- Arrest van 28 april 2011

28/04/2011 - C.10.0117.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De als strafbeding bepaalde geldsom is een forfaitaire vergoeding voor de mogelijke schade die de schuldeiser lijdt ten gevolge van het niet nakomen van die verbintenis; de feitenrechter moet beoordelen of het bedrag dat krachtens die akte moet worden betaald, een schadevergoeding is dan wel een tegenprestatie voor de mogelijkheid om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen (1). (1) Zie Cass., 6 sept. 2002, AR C.00.0150.N, A.C., 2002, nr. 421.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0117.F

KBC BANK nv,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

LA PINOCHE bvba.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, dat op 18 juni 2009 is gewezen door het hof van beroep te Brussel.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1134, 1226, 1229 en 1231 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de verweerster gedeeltelijk gegrond en vermindert de vergoeding die zij verschuldigd is krachtens artikel 33.1 van het kredietreglement van de eiseres, om de volgende redenen:

"De (verweerster) heeft op 10 januari 2002 de brief ter bevestiging van de kredietopening en het kredietreglement ondertekend.

Zij kan derhalve niet beweren dat zij niet op de hoogte was van de inhoud en de draagwijdte van de bepalingen waarmee zij heeft ingestemd.

Overeenkomstig artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, strekt die overeenkomst de partijen tot wet en dienen alle partijen de bedingen en voorwaarden ervan na te leven.

Volgens artikel 33.1 van het kredietreglement, dat de contractuele verhouding tussen de partijen regelt, kan de bank in twee gevallen een ‘vergoeding wegens afstand' eisen:

- hetzij wanneer het krediet niet in zijn geheel werd opgenomen binnen een termijn van negen maanden na de toekenning ervan,

- hetzij wanneer de kredietnemers uitdrukkelijk afstand doen van het recht om het krediet verder op te nemen.

Het feit dat er in die twee gevallen een vergoeding geëist wordt wegens 'afstand', wijst erop dat het niet opnemen van het krediet gedurende negen maanden gelijkgesteld kan worden met een stilzwijgende afstand.

Volgens artikel 33.1 is evenwel alleen al het feit dat het krediet na negen maanden nog steeds niet is opgenomen, voor de bank een voldoende reden om die vergoeding te eisen, zonder dat zij hoeft na te gaan waarom het krediet niet werd opgenomen of dient aan te tonen dat die niet-opname gelijkstaat met een afstand.

(...) De bij artikel 33.1 bepaalde vergoeding komt neer op een forfaitaire financiële vergoeding voor de eventuele schade ten gevolge van het niet uitvoeren van de kredietovereenkomst.

Het gaat hier dus wel degelijk om een strafbeding in de zin van artikel 1226 van het Burgerlijk Wetboek, dat door de rechter beperkt kan worden indien hij meent dat het bedrag ervan kennelijk de schade te boven gaat die door de partijen op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst kon worden voorzien.

Het hof van beroep meent evenwel dat het bedrag van 12.177,77 euro buitensporig is en wil het verminderen.

De partijen leggen echter geen enkel gegeven voor dat het hof van beroep de mogelijkheid biedt die voorzienbare schade te ramen en evenmin leggen ze gegevens voor met betrekking tot de schade die de bank werkelijk zou hebben geleden en op grond waarvan de mogelijke schade waarnaar de partijen bij het sluiten van de overeenkomst verwijzen, geraamd kan worden.

Volgens het hof van beroep diende de (eiseres), op het ogenblik van het aangaan van de kredietopening, noodzakelijkerwijs op de hoogte te zijn van de bestemming van de gelden en van de termijnen voor de vereiste vergunningen en toelatingen voor het opstarten van het project en bijgevolg wist zij of diende zij te weten dat de ter beschikking gestelde bedragen ongetwijfeld niet meteen aangewend zouden worden.

Ongetwijfeld heeft de (eiseres) met name om die reden de vergoeding niet meteen na het verstrijken van de negen maanden en zelfs niet in de daaropvolgende maanden aangerekend, wat niet betekent dat zij daarom afzag van de toepassing van artikel 33.1 van het kredietreglement.

