- Arrest van 5 mei 2011

05/05/2011 - C.07.0282.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat een veroordeling tot een dwangsom bevat, staat het aan de beslagrechter om op grond van artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek te bepalen of de voor een dwangsom gestelde voorwaarden vervuld zijn (1). (1) Zie concl. O.M., AR. C.07.0282.F, Pas., 2011, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.07.0282.N

B. F., e.a.

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BRAINE-L'ALLEUD SABLIERE, nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 13 november 2006 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

Bij een arrest van 12 maart 2009 heeft het Hof aan het Benelux Gerechtshof een prejudiciële vraag gesteld waarop het arrest nr. 2009/2 van 30 september 2010 antwoordt.

Op 5 april 2011 heeft advocaat-generaal André Henkes een conclusie ter griffie neergelegd.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconlcudeerd.

II. FEITEN

Blijkens het arrest en de feiten waarop het Hof vermag acht te slaan kunnen de feiten van de zaak en de voorafgaande rechtspleging als volgt worden samengevat:

1. Inzet van het geding tussen de eisers, buurtbewoners van het terrein "Tout-Lui-Faut" te Eigenbrakel en de verweerster is de exploitatie van een zandgroeve op die locatie.

Bij twee arresten van 12 juni 1987 en 24 oktober 1990 vernietigde de Raad van State de besluiten van 27 mei 1985 en 6 november 1987 van de Executieve van het Waalse Gewest tot goedkeuring van bijzondere plannen van aanleg van de gemeente Eigenbrakel, waarin op de locatie ontginningsgebieden waren opgenomen.

2. Nadat door een gerechtsdeurwaarder was vastgesteld dat de verweerster de in het geding zijnde groeve verder bleef exploiteren, stelden de eisers begin 1991 een vordering in kort geding in voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, die de verweerster bij beschikking van 14 mei 1991 verbood de exploitatie voort te zetten op verbeurte van een dwangsom van 60.000 frank per dag dat een overtreding zou worden vastgesteld.

Op het hoger beroep van de verweerster bevestigde het hof van beroep te Brussel die beschikking bij een arrest van 25 juni 1992 met als enige wijziging dat het bedrag van de dwangsom op 150.000 frank werd gebracht.

Het cassatieberoep tegen dat arrest werd verworpen bij een arrest van 1 maart 1993.

3. Nadat de eisers herhaaldelijk door de gerechtsdeurwaarder hadden laten vaststellen dat de verweerster de zandgroeve tussen 29 mei 1991 en 4 september 1992 en tussen 13 juli 1994 en 18 november 1994 bleef exploiteren, lieten zij verschillende bevelen tot betaling van de dwangsom uitvaardigen, waaronder het bevel van 2 mei 1995.

4. Op 5 juli 1995 tekende de verweerster tegen dat bevel verzet aan bij de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel en voerde daarbij aan dat zij haar bedrijf had hervat nadat zij een nieuwe ontginningsvergunning van de gemeente Eigenbrakel had gekregen op 29 juni 1994, zodat het arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 juni 1992 geen bestaansreden meer had, daar de omstandigheden die tot het bevel tot staking van de werken had geleid veranderd waren.

De eisers stelden een tegenvordering in die ertoe strekte de verweerster te doen veroordelen om aan ieder van hen een schadeloosstelling van 619, 73 euro te betalen wegens tergend en roekeloos geding.

Bij het beroepen vonnis van 27 oktober 2004 verwiep de beslagrechter het verzet tegen het bevel en wees de tegenvorderingen toe.

5. Op het hoger beroep van de verweerster wijzigde het bestreden arrest van 13 november 2006 het beroepen vonnis op grond dat het arrest van het hof van beroep van 25 juni 1992 niet meer uitvoerbaar was toen de gemeente Eigenbrakel op 29 juni 1994 een schijnbaar geldige ontginningsvergunning verleende, aangezien dat arrest de beschikking van 14 mei 1991 had bevestigd en daarbij een precair verbod had opgelegd dat uitwerking had "zolang [de verweerster] de zandgroeve bleef exploiteren zonder dat zij daarvoor over een geldige vergunning beschikte".

III. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 23 tot 28, 584, tweede lid, 1032, 1039, 1385quater, 1385quinquies en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest wijzigt het beroepen vonnis en verklaart vervolgens het verzet tegen het bevel voorafgaand aan het beslag van 2 mei 1995 dat door (de verweerster) bij exploot van 5 juli 1995 is betekend, ontvankelijk en gegrond en verklaart bijgevolg de vordering van de eisers tot schadevergoeding wegens tergende en roekeloze rechtspleging en wegens tergend en roekeloos hoger beroep ongegrond, zulks om de volgende redenen:

"(De verweerster) voert aan dat zij beschikt over een nieuwe ontginningsvergunning die op 29 juni 1994 is afgegeven door de gemeente Eigenbrakel, zodat haar exploitatie van de litigieuze zandgroeve vanaf die datum tot de dag waarop een nieuwe in kort geding gewezen beschikking uitvoerbaar is geworden, geoorloofd is en niet langer door het arrest van 25 juni 1992 verboden wordt.

Voor het hof [van beroep] vraagt (de verweerster) dat het vonnis gedeeltelijk wordt tenietgedaan, dat wordt vastgesteld dat de op 29 juni 1994 afgegeven ontginningsvergunning tot gevolg heeft gehad dat de titel die de dwangsommen oplegt niet langer actueel is, dat voor recht wordt gezegd dat de dwangsommen voor de periode van 11 juli tot 21 november 1994 niet verschuldigd zijn en tot slot dat de tegenvordering niet-gegrond wordt verklaard.

Krachtens artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek kan enkel de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde, de opheffing ervan bevelen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

Er moet echter een onderscheid worden gemaakt tussen de opheffing of de vermindering van de dwangsom zolang de inbreuk van de partij aan wie de dwangsom is opgelegd blijft duren en de toestand waarbij, door een externe gebeurtenis, de rechterlijke beslissing die de dwangsom oplegt, haar uitvoerbaar karakter verliest.

(De verweerster) voert daarentegen aan dat de titel die als juridische grondslag dient opdat de dwangsom verschuldigd kan zijn - namelijk het arrest van het hof [van beroep] van 25 juni 1992 - slechts uitwerking heeft zolang de exploitatie zonder vergunning gebeurt en dat genoemd verbod niet langer uitvoerbaar is zodra de partij over een vergunning beschikt (ook al wordt die naderhand en voor de toekomst ongeldig verklaard).

Luidens artikel 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek komt de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen en kan die partij de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld.

Krachtens artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek moet de beslagrechter, in geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat een veroordeling tot een dwangsom bevat, nagaan of de voor de dwangsom bepaalde vereisten al dan niet vervuld zijn.

Behoudens de door de wet bepaalde gevallen kan de beslagrechter geen uitspraak doen over de zaak zelf. Hij mag geen uitspraak doen over de rechten van de partijen die zijn vastgesteld door een titel waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd. De rechter dient, voor de toetsing van de ter uitvoering van de veroordeling verrichte handelingen, het doel en de strekking van de veroordeling als richtsnoer te nemen, met dien verstande dat de veroordeling geacht wordt niet verder te strekken dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

Aldus staat het aan het hof [van beroep] te bepalen of de door het arrest van 25 juni 1992 - dat in kort geding is gewezen - gestelde voorwaarden opdat (de verweerster) de dwangsom kan verbeuren, vervuld zijn tijdens de litigieuze periode.

Daartoe moeten de draagwijdte en de uitwerking van dat arrest worden onderzocht.

Volgens dat arrest berust het verbod op een toereikende schijn van recht dat de zandgroeve op onwettige wijze wordt geëxploiteerd doordat de exploitatievergunningen die de provincieoverheid op 29 april 1986 heeft afgegeven onwettig zijn en doordat de exploitatie niet overeenstemt met de op 3 maart 1988 afgegeven vergunning tot wijziging van het reliëf.

