelen 324bis en 324ter Strafwetboek die de bestanddelen van het misdrijf en de daarop gestelde straf bevatten, daarenboven ook artikel 483 Strafwetboek wordt vermeld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1972.N

J C,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Luc Van Damme, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 november 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart het verzet van de eiser tegen het verstekarrest van 1 april 2010 niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen dat onderdeel van het verstekarrest waarbij hij werd vrijgesproken voor de hem ten laste gelegde feiten III.

Het verklaart bovendien voor zoveel als nodig het hoger beroep van de eiser tegen het vonnis van 21 juni 2007 niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen dat onderdeel waarbij hij werd vrijgesproken voor de feiten van de telastlegging III.

In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen deze beslissingen, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 140 (lees: 149) Grondwet, de artikelen 246, § 1 tot § 4, 324bis en 483 Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de motiveringsplicht: het arrest stelt niet vast dat er gebruik werd gemaakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of dat een commerciële of andere structuur werd aangewend om het plegen van misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, terwijl de eiser wist dat zijn deelneming heeft bijgedragen tot de oogmerken van deze criminele organisatie (artikel 324bis Strafwetboek in de versie vóór de wijziging bij de wet van 10 augustus 2005); het arrest verwijst evenmin naar de wettelijke definities van bedreiging, geweld en corruptie (artikelen 246, § 1 tot § 3, en 483 Strafwetboek); het stelt niet vast of alle bestanddelen van artikel 324bis Strafwetboek, zowel in de omschrijving vóór als na de wijziging bij wet van 10 augustus 2005, aanwezig waren; de loutere verwijzing naar de motieven van de eerste rechter is evenmin voldoende.

3. Het middel wijst artikel 246 Strafwetboek als geschonden aan zonder nauwkeurig aan te geven hoe en waardoor het arrest die bepaling schendt.

In zoverre is het middel onduidelijk, mitsdien niet ontvankelijk.

4. Het arrest diende geen melding te maken van artikel 246 Strafwetboek vermits het er geen toepassing van maakte.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie, omkleedt de rechter zijn beslissing dat de feiten van de telastlegging II.A, meer bepaald leidend persoon van een criminele organisatie, bewezen zijn, regelmatig met redenen door te oordelen dat de aan de eiser verweten en in de bewoordingen van de wet omschreven feiten, bewezen zijn, zowel in de omschrijving vóór als na de wet van 10 augustus 2005, wat de rechters onder meer met verwijzing naar de redenen van de eerste rechter vermochten te doen en hebben gedaan.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

6. Een beslissing waarbij een veroordeling op de strafvordering wordt uitgesproken, is naar recht met redenen omkleed wanneer hetzij in de eigen redengeving, hetzij door verwijzing naar de beroepen beslissing de wetsbepalingen worden aangegeven waarin de bestanddelen van het tegen de beklaagde bewezen verklaarde misdrijf worden vermeld, evenals die waarbij op dat misdrijf straf is gesteld.

Het arrest verwijst naar de artikelen 324bis en 324ter Strafwetboek, zowel in de versie vóór als na de wet van 10 augustus 2005.

De bijzondere motiveringsplicht van artikel 195 Wetboek van Strafvordering vereist niet dat bij een veroordeling wegens lidmaatschap van een criminele organisatie, naast de artikelen 324bis en 324ter Strafwetboek die de bestanddelen van het misdrijf en de daarop gestelde straf bevatten, daarenboven ook artikel 483 Strafwetboek wordt vermeld.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 140 (lees: 149) Grondwet, artikel 65 Strafwetboek, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van de motiveringsplicht en van het gezag van gewijsde: het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank te Tongeren van 24 december 2008 oordeelt dat de feiten waarover het diende te oordelen, gepleegd werden met eenzelfde opzet met de thans te beoordelen feiten; het bestreden arrest dat oordeelt dat die feiten niet met eenzelfde opzet werden gepleegd, miskent de bewijskracht en het gezag van gewijsde van dit vonnis; het arrest kon evenmin verwijzen naar de motieven van het beroepen vonnis van 21 juni 2007 dat gewezen werd toen de rechter nog geen kennis kon hebben van het vonnis van 24 december 2008.

8. Het komt de rechter die moet oordelen over de schuld van de beklaagde aan de aan hem overgelegde feiten, toe ook te oordelen of er tussen die feiten en andere feiten waarvoor die beklaagde reeds definitief veroordeeld werd, eenheid van opzet bestaat.