De schade die de partijen bij het sluiten van de overeenkomst konden voorzien indien de ter beschikking gestelde gelden niet binnen een bepaalde termijn zouden worden aangewend [...] moest, gezien de omstandigheden, wel miniem zijn.

Bij gebrek aan andere elementen, meent het hof van beroep de vergoeding te kunnen verminderen tot een bedrag dat ex aequo et bono wordt vastgesteld op 2.500 euro".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 1229, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het strafbeding de schade vergoedt die de schuldeiser lijdt ten gevolge van het niet nakomen van de hoofdverbintenis. Het bedrag dat in een dergelijk beding wordt vermeld, kan de schade die de schuldeiser lijdt ten gevolge van het niet nakomen van de verbintenis bijgevolg slechts forfaitair vergoeden.

Een beding waarin de betaling van een geldsom wordt bepaald, niet ter vergoeding van schade maar als tegenprestatie voor de mogelijkheid om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen, is geen strafbeding in de zin van die bepaling. In dat geval staat het niet aan de rechter om uitspraak te doen over de vraag of het overeengekomen bedrag in verhouding staat tot de schade die uit de eenzijdige beëindiging kan voortvloeien.

Het arrest stelt het volgende vast:

Volgens artikel 33.1 van het kredietreglement, dat de contractuele verhouding tussen de partijen regelt, kan de bank in twee gevallen een 'vergoeding wegens afstand' eisen :

- hetzij wanneer het krediet niet in zijn geheel werd opgenomen binnen een termijn van negen maanden na de toekenning ervan,

- hetzij wanneer de kredietnemers uitdrukkelijk afstand doen van het recht om het krediet verder op te nemen.

Het feit dat er in die twee gevallen een vergoeding geëist wordt wegens 'afstand', wijst erop dat het niet opnemen van het krediet gedurende negen maanden gelijkgesteld kan worden met een stilzwijgende afstand".

Het hof van beroep stelt aldus vast dat de in artikel 33.1 van het kredietreglement bedoelde vergoeding als tegenprestatie dient voor de mogelijkheid die aan de verweerster wordt geboden om het haar ter beschikking gestelde krediet niet op te nemen en verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat artikel 33.1 van het kredietreglement een strafbeding is dat ze kan verminderen indien het oordeelt dat het bedrag ervan kennelijk de schade te boven gaat die door de partijen op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst kon worden voorzien (schending van de artikelen 1134, 1147, 1226, 1229 en 1231 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 1231, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, kan de rechter, ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar, de straf die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom verminderen, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden.

Het hof van beroep heeft geoordeeld dat het gevorderde bedrag van 12.177,77 euro buitensporig was en dat het dat bedrag wou verminderen. Het hof van beroep, dat eerst vaststelt dat de partijen geen enkel gegeven voorlegden op grond waarvan die voorzienbare schade kon worden geraamd, en dat zij evenmin gegevens voorlegden met betrekking tot de schade die de bank daadwerkelijk zou hebben geleden, en op grond waarvan de mogelijke schade waarnaar de partijen verwezen toen zij de overeenkomst sloten, kon zijn geraamd, beslist vervolgens dat zij de vergoeding kan beperken tot een bedrag dat het ex aequo et bono vaststelt op 2.500 euro.

Het arrest stelt evenwel niet vast dat de voorzienbare schade van de eiseres en het verminderde bedrag van het strafbeding onmogelijk op een andere manier konden worden vastgesteld en stelt evenmin vast dat de partijen niet in staat waren of geweigerd hadden om de gegevens voor te leggen op grond waarvan het hof van beroep die voorzienbare schade had kunnen ramen. Indien, bijgevolg, moet worden aangenomen dat het arrest wettig beslist dat artikel 33.1 van het kredietreglement van de eiseres een strafbeding is, dan verantwoordt het niet naar recht zijn beslissing volgens welke de gevorderde vergoeding van 12.177,77 euro buitensporig is en dat die vergoeding verminderd moet worden tot een bedrag dat ex aequo et bono wordt vastgesteld op 2.500 euro (schending van de artikelen 1134, 1147, 1226, 1229 en 1231 van het Burgerlijk Wetboek).

