- Arrest van 27 april 2011

27/04/2011 - P.11.0019.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0019.F

I. II. III. IV.

B. B.,

Mr. Pierre Chomé, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het verwijzend arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 mei 2008, tegen de tussenarresten van het hof van assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel-Hoofdstad, van 22 september en 18 oktober 2010, en tegen het arrest van dat hof van assisen van 22 oktober 2010 dat uitspraak doet over de straf.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, negen middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 20 april 2011 een conclusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 27 april 2011 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Het cassatieberoep tegen het arrest tot verwijzing

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing waarbij de eiser naar het hof van assisen wordt verwezen

Op het cassatieberoep van de veroordeelde tegen het arrest tot verwijzing naar het hof van assisen, dat tegelijkertijd met het cassatieberoep tegen het veroordelend arrest is ingesteld binnen vijftien dagen na de uitspraak van dit arrest, neemt het Hof geen kennis van de schending van de wetten betreffende de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling en van het hof van assisen, en gaat het niet de nietigheden na die bedoeld worden in de artikelen 252, voordien artikel 292bis en 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Eerste middel

In strijd met wat de eiser aanvoert, vermeldt het bestreden arrest niet dat de misdrijven jegens hem voldoende zijn bewezen.

Die overweging is alleen terug te vinden in de beschikking van de raadkamer van 12 maart 2008. Het feit dat de kamer van inbeschuldigingstelling verwijst naar de uiteenzetting van de in de voormelde beschikking overgenomen feiten, houdt niet in dat zij de gevolgtrekking heeft overgenomen die de eerste rechter daaruit heeft gemaakt.

Het arrest preciseert integendeel dat de verwijzing berust op de vaststelling dat er voldoende bezwaren zijn en dat er geen grond is om die nader te omschrijven, zodat het vermoeden van onschuld gevrijwaard wordt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beschikking tot gevangenneming

Door de hierna uit te spreken verwerping van het tegen de veroordelende beslissing ingestelde cassatieberoep krijgt die beslissing kracht van gewijsde zodat het cassatieberoep tegen de beschikking tot gevangenneming geen bestaansreden meer heeft.

B. Het cassatieberoep tegen het tussenarrest van 22 september 2010

De eiser heeft zijn cassatieberoep ingesteld met een verklaring van zijn raadsman die op 23 september 2010 op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg is ingekomen.

Krachtens artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering staat cassatieberoep tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek eerst open na het eindarrest.

Het hof van assisen dat kennis genomen heeft van de tegen de eiser ingestelde vervolging heeft zijn volledige rechtsmacht met betrekking tot de strafvordering pas uitgeoefend bij zijn arrest van 22 oktober 2010 waarbij de straf wordt uitgesproken.

Het bestreden arrest verwerpt de door de verdediging opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid en beveelt de voortzetting van het debat.

Aangezien die beslissing een voorbereidende beslissing en een onderzoeksbeslissing is die geen verband houdt met de gevallen die in het tweede lid van het voormelde artikel 416 zijn bedoeld, kon geen cassatieberoep ertegen worden ingesteld vóór het einde van de rechtspleging.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk omdat het te vroeg is ingesteld.

C. Het cassatieberoep tegen het tussenarrest van 18 oktober 2010

Derde middel

Het arrest stelt vast dat de zesde gezworene niet aanwezig is bij de hervatting van de zitting. Het beveelt zijn vervanging door de eerste plaatsvervangende gezworene.

De eiser verwijt het arrest dat het alleen getekend is door de voorzitter en niet door de drie magistraten waaruit het hof van assisen is samengesteld.

Krachtens het oud artikel 371 Wetboek van Strafvordering worden de arresten van het hof van assisen opgesteld door de voorzitter, bijgestaan door de griffier, en door hen getekend. Een tussenarrest, voorbereidend arrest of onderzoeksarrest dient bijgevolg niet te worden getekend door alle rechters die het hebben gewezen.

Het middel dat de voormelde wetsbepaling negeert, faalt naar recht.