Het voorlopige verbod - dat het gevolg is van de bevestiging door dat arrest van de beschikking van 14 mei 1991 - had dus uitwerking zolang (de verweerster) de zandgroeve bleef exploiteren zonder daartoe te beschikken over een geldige vergunning.

Zoals eerder gezegd, kon (de verweerster), zodra een kennelijk geldige vergunning was afgegeven (de vergunning van 29 juni 1994), zich daadwerkelijk beroepen op het vermoeden van wettigheid waardoor die voorlopige titel geen uitwerking meer had voor de toekomst.

Het arrest van 25 juni 1992 is dus geen uitvoerbare titel die als grondslag dient voor de inning van dwangsommen voor de periode vanaf wanneer (de verweerster) niet langer de exploitatie zou voortzetten in het precaire kader en zonder in het bezit te zijn van een schijnbaar geldige en wettige vergunning.

Aangezien niet wordt betwist dat (de verweerster) sinds 29 juni 1994 over een titel beschikte om de zandgroeve te exploiteren, oordeelt het hof [van beroep] - zonder dat arrest op enigerlei wijze te wijzigen of te interpreteren - dat de (eisers), op grond van het arrest van 25 juni 1992, geen dwangsom verbeuren voor de periode van 29 juni 1994 tot 21 november 1994, namelijk tot op het ogenblik waarop een nieuwe voorlopige beslissing hen verbiedt de exploitatie voort te zetten.

Wanneer het hof [van beroep] vaststelt dat de dwangsom niet langer verschuldigd is zodra de vergunning verkregen is, wijzigt het de beschikking die de dwangsom oplegt op geen enkel punt maar stelt het enkel vast dat (de verweerster) vanaf het opduiken van een nieuw feit (het verkrijgen van de vergunning) beschikte over de machtiging, door de in het algemeen belang handelende bevoegde overheid verleend, om de zandgroeve te exploiteren.

(De eisers) misken(nen) aldus de draagwijdte van het arrest en hun zienswijze dat het verkrijgen van een vergunning van de bevoegde overheid niet voldoende was om de exploitatie toe te staan, kan dus niet worden gevolgd. In de gedachtegang van (de eisers) zou, zodra een beschikking in kort geding - zonder de zaak zelf nadeel toe te brengen - een onwettige handelwijze verbiedt op straffe van een dwangsom, die dwangsom tot in het oneindige verschuldigd blijven zolang de rechter die de maatregel heeft bevolen de dwangsom voor de toekomst niet heeft tenietgedaan.

Wel integendeel. Het voorlopige karakter van een beslissing in kort geding impliceert dat, zodra een beslissing over de zaak zelf wordt gewezen of zodra een nieuw gegeven opduikt dat een einde maakt aan de onwettigheid van de door de voorlopige beslissing beteugelde handelwijze, de beslissing in kort geding, van rechtswege, haar bestaansreden en bijgevolg haar uitvoerbaarheid verliest, en zulks zonder dat de zaak opnieuw moet voorkomen voor de rechter die in kort geding uitspraak heeft gedaan.

Aangezien het hoger beroep gegrond was, was het oorspronkelijke verzet, ook als was het slechts ten dele gegrond, niet tergend en roekeloos.

Aangezien het hoofdberoep gegrond is, volgt hieruit dat de nieuwe vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep niet gegrond is".

Grieven

Krachtens artikel 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek komt de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen. Die partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld.

Artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek verleent de beslagrechter de bevoegdheid om zwarigheden bij de tenuitvoerlegging te beslechten.

Eerste onderdeel

Volgens artikel 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek doet de rechter in kort geding bij voorraad uitspraak en volgens artikel 1039 van dat wetboek brengen de beschikkingen die hij wijst geen nadeel toe aan de zaak zelf. Hieruit volgt dat de beslissing van de rechter in kort geding geen gezag van rechterlijk gewijsde heeft ten aanzien van de bodemrechter en hem niet bindt. De bodemrechter kan een andersluidende beslissing nemen zodat de beslissing in kort geding vervalt.

