- Arrest van 28 april 2011

28/04/2011 - C.10.0492.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een voertuig is bij een ongeval betrokken wanneer er enig verband tussen het voertuig en het ongeval bestaat; het voertuig hoeft geen rol bij de totstandkoming van het ongeval te hebben gespeeld; het verband bestaat zodra er een contact tussen dat voertuig en de getroffene is geweest (1). (1) Zie Cass., 3 okt. 2008, AR C.07.0130.N, A.C., 2008, nr. 524.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0492.F

GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

AXA BELGIUM nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 16 februari 2010.

Raadsheer Christine Matray heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis oordeelt dat het voertuig bestuurd door mevrouw C., wier burgerrechtelijke aansprakelijkheid verzekerd wordt door de verweerster, niet betrokken was bij het ongeval van 28 april 2002 en dat de door de eiser tegen laatstgenoemde ingestelde vordering dus niet gegrond is.

Het verantwoordt die beslissing om alle redenen en in het bijzonder om de volgende redenen :

"De vraag die ter discussie staat, is of het voertuig van mevrouw C., wier burgerrechtelijke aansprakelijkheid verzekerd wordt door [de verweerster], en dat regelmatig geparkeerd stond langs de rijbaan en waartegen de heer D. is geslingerd door de botsing met het voertuig van de heer B., ook bij het ongeval is betrokken. In dat geval moet [de verweerster] , samen met de [eiser], tot tussenkomst worden veroordeeld.

Volgens de [eiser] is het voertuig van mevrouw C. bij het litigieuze ongeval betrokken. Hij moet dat bijgevolg aantonen.

Een motorrijtuig is bij een ongeval betrokken in de zin van artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989, wanneer het een of andere rol heeft gespeeld in het ongeval. Wat dat betreft is niet vereist dat er een oorzakelijk verband tussen de aanwezigheid van het motorrijtuig en het wegverkeersongeval bestaat.

Te dezen moet het volgende worden vastgesteld:

- De heer D. werd aangereden door het voertuig van de heer B. toen hij de rijbaan van links naar rechts overstak in de door de heer B. gevolgde richting ;

- De heer D. werd aangereden door de rechter voorzijde van het voertuig van de heer B. en belandde in de achterruit van de Citroën Saxo van mevrouw C., die geparkeerd stond op de gelijkgrondse berm, net vóór de Mercedes waarnaar de heer D. toe reed ;

- De heer B., een vriend van de heer D., die voor hem op de rijbaan reed, heeft het volgende verklaard: ‘Ik herinner mij dat ik aan de rand van de rijbaan ben gestopt; een voertuig kwam van links aangereden en reed dus naar Chaudfontaine. Ik heb naar rechts gekeken en heb niets gezien. We zijn overgestoken. Mijn vriend E., die kort op mij volgde, werd omvergereden door een voertuig';

- De heer A.B. heeft het volgende verklaard: ‘Ik heb een voetganger gezien, met name een man met een schotel in de hand die de rijbaan van links naar rechts overstak vóór het restaurant. Hij daagde op van achter de voormelde rij voertuigen. Toen ik hem opmerkte, bevond hij zich op ongeveer 5 à 10 meter vóór de motorkap van mijn voertuig. Hij bevond zich op mijn verkeersstrook (rechter rijstrook) op ongeveer 30 cm van de onderbroken streep. Ik ben voluit in de remmen gegaan door op het rempedaal te duwen. Ik heb die man geraakt met mijn motorkap (rechtsvoor). Hij werd weggeslingerd maar meer verduidelijkingen kan ik niet geven';

- Mevrouw F., dochter van mevrouw C., die die avond in het bezit was van de Citroën Saxo van haar moeder, heeft het volgende verklaard: ‘Ik heb mijn voertuig aan de rechterkant geparkeerd in de richting van Chaudfontaine naar Sprimont, tegenover het restaurant "Chez Yaya". (...) Mijn voertuig werd beschadigd, met name de achterklep werd ingedeukt aan de rechterkant, evenals de achterruit, die gebroken is (...), in feite is alle schade gelokaliseerd aan de achterkant van mijn wagen';

- Er werd geen enkel medisch-juridisch onderzoek verricht op het lichaam van de heer D. na diens overlijden, teneinde de precieze oorzaken van zijn dood vast te stellen. De door dokter S. opgemaakte overlijdensakte vermeldt uitsluitend dat de heer D. is overleden op 29 april 2002 om 23.29 uur [aan] zijn letsels, die hij heeft opgelopen op 28 april 2002;

- Deskundige L. heeft geconcludeerd dat de heer D. was aangereden toen hij zich op minder dan 1,20 meter van de rand van de rijbaan bevond en dat hij in aanraking is gekomen met de rechterkant van het voertuig van de heer B., die reed met een snelheid van 75 km per uur.

Uit die gegevens blijkt dat de [eiser] niet aantoont dat het door [de verweerster] verzekerde voertuig enige rol heeft gespeeld in het ongeval waarvan de heer D. het slachtoffer is geworden.

Het feit dat de heer D. door de botsing met het door de heer B. bestuurde voertuig tegen [verweersters] voertuig werd geslingerd, volstaat op zich niet om de betrokkenheid van het voertuig van mevrouw C. bij het ongeval in aanmerking te nemen.