D. Het cassatieberoep tegen het arrest van 22 oktober 2010 dat uitspraak doet over de straf

De eiser voert, tot staving van het cassatieberoep tegen het arrest waarbij hij tot dertig jaar opsluiting wordt veroordeeld, enerzijds, verschillende middelen aan die kritiek uitoefenen op het gerechtelijk onderzoek en op de rechtspleging voor het hof van assisen en, anderzijds, verschillende middelen die kritiek uitoefenen op de voorbereidende arresten of tussenarresten waartegen hij geen cassatieberoep of slechts een niet-ontvankelijk cassatieberoep heeft ingesteld.

Ofschoon de middelen die tot de eerste categorie behoren, krachtens artikel 408 Wetboek van Strafvordering, voor het Hof kunnen worden aangevoerd, zijn de middelen van de tweede categorie alleen ontvankelijk in zoverre de aangeklaagde onwettigheid het eindarrest ongeldig kan maken.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Het proces-verbaal van de zitting van 24 september 2010 vermeldt dat het getuigenverhoor wordt opgeschort en dat de voorzitter aankondigt dat een tegen hem gericht verzoekschrift tot wraking werd neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter wordt verweten dat hij de zitting eerst om dertien uur heeft geschorst en aldus de onmiddellijk schorsende werking van de bij artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalde wraking heeft miskend.

Uit het voormelde proces-verbaal blijkt evenwel niet dat de gewraakte rechter het getuigenverhoor of enige andere verrichting zou hebben voortgezet nadat hij via de griffier bericht van de akte van wraking had gekregen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

Het hof van assisen wordt verweten dat het bij een arrest van 5 oktober 2010 de zesde - afwezige - gezworene heeft vervangen, ofschoon het hof werd voorgezeten door een magistraat die tijdelijk de gewraakte voorzitter verving. De eiser voert aan dat met toepassing van het voormelde artikel 837 Gerechtelijk Wetboek, die vervanging had moeten worden uitgesteld, in afwachting van de uitkomst van de wrakingsprocedure.

De eiser heeft geen cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 5 oktober 2010.

De aangeklaagde onwettigheid, gesteld dat zij bewezen is, kan het eindarrest niet ongeldig maken aangezien de jury zitting houdt met twaalf geworenen en de rechtspleging hoe dan ook niet had kunnen worden verdergezet zonder de onmiddellijke aanwijzing van de eerste plaatsvervanger.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

Het proces-verbaal van 18 oktober 2010 stelt vast dat de elf gezworenen waaruit de rechtsprekende jury is samengesteld, alsook de plaatsvervangende gezworene, bij de opening van de zitting hun plaats terug innemen. Het proces-verbaal vermeldt dat de beschuldigde vrij verschijnt. Het stelt de identiteit vast van de aanwezige advocaten en van de partijen waarvan zij raadsman zijn. Het vermeldt dat negen van de voor de zitting van die dag opgeroepen getuigen aanwezig zijn en dat de afwezigheid van de overige getuigen niet aan de voortzetting van het debat in de weg staat, en preciseert dat de voorzitter beveelt dat zij rechtstreeks naar de hun voorbehouden kamer worden geleid mochten zij zich in de loop van de zitting aanmelden.

De eiser leidt daaruit af dat het het hof van assisen bij de aanvang van de zitting met een niet voltallige jury zitting heeft gehouden, aangezien, in het proces-verbaal, de voornoemde vermeldingen voorafgaan aan de toevoeging van het arrest van 18 oktober 2010 waarbij de jury voltallig wordt gemaakt.

De lijst van de aanwezigheden, de dienstaanwijzingen aan de gerechtsbodes en de vaststelling dat de partijen geen bezwaar aantekenen tegen de afwezigheid van sommige getuigen van de beschuldiging, zijn geen gegevens van het onderzoek van de zaak, waarvan de eventuele onwettigheid invloed zou kunnen hebben op de schuldigverklaring en op de straf.

Het onderdeel is zonder belang en bijgevolg niet ontvankelijk.

Het derde middel voor het overige en het eerste onderdeel van het vierde middel

De eiser verwijt de in de loop van het debat gewezen arresten dat zij niet door de drie magistraten van het hof zijn ondertekend. Hij voert eveneens aan dat zijn recht van verdediging was miskend omdat het hof van assisen gezworenen heeft geschrapt of vrijgesteld zonder dat de verdediging het woord werd gegeven.

