- Arrest van 6 mei 2011

06/05/2011 - C.10.0494.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 1675/7, §2, eerste, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek kan niet afgeleid worden dat de middelen van tenuitvoerlegging ook worden geschorst ten aanzien van personen die een zakelijke zekerheid hebben gesteld om een schuld van de tot de procedure van collectieve schuldenregeling toegelaten verzoeker te waarborgen; de erin bedoelde schorsingsgronden gelden evenmin wanneer deze zakelijke zekerheidsteller tevens een persoonlijke zekerheid heeft gesteld ten behoeve van de verzoeker en de tenuitvoerlegging het goed of de goederen betreffen die het voorwerp zijn van de zakelijke zekerheid (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0494.N

M.-L. B.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

AXA BANK EUROPE nv, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 30 maart 2010.

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 11 april 2011 een conclusie neergelegd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1186 en 1216 Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 41, eerste lid, en 108, 1°, Hypotheekwet van 16 december 1851;

- de artikelen 1494, eerste lid, 1675/7, § 1 en § 2, en 1675/16bis, § 1 en § 5, Gerech-telijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres in cassatie ongegrond en bevestigt het eerste vonnis van de beslagrechter waarin tot ongegrondheid werd beslist van het verzet van de eiseres strekkende tot handlichting van het door de verweerster gelegde uitvoerend beslag op het onroerend goed dat de eiseres in hypotheek had gegeven tot waarborg van een schuld van mevrouw Lambot en van haarzelf als hoofdelijke medeschuldenaar.

Het arrest verantwoordt zijn beslissing op grond van de volgende motieven (p. 11-15, nrs. 5 t/m 12):

"b) Wat betreft de gegrondheid van het verzet van (de eiseres)

5. (De eiseres) vraagt de handlichting van het beslag dat (de verweerster) op 8 december 2008 liet leggen op het door haar ten voordele van (de verweerster) in hypotheek gegeven onroerend goed. Zij stelt dat zij bij de overeenkomt van kredietopening tussen (de verweerster) en mevrouw Lambot is opgetreden als persoonlijke zekerheidssteller, zodat - na de toelaatbaarverklaring van mevrouw Lambot tot de procedure van collectieve schuldenregeling op 6 november 2008 - (de verweerster) niet meer kon overgaan tot uitvoerend beslag op 8 december 2008, en deze procedure niet kan verderzetten nu (de eiseres) zelf op 15 december 2008 bij de arbeidsrechtbank te Nijvel een verzoek tot bevrijding als kosteloze zekerheidssteller heeft ingediend.

(De eiseres) steunt haar verzet meer bepaald op de artikelen 1675/7, § 2 en 1675/16bis Gerechtelijk Wetboek. Zij stelt dat deze artikelen blijkens de voorbereidende werken mede van toepassing zijn op solidaire medeschuldenaars zoals bedoeld in artikel 1216 Burgerlijk Wetboek en dat de hypotheek die zij verleende, slechts een bijkomende waarborg is.

(De verweerster) is van oordeel dat de bescherming van de persoonlijke zekerheidssteller tegen gedwongen tenuitvoerlegging geen toepassing kan vinden ten aanzien van (de eiseres), voor zover zij naast een persoonlijke zekerheid ook een hypothecaire waarborg heeft verleend dewelke door (de verweerster) wordt uitgewonnen.

De omstandigheid dat er door (de eiseres) in casu een persoonlijke en zakelijke zekerheid cumulatief werden verstrekt, belet volgens (de verweerster) niet dat beide zekerheden volledig los staan van elkaar en dat de gedwongen uitvoering kan worden verdergezet op grond van de zakelijke zekerheid. Zelfs mocht (de eiseres) worden bevrijd als persoonlijke zekerheidssteller, dan kan de hypotheek niet hetzelfde lot volgen, zoniet zou afbreuk worden gedaan aan het zakelijk karakter van de zekerheid.

6. De artikelen 1675/7, § 2, derde en vierde lid en 1675/16bis Gerechtelijk Wetboek werden ingevoegd bij de Wet van 13 december 2005, teneinde het lot te regelen van de persoonlijke zekerheidsstellers van schuldenaars, die werden toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling (artikel 7 en 19 wet 13 december 2005, B.S. 21 december 2005). De regeling is geïnspireerd door artikel 80 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, dat op zijn beurt grondig is beïnvloed door de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (voorheen Arbitragehof). Indien de natuurlijke persoon zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde laat deze laatste bepaling diens gehele of gedeeltelijke bevrijding toe. Deze bevrijding is slechts mogelijk indien de rechtbank van koophandel vaststelt dat de verbintenis van de zekerheidssteller niet in verhouding is met zijn inkomsten en zijn patrimonium.

7. Artikel 1675/7, § 2, derde lid Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de beschikking van toelaatbaarheid tot de collectieve schuldenregeling ten aanzien van personen die een persoonlijke zekerheid hebben toegestaan om een schuld van de schuldenaar te waarborgen, de middelen van tenuitvoerlegging schorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling.

