- Arrest van 4 mei 2011

04/05/2011 - P.11.0665.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De ministeriële omzendbrief over de berekening van de datum waarop de betrokkene in de wettelijke tijdsvoorwaarden komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling, is op zich geen wet in de zin van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, zodat de miskenning ervan geen aanleiding kan geven tot vernietiging (1). (1) Cass. 3 april 2007, AR P.07.0214.N, AC, 2007, nr. 170; zie Cass. 22 dec. 2000, AR C.99.0164.N, AC, 2000, nr. 720.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0665.F

I. S. N.,

II. S. N.,

Mr. Luc Detremmerie en mr. Yannick De Vlaemynck, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis van de strafuitvoerings-rechtbank te Brussel van 28 maart 2011.

De eiser voert in twee identieke memories waarvan een aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van 4 april 2011

Eerste middel

De eiser verwijt het vonnis dat het de artikelen 25 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden en 600 Wetboek van Strafvordering schendt. Het middel voert tevens de schending aan van een ministeriële omzendbrief over de berekening van de datum waarop de betrokkene in de wettelijke tijdsvoorwaarden komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

De strafuitvoeringsrechtbank wordt verweten dat zij op onrechtmatige wijze herhaling in aanmerking heeft genomen om de invrijheidstelling te weigeren na het uitzitten van een derde van de straf.

De aangevoerde omzendbrief preciseert de bewoordingen waaruit, bij de lezing van een veroordelend vonnis of arrest, kan worden afgeleid dat de staat van herhaling naar behoren was vastgesteld.

Dergelijke circulaire is op zich geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek, zodat de miskenning ervan geen aanleiding kan geven tot vernietiging.

Het middel is wat dat betreft niet ontvankelijk.

Artikel 600 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de door het strafregister meegedeelde gegevens geen bewijs vormen van de beslissingen waarop zij betrekking hebben.

Het bestreden vonnis verwijst evenwel niet naar een uittreksel uit het strafregister om te zeggen dat één van de titels van hechtenis van de eiser vermeldt dat hij veroordeeld is in staat van herhaling.

Het middel mist wat dat betreft feitelijke grondslag.

Krachtens artikel 25, § 2, b, van de wet van 17 mei 2006, wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling toegekend aan de veroordeelde die twee derde van de straf heeft ondergaan, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond.

Artikel 2, 7°, van de wet omschrijft die staat als de herhaling zoals gedefinieerd door het Strafwetboek en door bijzondere strafwetten en die is vastgesteld in het vonnis of arrest van veroordeling door de uitdrukkelijke verwijzing naar de veroordeling die aan de herhaling ten grondslag ligt.

Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser met name is aangehouden op grond van het arrest van het hof van beroep te Brussel van 8 november 2004. Zowel met eigen redenen als met bevestiging van het beroepen vonnis, wijst dat arrest erop, volgens de rechtbank, dat de misdrijven gepleegd werden sedert de betrokkene bij vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 28 maart 2000 dat op het ogenblik van de feiten kracht van gewijsde had, werd veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf wegens het bezit, de verkoop of het te koop aanbieden van verdovende middelen, een straf die nog niet verjaard is.

Uit die uitdrukkelijke verwijzing naar de vroegere veroordeling die de toepassing van artikel 56 Strafwetboek verantwoordt en de parafering van dat artikel door de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, leidt de strafuitvoeringsrechtbank naar recht af dat de eiser zich in staat van herhaling bevindt, wat de vrijlating na een derde van de straf belet.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

Tweede middel

De eiser verwijt de strafuitvoeringsrechtbank dat zij haar bevoegdheid heeft overschreden, de artikelen 19, eerste lid, en 24 Gerechtelijk Wetboek heeft geschonden en het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken heeft miskend. Het vonnis wordt verweten dat het beslist dat de in de hechtenistitel vastgestelde staat van herhaling de vrijlating na een derde van de straf belet, ofschoon een vroeger vonnis van datzelfde rechtscollege de veroordeelde voorwaardelijk heeft vrijgelaten zonder melding te maken van dergelijk beletsel.

Volgens de eiser houdt die eerdere vrijlating de onherroepelijke beslissing in dat hij de tijdsvoorwaarden vervult om in aanmerking te komen voor de voorgestelde maatregel.

Het gezag van gewijsde in strafzaken wordt niet geregeld door de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek maar is een algemeen rechtsbeginsel dat in verschillende bepalingen van datzelfde recht is vastgelegd.

Aangezien de vonnissen van de strafuitvoeringsrechtbank geen uitspraak doen over de strafvordering hebben zij geen gezag van gewijsde.

De toekenning van voorwaardelijke invrijheidstelling heeft dus niet de onherroepelijke beslissing tot gevolg dat de persoon die voor de maatregel in aanmerking komt aan de voorwaarden heeft voldaan.

Het middel faalt naar recht.

Derde en vierde middel

De eiser voert aan dat een rechtbank die herhaling in aanmerking neemt, terwijl zij bij een eerdere vrijlating daar geen rekening mee had gehouden, het beginsel van de rechtszekerheid en het algemeen beginsel van het gewettigd vertrouwen miskent.

De beslissing die uitspraak doet over een strafuitvoeringsmodaliteit is niet aan die beginselen onderworpen aangezien de toekenning van die modaliteit de veroordeelde, die niet langer de maatregel geniet omdat hij werd ingetrokken, niet het recht geeft zich bij het onderzoek van een nieuw voorstel op een verkregen recht of een gewettigd vooruitzicht te beroepen.

De middelen falen naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 4 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Voorwaardelijke invrijheidstelling

  • Ministeriële omzendbrief

  • Aard