De arresten die uitspraak doen over de verzoeken tot vrijstelling van de gezworenen, de uitloting bevelen van verschillende plaatsvervangers, of ontbrekende juryleden vervangen, zijn verrichtingen die losstaan van het debat. Het zijn puur administratieve handelingen waarop de beschuldigde en diens raadsman geen toezicht moeten uitoefenen, en die bijgevolg niet voor hun kritiek vatbaar zijn, zelfs als worden die formaliteiten in hun aanwezigheid vervuld.

In zoverre de middelen tegen die arresten zijn gericht, zijn ze niet ontvankelijk.

In zoverre het kritiek uitoefent op het arrest van 20 oktober 2010 dat vaststelt dat de eiser voorbehoud maakt, is het derde middel niet ontvankelijk bij gebrek aan belang, daar die beslissing hem geen schade berokkent.

In zoverre het derde middel kritiek uitoefent op het arrest van 22 september 2010 dat uitspraak doet over de ontvankelijkheid van de vervolging, is het ontvankelijk in zoverre de onwettigheid van dat arrest, waartegen de eiser een voorbarig cassatieberoep heeft ingesteld, tot de onwettigheid van de eindbeslissing zou leiden.

Het derde middel faalt niettemin naar recht, zoals hierboven gesteld, aangezien artikel 265, het vroegere artikel 371, Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat tussenarresten door de voorzitter en de griffier worden getekend en niet door het volledige rechtscollege dat aan de beslissing heeft meegewerkt.

Tweede onderdeel van het vierde middel

De eiser voert aan dat zijn raadslieden niet als laatste het woord hebben gekregen, vóór de beraadslaging over het tussengeschil dat aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 22 september 2010. Hij voert aan dat de vermelding in het arrest, volgens welke de raadslieden van de beschuldigde in hun antwoorden werden gehoord, wordt tegengesproken door het proces-verbaal volgens welk het hof zich ter beraadslaging heeft teruggetrokken nadat het openbaar ministerie in zijn advies werd gehoord.

De verplichting om de beschuldigde en diens raadslieden het laatste woord te geven is alleen voorgeschreven in artikel 320 Wetboek van Strafvordering betreffende het debat over de grond van de zaak en de bepaling van de straf. Wat de tussengeschillen betreft die in de loop van het debat zijn opgeworpen, wordt het recht van verdediging alleen miskend indien de beschuldigde of diens raadman het woord werd geweigerd hoewel ze dat hadden gevraagd, wat het zittingsblad niet vaststelt en wat overigens in het cassatieberoep niet wordt aangevoerd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vijfde middel

De eiser oefent kritiek uit op het arrest van 22 september in zoverre het beslist dat de termijn voor de behandeling van de zaak niet zo onredelijk is dat het aan het onderzoek van de zaak in de weg staat.

Het hof van assisen heeft die beslissing gemotiveerd door te verwijzen naar de complexiteit van de zaak, het aantal gevorderde onderzoeksverrichtingen om de zaak op te helderen, op de betrokkenheid van verschillende verdachten, de noodzaak om te voorzien in verschillende procedures om hen te berechten, afhankelijk van de criminele of correctionele aard van de feiten.

Het arrest wijst erop dat het gerechtelijk onderzoek geen vertraging heeft opgelopen en dat het tijdsverloop geen gevolgen heeft gehad voor de door de speurders vergaarde gegevens en de eventueel door hen gedane vaststellingen.

Noch de voormelde overwegingen, noch de bewering dat de speurders aanzienlijke inspanningen hebben geleverd, noch dat de in beslag genomen stukken zorgvuldig zijn bestudeerd, noch de verwijzing naar de dood van de slachtoffers, naar het lijden van hun nabestaanden en de ernst van de feiten, miskent het recht van verdediging of het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, aangezien geen van die overwegingen een oordeel inhoudt, vanwege het hof van assisen, over de betrokkenheid van de beschuldigde bij de feiten.

De op grond van artikel 149 Grondwet verboden tegenstrijdigheid, is de tegenstrijdigheid van redenen of tussen redenen en beschikkingen van een zelfde beslissing en niet de strijdigheid die tussen twee, achtereenvolgens in dezelfde zaak gewezen arresten kan bestaan.