Het gezag van het rechterlijk gewijsde van de beslissing in kort geding geldt echter wel voor de beslagrechter die, overeenkomstig artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, uitspraak moet doen over een geschil betreffende de tenuitvoerlegging ervan.

Daaruit volgt dat het bestreden arrest, doordat het vaststelt dat de eiseres de groeve heeft geëxploiteerd ondanks het verbod dat uitgesproken werd bij de beschikking in kort geding van 14 mei 1991, die in hoger beroep werd bevestigd door het arrest van 25 juni 1992, maar niettemin beslist dat de dwangsom, door het opduiken van een nieuw gegeven - de afgifte van een nieuwe vergunning - niet langer verschuldigd is, weigert rekening te houden met een beslissing die in kort geding is gewezen, daar het de draagwijdte van de voornoemde artikelen 584, tweede lid, en 1039 uitbreidt naar een geval waarin die wetsbepalingen niet voorzien en aldus het gezag van het rechterlijk gewijsde van die beslissing miskent (schending van de artikelen 23 tot 28, 584, 1039 en 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Met toepassing van artikel 1032 van het Gerechtelijk Wetboek kan de beschikking in kort geding, in geval van gewijzigde omstandigheden, worden gewijzigd of ingetrokken door de rechter die ze heeft gewezen.

De vordering tot intrekking van een beschikking in kort geding wegens een nieuw gegeven moet worden ingesteld voor de rechter die ze heeft gewezen.

Door te beslissen dat de beslagrechter, wanneer een nieuw gegeven opduikt, mag oordelen dat de beschikking in kort geding van rechtswege vervalt, kent het bestreden arrest hem bevoegdheden toe die niet hem maar wel de rechter in kort geding toekomen (schending van de artikelen 1032, 1385quater en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek).

Derde onderdeel

In geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat een veroordeling tot een dwangsom uitspreekt, moet de beslagrechter nagaan of de voor de dwangsom gestelde vereisten vervuld zijn.

Overeenkomstig artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek kan enkel de rechter die de dwangsom heeft uitgesproken de opheffing ervan bevelen.

Door te beslissen dat de dwangsom die is uitgesproken krachtens een in hoger beroep bevestigde beschikking in kort geding tot verbod van exploitatie van een groeve niet langer verschuldigd is omdat zich een nieuw feit heeft voorgedaan, heft het bestreden arrest die dwangsom eigenlijk op en gaat het zijn bevoegdheid te buiten (schending van de artikelen 1385(quinquies) en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek).

Vierde onderdeel

De beslagrechter is niet bevoegd om uitspraak te doen over de rechten van de partij die zijn vastgelegd in de uitvoerbare titel - te dezen een beschikking in kort geding - waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd.

In deze zaak werd het recht van de eisers om een dwangsom ten uitvoer te leggen, vastgesteld door een beslissing in kort geding die, op straffe van een dwangsom, de verweerster verbood een zandgroeve te exploiteren.

Door te beslissen dat de dwangsom, die is uitgesproken krachtens een in hoger beroep bevestigde beschikking in kort geding tot verbod van exploitatie van een groeve niet langer verschuldigd is omdat zich een nieuw feit heeft voorgedaan, doet het bestreden arrest uitspraak over de rechten van de partijen en gaat het zijn bevoegdheid te buiten (schending van de artikelen 1385quater en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek).

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De vier onderdelen samen

1. Het middel verwijt het hof van beroep dat het, uitspraak doende als beslagrechter, oordeelt dat de beslissing, die vervat lag in de op 14 mei 1991 in kort geding gewezen beschikking en bevestigd was door het arrest van het hof van beroep van 25 juni 1992 waarbij de verweerster het verbod werd opgelegd om de in het geding zijnde zandgroeve te exploiteren, van rechtswege was vervallen omdat zich een nieuw feit had voorgedaan, namelijk de afgifte van een nieuwe ontginningsvergunning door de gemeente Eigenbrakel op 29 juni 1994 en dat het bijgevolg beslist dat de dwangsommen niet verschuldigd waren voor de periode van 11 juli tot 21 november 1994.