De aanwezigheid of de plaats van het voertuig C. heeft immers geen enkele invloed op het ongeval gehad en de [eiser] toont niet aan dat het ongeval niet dezelfde gevolgen had gehad indien het voertuig van mevrouw C. daar niet had gestaan. De botsing met het voertuig B. was hevig. De [eiser] bewijst niet dat de heer D. niet was overleden indien hij door het voertuig B. was aangereden zonder op het voertuig C. te zijn geslingerd".

Grieven

Artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989 bepaalt:

"Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken".

Volgens de parlementaire voorbereiding van die bepaling en de rechtspraak van het Hof van Cassatie, is het betrokken voertuig in de zin van die bepaling enkel een aanknopingspunt voor de vergoeding. Die bepaling vereist niet dat er een fout wordt aangetoond en nog minder dat er een mogelijk oorzakelijk verband tussen een dergelijke fout en de schade wordt bewezen. Om de betrokkenheid aan te tonen, is het voldoende dat het bewuste voertuig om gelijk welke reden of op gelijk welk tijdstip een rol heeft gespeeld bij het ongeval. Dat is al het geval wanneer het voertuig en de getroffene met elkaar in aanraking zijn gekomen.

Overigens kan evenmin geëist worden dat het voertuig betrokken was bij de totstandkoming van de schade, omdat er in dat geval een oorzakelijk verband tussen het voertuig en de schade vereist wordt. Welnu, de getroffene hoeft niet aan te tonen dat de letsels te wijten zijn aan het voertuig. De wet vereist geen verband tussen het voertuig en het letsel, maar tussen het ongeval waarbij dat voertuig is betrokken en het letsel.

Het bestreden vonnis stelt te dezen, op onaantastbare wijze, in feite het volgende vast:

- het door de verweerster verzekerde voertuig stond regelmatig geparkeerd langs de rijbaan;

- de heer M.D. werd door de botsing met het voertuig van de heer B. tegen dat voertuig geslingerd;

- de heer M.D. is overleden aan de verwondingen van het ongeval.

Het bestreden vonnis beslist, op grond van die feitelijke vaststellingen, dat "de [eiser] niet aantoont dat het door [de verweerster] verzekerde voertuig enige rol heeft gespeeld in het ongeval waarvan de heer D. het slachtoffer is geworden", om de volgende redenen:

- "het feit dat de heer D. door de botsing met het door de heer B. bestuurde voertuig tegen [verweersters] voertuig werd geslingerd, volstaat op zich niet om de betrokkenheid van het voertuig van mevrouw C. bij het ongeval in aanmerking te nemen";

- "de aanwezigheid of de plaats van het voertuig C. heeft immers geen enkele invloed op het ongeval gehad en de [eiser] toont niet aan dat het ongeval niet dezelfde gevolgen had gehad indien het voertuig van mevrouw C. daar niet had gestaan. De botsing met het voertuig B. was hevig. De [eiser] bewijst niet dat de heer D. niet was overleden indien hij door het voertuig B. was aangereden zonder op het voertuig C. te zijn geslingerd".

Het bestreden vonnis verwerpt om die redenen het begrip betrokkenheid, terwijl er een fysiek contact tussen de getroffene en het voertuig heeft plaatsgevonden, en eist het bewijs van een oorzakelijk verband tussen de schade en het voertuig.

Het vonnis motiveert zodoende niet naar recht zijn beslissing om de vordering van de [eiser] te verwerpen en schendt artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk wordt vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

Een voertuig is, in de zin van die wetsbepaling, bij een ongeval betrokken wanneer er enig verband tussen het voertuig en het ongeval bestaat.

Het voertuig hoeft geen rol bij de totstandkoming van het ongeval te hebben gespeeld. Het verband bestaat zodra er een contact tussen dat voertuig en de getroffene is geweest.

Het bestreden vonnis stelt vast dat de getroffene, de heer D., is aangereden door het voertuig van de heer B. en hierdoor is weggeslingerd tegen de achterruit het voertuig van mevrouw C., de verzekerde van de verweerster, en dat voormeld voertuig regelmatig geparkeerd was.

Het vonnis beslist dat de eiser "niet aantoont dat het door [de verweerster] verzekerde voertuig enige rol heeft gespeeld in het ongeval waarvan de heer D. het slachtoffer is geworden", dat "het feit dat de heer D. door de botsing met het door de heer B. bestuurde voertuig tegen [verweersters] voertuig werd geslingerd, volstaat op zich niet om de betrokkenheid van het voertuig van mevrouw C. bij het ongeval in aanmerking te nemen", dat "de aanwezigheid of de plaats van het voertuig C. immers geen enkele invloed op het ongeval heeft gehad", dat de eiser "niet aantoont dat het ongeval niet dezelfde gevolgen had gehad indien het voertuig van mevrouw C. daar niet had gestaan" en dat de eiser "niet bewijst dat de heer D. niet was overleden indien hij door het voertuig B. was aangereden zonder op het voertuig C. te zijn geslingerd".

Het bestreden vonnis dat, om die redenen, beslist dat het voertuig van de verzekerde van de verweerster niet bij het ongeval is betrokken in de zin van voormeld artikel 29bis, schendt die wetsbepaling.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het uitspraak doet tussen de partijen in het cassatiegeding.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Hoei, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Albert Fettweis, Christine Matray en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van 28 april 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Verkeersongeval

  • Lichamelijke schade

  • Vergoedingsplicht

  • Motorrijtuig

  • Betrokkenheid