- Arrest van 5 mei 2011

05/05/2011 - F.10.0006.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een gemeentebelasting op hotels die, na aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde, berekend wordt op de bruto-inkomsten uit de verhuur van hotelkamers, is een verboden gelijkaardige belasting in de zin van artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, daar die inkomsten een essentieel bestanddeel zijn voor de vaststelling van de grondslag van de belasting op de inkomsten van de hotelexploitant (1). (1) Zie concl. O.M., AR F.10.0006.F, Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0006.F

STAD LUIK,

Mr. François Delobbe, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

HOTEL HÔRS CHÂTEAU bvba,

Mr. Marc Levaux, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 22 mei 2009 van het hof van beroep te Luik.

Op 5 april 2011 heeft advocaat-generaal André Henkes een conclusie neergelegd ter griffie.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in het cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord

Geen enkele akte tot betekening van de memorie van antwoord die aan de neerlegging ervan ter griffie voorafgaat, wordt overgelegd.

Die memorie kan dus niet in aanmerking worden genomen.

Het middel

Krachtens artikel 464, 1°, WIB92 zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft.

Een plaatselijke belasting die rechtstreeks geheven wordt op een van de essentiële bestanddelen voor de vaststelling van de grondslag van een in die bepaling bedoelde belasting is een verboden gelijkaardige belasting.

Dat is het geval met een gemeentebelasting op hotels, die, na aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde, berekend wordt op de bruto-inkomsten uit de verhuur van hotelkamers, daar die inkomsten een essentieel bestanddeel zijn voor de vaststelling van de grondslag van de belasting op de inkomsten van hotelexploitanten.

Het arrest stelt vast dat artikel 9 van de belastingverordening betreffende de belasting op hotels die op 17 december 2001 is goedgekeurd door de gemeente, eiseres, bepaalt dat, "los van de belasting over de toegevoegde waarde, de belasting wordt vastgesteld op acht procent van het totaalbedrag dat de hotelexploitant ontvangt voor de bezetting van het hotel, de bijkomende diensten, de verlichting en de verwarming". Artikel 10 van de verordening bepaalt dat "de belastingschuldige belast wordt op basis van een vijfde van het bedrag van het pension bij verhuur in volpension, en op basis van een derde bij verhuur in halfpension". Artikel 11 bepaalt dat "de belasting, zoals zij in de vorige artikelen is vastgesteld, wordt vermenigvuldigd met een bezettingsfactor" die omschreven wordt in artikel 12.

Het arrest dat, zonder door de in het middel aangeklaagde dubbelzinnigheid te zijn aangetast, beslist dat de litigieuze belasting berekend wordt op ten minste "een gedeelte van de bruto-inkomsten uit de verhuur van hotelkamers door de [verweerster], dat voornoemd gedeelte in de vennootschapsbelasting belast wordt als belastbare winst in de zin van artikel 185 WIB92 dat de belasting die betrekking heeft op de opbrengsten van de activiteiten van de belastingschuldige en geheven wordt op de inkomsten die de berekeningsgrondslag van de inkomstenbelastingen vormen, wat te dezen het geval is, een gelijkaardige belasting is die op basis van die belasting wordt geheven en die verboden wordt door artikel 464 [van dat wetboek en] dat het dienaangaande niet ter zake doet dat de netto-inkomsten de belastbare grondslag vormen van de inkomstenbelastingen, aangezien die inkomsten deel uitmaken van het brutobedrag en verkregen worden door aftrek van de lasten hierop", antwoordt aldus op de conclusie van de eiseres, omkleedt de beslissing waarbij de belastingverordening van 17 december 2001 onwettig verklaard wordt regelmatig met redenen en verantwoordt die beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Laat de kosten van de memorie van antwoord ten laste van de verweerster; veroordeelt de eiseres in de overige kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van 5 mei 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Belasting op hotels

  • Verboden gelijkaardige belasting