2. Luidens artikel 1385quater Gerechtelijk Wetboek komt de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen. Deze partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld.

Artikel 1385quinquies, eerste lid, bepaalt dat de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde, de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan kan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom kan verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

Die bepalingen stemmen overeen met de artikelen 3 en 4, eerste lid, van de bijlage bij het Benelux-verdrag van 26 november 1973 houdende eenvormige wet op de dwangsom.

In zijn arrest van 30 september 2010 heeft het Benelux-Gerechtshof voor recht gezegd dat de artikelen 3 en 4, eerste lid, van de Eenvormige wet betreffende de dwangsom niet eraan in de weg staan dat de executierechter, gelet op het feit dat zich een nieuwe, geen overmacht opleverende omstandigheid heeft voorgedaan, kan toetsen of de titel waarbij de dwangsom is opgelegd, nog doeltreffend en uitvoerbaar is.

In zoverre het middel het tegenovergestelde aanvoert en de schending van de artikelen 1385quater en 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek aanvoert, faalt het middel naar recht.

3. In geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat een veroordeling tot een dwangsom bevat, staat het aan de beslagrechter om op grond van artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek te bepalen of de voor de dwangsom gestelde voorwaarden vervuld zijn.

Hoewel de beslagrechter in de regel geen uitspraak kan doen over de zaak zelf en de rechten van de partijen die zijn vastgelegd in de titel waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, niet kan wijzigen, is hij evenwel bevoegd om na te gaan of die titel nog geldig en derhalve uitvoerbaar is.

Op dat punt dient de rechter acht te slaan op het doel en de strekking van de veroordeling waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd in de wetenschap dat die veroordeling niet verder mag gaan dan het bereiken van het ermee beoogde doel.

Het bestreden arrest beslist dat de dwangsommen gedurende de litigieuze periode van 11 juli tot 21 november 1994 niet verschuldigd zijn op grond van de volgende overwegingen:

- het staat aan het hof van beroep uit te maken "of de voorwaarden die het - in kort geding gewezen - arrest van 25 juni 1992 heeft opgelegd opdat [de verweerster] de dwangsom zou verbeuren, vervuld zijn tijdens de litigieuze periode";

- daartoe dienen de draagwijdte en de gevolgen van dat arrest te worden onderzocht;

- uit de motivering ervan blijkt dat het opgelegde verbod om de litigieuze zandgroeve te exploiteren "dus uitwerking had zolang [de verweerster] de zandgroeve bleef exploiteren zonder dat zij daarvoor over een geldige vergunning beschikte";

- na de afgifte van een schijnbaar geldige vergunning op 29 juni 1994 "genoot de verweerster wel degelijk het vermoeden van wettigheid waardoor de voorlopige titel geen uitwerking meer had voor de toekomst";

- het arrest van 25 juni 1992 "is dus geen uitvoerbare titel die kan worden gebruikt om dwangsommen in te voeren voor de tijdsspanne vanaf wanneer [de verweerster] de ontginning niet meer voorlopig zou voortzetten en zonder over een schijnbaar geldige en wettige vergunning te beschikken".

Door aldus te beslissen dat het arrest van 25 juni 1992 niet langer uitvoerbaar was omdat een nieuw gegeven was opgedoken, namelijk het feit dat een nieuwe, schijnbaar geldige, exploitatievergunning was uitgereikt, is het hof van beroep bij zijn uitspraak als beslagrechter zijn bevoegdheid niet te buiten gegaan, heeft het zich evenmin de bevoegdheden toegeëigend die uitsluitend toekomen aan de rechter in kort geding die de dwangsommen heeft opgelegd en heeft evenmin het gezag van gewijsde van het arrest van 25 juni 1992 miskend.

In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 23 tot 28, 584, tweede lid, 1032, 1039 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek kan het niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 5 mei 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Tenuitvoerlegging

  • Zwarigheden

  • Voorwaarden

  • Beoordeling

  • Beslagrechter

  • Bevoegdheid