- Arrest van 27 april 2011

27/04/2011 - P.11.0288.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De van het gemeen recht afwijkende verjaringstermijn van drie maanden, die toepasselijk is op de strafvordering wegens laster of belediging jegens openbare ambtenaren, is niet toepasselijk wanneer die wanbedrijven zijn gericht tegen ambtenaren wegens feiten uit hun privé-leven (1). (1) J. LECLERCQ, 'Atteintes portées à l'honneur ou à la considération des personnes', Les Novelles, Droit pénal, t. IV, Brussel, Larcier, 1989, nr. 7407; A. LORENT, 'Atteintes portées à l'honneur ou à la considération des personnes', in Droit pénal et procédure pénale, t. I., Brussel, 2001, nr. 231; A. DE NAUW, Initiation au droit pénal spécial, Waterloo, Kluwer, 2008, p. 361.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0288.F

J. N.,

Mr. Cédric Lefebvre en mr. Antoine Leroy, advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

1. A.-M. V. D. B.,

2. M. V. D. B.,

3. C. V. D. B.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 januari 2011, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 3 februari 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Uit het feit dat de persoon die door de litigieuze geschriften in opspraak is gekomen, ambtenaar was op het ogenblik van de tenlastegelegde feiten, leidt het arrest niet af dat die betrekking hadden op zijn privé-leven.

Het past de verjaringstermijn niet toe die in de artikelen 4 en 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers is bepaald, op grond dat de aantijgingen in die geschriften geen betrekking hebben op het ambt maar op het privé-leven van de betrokkene.

Het onderdeel dat op een onjuiste lezing van het arrest berust, mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

Krachtens de artikelen 4 en 12 van het voormelde decreet verjaart de strafvordering wegens laster of belediging jegens openbare ambtenaren na verloop van drie maanden.

De voormelde bepalingen die afwijken van het gemeen recht, zijn niet toepasselijk wanneer die wanbedrijven gericht zijn tegen ambtenaren wegens feiten uit hun privé-leven. In dat geval bedraagt de verjaringstermijn vijf jaar.

Het onderdeel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Derde onderdeel

De eiser voert aan dat de in het aangeklaagde boek vermelde gegevens betrekking hebben op feiten die degene aan wie ze ten laste zijn gelegd gepleegd heeft in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar. Hij verwijt het arrest dat het zonder enig argument beslist dat de feiten betrekking hebben op het privé-leven.

In zoverre het onderdeel de beoordeling van de feitelijke gegevens van de zaak door de appelrechters betwist en in zoverre het onderzoek ervan het nazicht van die feitelijke gegevens vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Voor het overige heeft de eiser heeft in zijn appelconclusie niet aangevoerd dat de te dezen in het boek "Dossiers pédophiles" vermelde feiten, betrekking hadden op het openbaar leven van de daarin bedoelde persoon, maar dat hij het boek had geschreven vanwege diens hoedanigheid van openbaar ambtenaar, om de corruptie en de misbruiken aan te klagen van personen die met openbare macht zijn bekleed.

Met die ene overweging dat de feiten tot het privé-leven behoorden, omkleedt het onderzoeksgerecht bijgevolg zijn beslissing regelmatig met redenen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

De eiser heeft in zijn appelconclusie aangevoerd dat de in de aantijgingen bedoelde persoon, op het ogenblik van de vermelde feiten, een openbaar ambtenaar was in de zin van artikel 4 van het decreet van 20 juli 1831.

De eiser kan het arrest dus niet verwijten dat het niet de redenen opgeeft waarom de in het geding betrokken persoon de hoedanigheid van ambtenaar had.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

Het arrest bevat geen enkele wetschending of nietigheidsgrond waarvan het onderzoek, in de huidige stand van de zaak, aan het Hof is opgedragen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 27 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Drukpersmisdrijf

  • Verjaringstermijn

  • Verkorte verjaring

  • Toepassingsgebied

  • Laster of belediging jegens een openbaar ambtenaar

  • Feiten die tot het privé-leven behoren