Derde onderdeel

Krachtens het tweede lid van artikel 1231, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, kan de rechter de schuldenaar niet veroordelen tot een kleinere geldsom dan hij bij gebrek aan strafbeding verschuldigd zou zijn geweest.

Het arrest bevat evenwel geen enkele vaststelling op grond waarvan kan worden nagegaan of het toegekende bedrag van 2.500 euro niet lager is dan de vergoeding die bij gebrek aan strafbeding verschuldigd zou zijn geweest. Het is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Artikel 1229, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat het strafbeding de schade vergoedt die de schuldeiser lijdt ten gevolge van het niet nakomen van de hoofdverbintenis.

Hieruit kan worden afgeleid dat de als strafbeding bepaalde geldsom een forfaitaire vergoeding is voor de mogelijke schade die de schuldeiser lijdt ten gevolge van het niet nakomen van die verbintenis.

De feitenrechter moet beoordelen of het bedrag dat krachtens die akte moet worden betaald, een schadevergoeding is dan wel een tegenprestatie voor de mogelijkheid om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen.

Het arrest stelt vast dat "volgens artikel 33.1 van het kredietreglement, dat de contractuele verhouding tussen de partijen regelt, de bank in twee gevallen een ‘vergoeding wegens afstand' kan eisen:

- hetzij wanneer het krediet niet in zijn geheel werd opgenomen binnen een termijn van negen maanden na de toekenning ervan,

- hetzij wanneer de kredietnemers uitdrukkelijk afstand doen van het recht om het krediet verder op te nemen".

Het arrest vermeldt dat "het feit dat er in die twee gevallen een vergoeding geëist wordt wegens ‘afstand', erop [wijst] dat het niet opnemen van het krediet gedurende negen maanden gelijkgesteld kan worden met een stilzwijgende afstand", en stelt verder dat "volgens artikel 33.1 evenwel alleen al het feit dat het krediet na negen maanden nog steeds niet is opgenomen, voor de bank een voldoende reden is om die vergoeding te eisen, zonder dat zij hoeft na te gaan waarom het krediet niet werd opgenomen of dient aan te tonen dat die niet-opname gelijkstaat met een afstand".

Het arrest, dat overweegt dat "de bij artikel 33.1 bepaalde vergoeding [neerkomt] op een forfaitaire financiële vergoeding voor de eventuele schade ten gevolge van het niet uitvoeren van de kredietovereenkomst", verantwoordt naar recht zijn beslissing om dat beding als een strafbeding te kwalificeren.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Wanneer de rechter het als strafbeding bepaalde bedrag vermindert met toepassing van artikel 1231, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, op grond dat het kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen ter vergoeding van de schade wegens het niet-uitvoeren van de overeenkomst, kan hij het bedrag van die schade naar billijkheid ramen indien hij vaststelt dat dit de enige mogelijkheid is.

Het arrest stelt vast dat "de partijen ... geen enkel gegeven voorleggen dat het hof [van beroep] de mogelijkheid biedt de voorzienbare schade te ramen en evenmin leggen ze gegevens voor met betrekking tot de schade die de eiseres werkelijk zou hebben geleden en op grond waarvan de mogelijke schade waarnaar de partijen bij het sluiten van de overeenkomst verwijzen, geraamd kan worden, dat de schade die de partijen bij het sluiten van de overeenkomst konden voorzien indien de ter beschikking gestelde gelden niet binnen een bepaalde termijn zouden worden aangewend, gezien de omstandigheden, wel miniem moest zijn en dat het hof [van beroep], bij gebrek aan andere elementen, de vergoeding meent te kunnen verminderen tot een bedrag dat ex aequo et bono wordt vastgesteld op 2.500 euro".

Het arrest, dat aldus de reden aangeeft waarom het bedrag, waartoe de bedongen geldsom verminderd moet worden, alleen naar billijkheid kan worden geraamd, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

De reden van het arrest volgens welke de partijen geen enkel gegeven voorleggen met betrekking tot de schade die de eiseres werkelijk geleden heeft, stelt het Hof in staat de wettigheid van het arrest te toetsen in het licht van artikel 1231, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Albert Fettweis, Christine Matray en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van 28 april 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Strafbeding

  • Aard

  • Bevoegdheid van de rechter