- Arrest van 2 mei 2011

02/05/2011 - S.10.0036.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 11bis Arbeidsovereenkomstenwet is vreemd aan de vaststelling van het loonbedrag dat verschuldigd is voor een deeltijdse tewerkstelling tot beloop van een derde van een voltijdse betrekking.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0036.N

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

SWENDEN nv, met zetel te 2840 Rumst, Nieuwstraat 2,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 14 september 2007.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De verweerster werpt op dat het cassatieberoep niet toelaatbaar is bij gebrek aan voorafgaande betekening ondertekend door de gerechtsdeurwaarder.

2. Anders dan de verweerster opwerpt is de betekening van het cassatieberoep van 22 maart 2010, voorafgaand aan de neerlegging ter griffie van 26 maart 2010, ondertekend.

Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Eerste middel in zijn geheel

3. Artikel 11bis Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat in de regel de wekelijkse arbeidsduur van de deeltijds tewerkgestelde werknemer niet lager mag zijn dan een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers. De Koning of een collectieve arbeidsovereenkomst kunnen van deze regel afwijken. Wanneer de overeenkomst prestaties vastlegt die lager liggen dan de grenzen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld, is het loon nochtans verschuldigd op basis van deze minimumgrenzen.

Deze bepaling is vreemd aan de vaststelling van het loonbedrag dat verschuldigd is voor een deeltijdse tewerkstelling tot beloop van een derde van een voltijdse betrekking.

In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 11bis, laatste lid, Arbeidsovereenkomstenwet, faalt het naar recht.

4. In zoverre het middel schending aanvoert van de overige als geschonden aangewezen wetsbepalingen, is het geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 11bis Arbeidsovereenkomstenwet.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

5. Krachtens artikel 1, derde lid, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, hierna Arbeidsinspectiewet genoemd, houden de sociale inspecteurs toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie.

6. Krachtens artikel 5 Arbeidsinspectiewet, delen de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, wanneer zij zulks nodig achten, de inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen mee aan de openbare en aan de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn.

Krachtens het tweede lid van deze bepaling, bestaat een verplichting om deze inlichtingen mee te delen wanneer de openbare instellingen van sociale zekerheid, de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten of de andere met toezicht belaste ambtenaren erom verzoeken.

Evenwel mogen krachtens het derde lid van deze bepaling inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits toestemming van deze laatste. Inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen krachtens het vierde lid van deze bepaling slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.

7. Krachtens artikel 7 Arbeidsinspectiewet, mogen de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, de sociale inspecteurs, de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, de inlichtingen verkregen op grond van respectievelijk artikel 5 of 6 gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten betreffende het toezicht waarmee ze belast zijn.

8. Krachtens artikel 9 Arbeidsinspectiewet, hebben de sociale inspecteurs het recht waarschuwingen te geven, voor de overtreder een termijn te bepalen om zich in regel te stellen en processen-verbaal op te maken. Bij het opmaken van de processen-verbaal kunnen krachtens het vierde lid van deze bepaling de materiële vaststellingen verricht door de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, met hun bewijskracht, gebruikt worden door de sociale inspecteurs van dezelfde dienst, van de andere inspectiediensten of door de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van andere wetgevingen.

9. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de sociale inspecteurs de inlichtingen die zij tijdens een autonoom optreden hebben ingewonnen, anders dan deze die zijn verkregen bij de uitvoering van onderzoeksverrichtingen voorgeschreven door de rechterlijke overheid, kunnen meedelen aan de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn.

De vaststelling dat de sociale inspecteurs op grond van deze inlichtingen een proces-verbaal opmaakten, doet hieraan geen afbreuk.

10. De appelrechters oordelen dat van zodra de sociale inspecteur zijn proces-verbaal heeft toegezonden aan het openbaar ministerie, het opsporingsonderzoek is gestart en hij de inlichtingen waarover hij beschikt of de stukken in zijn bezit alleen aan andere instanties, waaronder de eiser, kan mededelen, indien daarvoor toelating werd verleend door het openbaar ministerie. Zij stellen vervolgens vast dat het proces-verbaal PJ/03/17357/00 van 2 augustus 2000 vermeldt dat hij werd verzonden aan de arbeidsauditeur te Antwerpen en besluiten dat het aldus vaststaat dat het opsporingsonderzoek in deze zaak daardoor was gestart.

11. De appelrechters die op die grond oordelen dat de toestemming van de arbeidsauditeur vereist was om van het op het proces-verbaal van 2 augustus 2000 gesteunde verslag van de sociale inspectie kennis te nemen, zonder vast te stellen dat dit proces-verbaal werd opgesteld in de uitoefening van een plicht voorgeschreven door de arbeidsauditeur, verantwoorden hun beslissing dat de vordering in de zaak gekend onder A.R. nr. 340.832 niet toelaatbaar is omdat ze is gesteund op onrechtmatig verkregen bewijs, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

12. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het uitspraak doet over de vordering van de eiser gestoeld op artikel 11bis Arbeidsovereenkomstenwet.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 2 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Deeltijdse arbeid

  • Wekelijkse arbeidsduur lager dan de minimumgrens

  • Verschuldigd loon

  • Artikel 11bis, Arbeidsovereenkomstenwet

  • Toepassing