- Arrest van 3 mei 2011

03/05/2011 - P.10.1923.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Als de beklaagde geen verweer voert met betrekking tot het morele element van het misdrijf omschreven in artikel 67ter van de Wegverkeerswet, mag de strafrechter naast de veroordeling van de rechtspersoon eveneens de geïdentificeerde natuurlijke persoon schuldig achten door de telastlegging in de bewoordingen van de wet bewezen te verklaren, zonder dat hij daarbij het wetens en willens handelen van de natuurlijke persoon uitdrukkelijk moet vaststellen.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1923.N

J. S.

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Freddy Mols, advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Mechelen van 27 oktober 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Paul Kenis heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 67ter Wegverkeerswet en artikel 5 Strafwetboek: het misdrijf van artikel 67ter Wegverkeerswet kan worden gepleegd door de rechtspersoon, door de natuurlijke persoon of door beiden; het beheren van een wagenpark van een vennootschap en het bijhouden van de identiteit van de bestuurder ervan kadert in de waarneming van de belangen van deze vennootschap in de zin van artikel 5 Strafwetboek; de rechtbank dient te onderzoeken wie de zwaarste fout begaan heeft: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon; indien niet kan worden vastgesteld dat de fout van de natuurlijke persoon zwaarder is dan deze van de rechtspersoon, kan de natuurlijke persoon enkel worden veroordeeld indien aangetoond wordt dat hij bewust het misdrijf heeft gepleegd; het bestreden vonnis heeft ten onrechte de eiser, als natuurlijke persoon, samen met de rechtspersoon veroordeeld, zonder te motiveren of het misdrijf al dan niet met opzet is gepleegd, en zonder af te wegen wie desgevallend de zwaarste fout heeft begaan.

2. Artikel 67ter Wegverkeerswet stelt strafbaar onder meer de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt en verzuimt de identiteit mee te delen van de bestuurder of van de persoon die het voertuig onder zich heeft, wanneer een overtreding op de Wegverkeerswet of op een van haar uitvoeringsbesluiten wordt begaan met een voertuig ingeschreven op naam van die rechtspersoon, of daartoe niet de nodige maatregelen heeft genomen.

Deze wetsbepaling sluit opzettelijk handelen niet uit.

3. Artikel 67ter Wegverkeerswet voert ten aanzien van de voormelde natuurlijke persoon geen persoonlijke aansprakelijkheid in om reden van zijn bijzondere verantwoordelijkheid of hoedanigheid binnen de rechtspersoon, die zou afwijken van de aansprakelijkheidsregeling van artikel 5 Strafwetboek.

Daaruit volgt dat de geïdentificeerde natuurlijke persoon die voor de rechtspersoon handelt voor de misdrijven van artikel 67ter Wegverkeerswet alleen kan worden veroordeeld wanneer hij de zwaarste fout heeft gepleegd of wetens en willens heeft gehandeld. In dit laatste geval kan hij veroordeeld worden samen met de rechtspersoon.

4. Voormelde aansprakelijkheidsregeling staat niet eraan in de weg dat wanneer zowel de rechtspersoon als de geïdentificeerde natuurlijke persoon wegens overtreding van artikel 67ter Wegverkeerswet worden vervolgd, de natuurlijke persoon verweer kan voeren dat hij noch wetens en willens heeft gehandeld noch de zwaarste fout heeft begaan. Bij ontstentenis van dergelijk verweer vermag de strafrechter naast de veroordeling van de rechtspersoon, de geïdentificeerde natuurlijke persoon wettig schuldig te achten door de telastlegging in de bewoordingen van de wet bewezen te verklaren, zonder dat hij daarbij het wetens en willens handelen van de natuurlijke persoon uitdrukkelijk moet vaststellen.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters met betrekking tot het morele element van de telastlegging voormeld verweer heeft gevoerd.

Bijgevolg vermochten de appelrechters eisers schuld in de bewoordingen van de wet bewezen te verklaren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 8 Probatiewet en de artikelen 127, 131, 135, 223 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het is onduidelijk of het uitstel van tenuitvoerlegging enkel geldt voor de geldboete en het vervangend rijverbod of ook voor de uitgesproken hoofdgevangenisstraf; het wekt alleszins verwondering dat het uitstel enkel zou gelden voor de geldboete en het vervangend rijverbod en niet voor de uitgesproken hoofdgevangenisstraf; de appelrechters miskennen hun motiveringsplicht terzake.

7. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 127, 131, 135, 223 en 235bis Wetboek van Strafvordering die vreemd zijn aan de aangevoerde grief, faalt het naar recht.

8. De appelrechters die de door de eerste rechter uitgesproken straffen met inbegrip van het slechts gedeeltelijke uitstel bevestigen, hebben op duidelijke wijze bepaald dat het door hen bepaalde uitstel enkel geldt voor de geldboete en het vervangend rijverbod en niet voor de uitgesproken hoofdgevangenisstraf.

In zoverre mist het middel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, feitelijke grondslag.

9. Krachtens artikel 8, § 1, eerste lid, in fine, Probatiewet moet de beslissing waarbij het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 Wetboek van Strafvordering.

Krachtens artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, een bepaalde straf of maatregel uitspreekt.

Die verplichting is krachtens artikel 195, vierde lid, Wetboek van Strafvordering evenwel niet van toepassing wanneer de rechtbank uitspraak doet in graad van beroep, behalve wanneer zij een verval van het recht tot het besturen van een voertuig, een luchtschip en het geleiden van een rijdier uitspreekt.

10. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie, vereisen de voormelde wetsbepalingen niet dat de appelrechter uitdrukkelijk de redenen vermeldt waarom hij geen of slechts gedeeltelijk uitstel of probatie-uitstel verleent voor de uitgesproken hoofdgevangenisstraf of de geldboete.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser hetzij voor de eerste rechter, hetzij voor de appelrechters uitstel of probatie-uitstel heeft gevraagd.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

11. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters in feite.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van de artikelen 62 en 67ter Wegverkeerswet en de artikelen 127, 131, 135, 223 en 235bis Wetboek van Strafvordering alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van het recht op tegenspraak: uit de neergelegde stukken blijkt dat het relaas van de verbalisant niet objectief is zodat de bewijswaarde van het proces-verbaal komt te vervallen; het bestreden vonnis dat niettemin eisers veroordeling steunt op voormeld proces-verbaal schendt voormelde wetsbepalingen en rechtsbeginselen.

13. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 127, 131, 135, 223 en 235bis Wetboek van Strafvordering die vreemd zijn aan de aangevoerde grief, faalt het naar recht.

Voor het overige komt het middel op tegen de beoordeling van feiten door de rechter of verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing tot schuldigverklaring

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 57,12 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 3 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Paul Kenis, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Veroordeling van de natuurlijke persoon en van de rechtspersoon

  • Artikel 67ter Wegverkeerswet

  • Moreel bestanddeel