Het middel dat ervan uitgaat dat die rechter bij die beoordeling van de eenheid van opzet zou gebonden zijn door het oordeel van een andere rechter, faalt in zoverre naar recht.

9. De schending van de bewijskracht van een akte betreft de uitlegging van de bewoording daarvan, eventueel in samenhang met de stukken naar dewelke die akte verwijst. Ze betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de door hem uitgelegde akte maakt.

In zoverre het middel berust op een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

10. Het arrest geeft van het vonnis van de correctionele rechtbank te Tongeren van 24 december 2008 een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

11. In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de rechter dat de misdrijven waarover hij dient te oordelen, niet verbonden zijn door eenheid van opzet met andere misdrijven waarvoor de beklaagde reeds definitief werd veroordeeld, is het niet ontvankelijk.

12. Anders dan het middel aanvoert, mogen de appelrechters eisers verweer beantwoorden door overneming van de redenen van het beroepen vonnis.

In zoverre faalt het middel naar recht.

13. Met de redenen die het arrest (p. 17) bevat, beantwoorden de appelrechters eisers verweer en verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

14. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, artikel 140 (lees: 149) Grondwet, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de eiser werd op 24 september 2003 door de Duitse overheid uitgeleverd; op dat ogenblik was het onderzoek praktisch rond; hij werd in voorlopige vrijheid gesteld op 16 december 2003; de procedure zou vervolgens nog zeven jaar in beslag nemen vooraleer een definitieve beslissing viel; aldus konden de appelrechters niet oordelen dat de redelijke termijn niet overschreden was.

15. De beoordeling van het wel of niet overschrijden van de redelijke termijn vergt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre daartoe grond bestaat, gaat het Hof slechts na of de rechters uit het verloop van de rechtspleging, zoals zij die beoordelen, wettig vermogen af te leiden dat de redelijke termijn wel of niet overschreden is.

16. Op grond van het geheel van de feitelijke redenen die het arrest vermeldt (p. 11), beantwoorden de appelrechters eisers verweer en vermogen zij wettig te oordelen dat de tegen de eiser ingestelde strafvervolging binnen een redelijke termijn is behandeld.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

17. Het middel voert schending aan van artikel 140 (lees: 149) Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel: de eiser werd uitgeleverd door de Duitse overheid op 24 september 2003 en vervolgens in vrijheid gesteld op 16 december 2003; op 23 november 2004 werd hij op grond van een Europees aanhoudingsbevel door de Nederlandse overheid overgeleverd voor andere feiten; hij kon aldus niet worden vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid worden beroofd wegens een ander vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft; het arrest dat dit verweer verwerpt, schendt artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel.

18. Overeenkomstig artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering kunnen de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, niet meer opgeworpen worden voor de feitenrechter, behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer ze zijn ontstaan na het debat voor de kamer van inbeschuldigingstelling. Wel zijn de bepalingen van deze paragraaf van artikel 235bis niet van toepassing ten aanzien van de partijen die pas na de verwijzing naar het vonnisgerecht in de rechtspleging betrokken zijn, behalve indien de stukken uit het dossier worden verwijderd overeenkomstig artikel 131, § 2, of overeenkomstig artikel 235bis, § 6.

19. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de eiser in conclusie voor de kamer van inbeschuldigingstelling bij het hof van beroep te Antwerpen "voorbehoud (heeft gemaakt) aangaande huidige vervolgingen nu hij op 23 november 2004 door Nederland aan België uitgeleverd werd voor wel bepaalde feiten die zouden plaatsgevonden hebben tussen 15.12.2003 en 16.01.2004 doch niet voor de feiten waarvoor thans de verwijzing wordt gevraagd (schending van het specialiteitsbeginsel)";

- de kamer van inbeschuldigingstelling bij arrest van 29 september 2006 heeft geoordeeld dat de eiser door Duitsland aan België werd uitgeleverd op 24 september 2003 voor al de feiten waarop de huidige vervolgingen betrekking hebben zodat hij voor geen andere feiten wordt vervolgd dan deze waarvoor de uitlevering is toegestaan;

- de eiser geen cassatieberoep heeft ingesteld tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 29 september 2006.

Aldus kon hij dit verweer niet meer voeren voor de feitenrechter.

Het middel dat gericht is tegen een overtollige reden, is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 107,28 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 26 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Motivering in rechte

  • Strafvordering

  • Veroordeling

  • Lidmaatschap van een criminele organisatie

  • Vermelding van de wettelijke bepalingen