Afgezien daarvan is het niet tegenstrijdig om te beslissen dat de tijd die sedert de feiten is verstreken, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de vervolging maar een strafvermindering verantwoordt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Zesde middel

Eerste onderdeel

De eiser oefent kritiek uit op de voor het hof van assisen gevolgde procedure, in zoverre, op de rechtszitting van 23 september 2010, zeven personen zonder eedaflegging werden verhoord, op grond dat zij burgerlijke partijen waren, terwijl op de zitting van diezelfde dag, twee andere burgerlijke partijen de eed als getuige hebben afgelegd. De eiser voert aan dat allen die eed dienden af te leggen.

De burgerlijke partij kan op de zitting als partij worden gehoord en niet als getuige.

De beslissing om een burgerlijke partij geen eed te doen afleggen is dus niet onwettig.

Het middel faalt dienaangaande naar recht.

De beslissing om hem een eed te doen afleggen kan te dezen niet tot de nietigheid van de rechtspleging leiden.

Artikel 407, derde lid, Wetboek van Strafvordering, bepaalt immers dat in strafzaken de nietigheden voortkomend uit enige regelmatigheid betreffende de eed van getuigen, deskundigen of tolken gedekt zijn, wanneer een vonnis of arrest op tegenspraak, behalve datgene dat een maatregel van inwendige aard inhoudt, gewezen is zonder dat de nietigheid door een van de partijen is voorgedragen of door de rechter ambtshalve is uitgesproken.

Die bepaling is met name van toepassing op de arresten die het hof van assisen op tegenspraak heeft gewezen.

Het tussenarrest van 20 oktober 2010 en de motiverende en veroordelende arresten van 22 oktober 2010 werden op tegenspraak gewezen. Geen der partijen heeft de nietigheid voorgedragen die de eiser momenteel aanvoert en die bijgevolg, in de veronderstelling dat zij bewezen is, gedekt is.

Aangezien het middel niet tot cassatie kan leiden, is het middel in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

De voorzitter van het hof van assisen wordt verweten dat hij een op de zitting van 20 oktober 2010 gehoorde getuige niet eraan herinnerd heeft dat hij zichzelf niet mocht beschuldigen.

Het middel vermeldt niet op welke wijze dat verzuim "de artikelen 315 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek" schendt of het algemeen beginsel van eerbiediging van het recht van verdediging of het recht op een eerlijke behandeling van de zaak miskent.

Het middel is onduidelijk en derhalve niet ontvankelijk.

Zevende middel

De drie onderdelen samen

De eiser voert aan dat, in weerwil van de belofte van het openbaar ministerie om daartoe de nodige stappen te ondernemen, een stuk ondanks zijn verzoek om neerlegging niet bij het dossier was gevoegd. Hij klaagt aan dat een op 18 oktober 2010 vóór de opening van de zitting bevolen aanvullende onderzoeksopdracht, niet op tijd was neergelegd. Hij oefent kritiek uit op het feit dat het openbaar ministerie verschillende stukken op de zitting van 20 oktober 2010 heeft overgelegd en bekritiseert tevens de beslissing van het hof van assisen om die bij het dossier te voegen.

Volgens het middel betreft het hier tekortkomingen of vertragingen die, aangezien ze door het hof van assisen niet worden verantwoord, het recht van verdediging miskennen en een eerlijke behandeling van de zaak onmogelijk maken.

Wanneer de voorzitter van het hof van assisen de hem bij wet opgedragen discretionaire bevoegdheid uitoefent, beoordeelt hij alleen en in geweten of een door een partij gevorderde maatregel, zoals de neerlegging van een stuk, nuttig is om de waarheid aan het licht te brengen. Het staat niet aan het hof van assisen om zich met de uitoefening van dat alleenrecht van de voorzitter te bemoeien. De voorzitter oefent dat alleenrecht uit zonder dat hij de redenen van zijn beslissingen moet vermelden.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op de beslissingen om stukken bij te voegen of om ontbrekende stukken buiten beschouwing te laten, is het niet ontvankelijk omdat het gericht is tegen beslissingen die, wegens het discretionaire karakter ervan, niet aan het toezicht van het Hof kunnen worden voorgelegd.

In zoverre het middel aanvoert dat de laattijdige neerlegging van bepaalde stukken het recht van verdediging heeft miskend, ofschoon uit het proces-verbaal blijkt dat geen van de partijen daarover een opmerking heeft gemaakt, wordt het voor het eerst voor het Hof aangevoerd en is het eveneens niet ontvankelijk.

En in zoverre het middel aanvoert dat het zich tegen de overlegging van de voormelde stukken heeft verzet, ofschoon de eiser geen valsheidsvordering heeft ingesteld tegen de vermelding in het proces-verbaal die het tegendeel zegt, mist het feitelijke grondslag.

Achtste middel

Beide onderdelen samen

Het hof van assisen wordt verweten dat het de conclusie van de eiser niet heeft beantwoord, waarin wordt aangevoerd dat wegens het mondelinge karakter van het debat een beschuldiging niet op anonieme getuigenverklaringen mag worden gebaseerd.

Het arrest waarbij de beslissing wordt gemotiveerd berust met name op de volgende gegevens :

- de brand in het aan de eiser toebehorend pand werd gesticht met het oog op de snelle en volledige vernieling ervan, wat de hypothese uitsluit van een tegen slechts één van de bewoners gerichte afrekening ;

- de plaats van de vuurhaarden duidt op een perfecte kennis van het gebouw en van de wijze waarop het was bewoond, wat op de eigenaar van het gebouw van toepassing is ;

- enkele maanden vóór de brand, na de vaststelling dat een van zijn klachten op niets uitdraaide, heeft de eiser de mogelijkheid geopperd om zijn pand in brand te steken ;

- de getuigenverklaringen die bij de aanvang van het onderzoek anoniem waren afgelegd, zijn gedeeltelijk veranderd in verklaringen waarvan de auteurs werden geïdentificeerd ; die verklaringen tonen aan dat de drijfveer van de brandstichter winstbejag is of schrijven de eiser uitlatingen toe die doen geloven dat hij geld heeft beloofd aan de uitvoerder van de misdaad ;

- de verzekeringsagent van verschillende bewoners van het vernielde pand heeft bericht dat de eiser hen met de dood had bedreigd in de dagen die aan de brand zijn voorafgegaan ;

- de eiser had te kampen met onoplosbare financiële problemen ; het volledig afbranden van het pand was voor hem het middel om, op kosten van de verzekeraar, de herbouw tegen nieuwwaarde te bedingen en zich tegelijkertijd te verzekeren van de opzegging van alle lopende huurcontracten ;

- het winstbejag van de eiser blijkt uit de overhaasting waarmee hij enkele dagen voor de brand op een uitbreiding van de dekking door de verzekering heeft aangedrongen ;

- de valse stukken die de eiser heeft aangewend om een lening te verkrijgen of zijn lening af te kopen, alsook de procedés om allerlei kosten af te wentelen op de verzekeraar, wijzen op een persoonlijkheid zonder scrupules ;

- het gerechtelijk onderzoek heeft geen enkele aanwijzing aan het licht gebracht die laat vermoeden dat iemand anders dan de beschuldigde uit de brand enig voordeel had kunnen halen.

Uit die redengeving blijkt dat de beslissing op geen enkele anonieme getuigenverklaring is gegrond.

Het middel kan bijgevolg niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Negende middel

Krachtens het oud artikel 267, § 1, Wetboek van Strafvordering, is de voorzitter van het hof van assisen er persoonlijk mee belast het gehele onderzoek voor te zitten en te bepalen in welke volgorde het woord zal worden verleend aan hen die het vragen.

Het verzoek van de voorzitter aan een advocaat om het einde van een verhoor of van een gedeelte ervan af te wachten, vooraleer vragen te stellen of commentaar te leveren, behoort tot de hem bij deze wetsbepaling toegekende prerogatieven en miskent het recht van verdediging of het recht op een eerlijke behandeling van de zaak niet.

Het middel dat het tegendeel aanvoert faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 27 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Vermelding van de bestreden beslissing