De opschorting is, blijkens de tekst van artikel 1675/7, § 2, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, niet voorbehouden aan natuurlijke personen noch aan de kosteloze zekerheidssteller. Bij de voorbereiding van de wet verklaarde de minister dat de bepaling ook betrekking zou hebben op de hoofdelijke medeschuldenaar (Parl.St.Senaat, 2005-2006, 3-1207/3, 29-30). Wanneer een minnelijke schuldenregeling wordt gehomologeerd of in geval het verzoek wordt verworpen, wordt het bedrag dat door de persoon die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld verschuldigd is, definitief bepaald. Van een minnelijke kwijtschelding kan degene die voor de betrokken schuld een persoonlijke zekerheid heeft gesteld immers meegenieten.

8. Artikel 1675/16bis Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 1287 Burgerlijk Wetboek en behalve het geval van het organiseren van bedrieglijk onvermogen, natuurlijke personen, die kosteloos een persoonlijke zekerheid hebben gesteld ten behoeve van de verzoeker die tot de collectieve schuldenregeling werd toegelaten, volledig of gedeeltelijk van hun verbintenis kunnen worden bevrijd indien de rechter vaststelt dat hun verbintenis onevenredig is met hun inkomsten en met hun vermogen.

Om deze bevrijding te kunnen genieten, moet de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld, ter griffie van het gerecht waarbij het verzoek tot collectieve schuldenregeling werd ingediend (thans de arbeidsrechtbank) een verklaring neerleggen, waaruit blijkt dat zijn verbintenis onevenredig is met zijn inkomsten en met zijn vermogen (artikel 1675/16bis, § 2 Gerechtelijk Wetboek).

Ten aanzien van een persoon die deze in artikel 1675/16bis, § 2 bedoelde verklaring heeft neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding (artikel 1675/16bis, § 2, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek).

Met betrekking tot de vraag of artikel 1675/16bis Gerechtelijk Wetboek het gelijkheidsbeginsel schendt in zoverre het géén bevrijding voorziet voor natuurlijke personen die kosteloos tot waarborg een hypotheek hebben toegestaan (propter rem), zal men opmerken dat het Grondwettelijk Hof (toen nog Arbitragehof) in zijn arrest van 25 januari 2006 met betrekking tot het analoge artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals vervangen bij de wet van 4 september 2002, heeft geoordeeld dat de uitsluiting van hypotheekstellers de grondwet niet schendt (arrest 12/2006). Dit standpunt werd door het Grondwettelijk Hof bevestigd in zijn arrest van 15 maart 2006 (arrest 42/2006).

9. De in artikel 1675/16bis, § 2, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring kan slechts worden afgelegd door natuurlijke personen die kosteloos een persoonlijke zekerheid hebben gesteld. Anders dan bij de bevrijdende gevolgen van een minnelijke kwijtschelding, is het personeel toepassingsgebied van de in artikel 1675/16bis, Gerechtelijk Wetboek bedoelde bevrijding duidelijk beperkter. Parallel hiermee zal ook het personeel toepassingsgebied van de voornoemde in artikel 1675/7, § 2, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging beperkter zijn. Laatstvermelde bepaling behoudt de schorsing van uitvoeringsmaatregelen, in afwachting van een uitspraak door de rechter over de bevrijding, voor aan personen die de in artikel 1675/16bis, § 2, bedoelde verklaring hebben neergelegd. Pas op het ogenblik van de uitspraak over de bevrijding wordt het uiteindelijke bedrag duidelijk waartoe de persoonlijke zekerheidsstellers nog gehouden zijn en in hoeverre hen gehele of gedeeltelijke bevrijding is verleend.

Artikel 1675/16bis, § 2, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek beschermt de personen die de in artikel 1675/16bis, § 2 bedoelde verklaring hebben afgelegd, tot de rechter over hun verzoek tot bevrijding zal hebben beslist. De uitvoeringsmaatregelen zullen de facto geschorst zijn van zodra de persoonlijke zekerheidssteller de verklaring tot bevrijding heeft neergelegd, ook indien hij niet onder het personeel toepassingsgebied van de bevrijding thuishoort omdat hij bijvoorbeeld niet kosteloos is opgetreden.

Thans dienen deze principes te worden getoetst aan de gegevens van het geschil, teneinde de gegrondheid van het verzet van (de eiseres) na te gaan.

De kern van het thans voorliggende geschil is de vraag of (de eiseres), die bij de kredietverlening cumulatief is opgetreden als solidaire medeschuldenaar en als hypotheekgever, de uitwinning van de hypotheek kan beletten op grond van de bescherming tegen gedwongen tenuitvoerlegging, voorzien in de artikelen 1675/7, § 2 en 1675/16bis, Gerechtelijk Wetboek, waarvan zij meent te kunnen genieten als persoonlijke zekerheidssteller na de toelaatbaarverklaring van haar medeschuldenaar Lambot tot de procedure van collectieve schuldenregeling en haar verzoek tot bevrijding als kosteloze persoonlijke zekerheidssteller.

10. Het kan niet worden betwist dat de artikelen 1675/16bis, § 1, Gerechtelijk Wetboek en 1675/7, § 2, Gerechtelijk Wetboek uitsluitend betrekking hebben op personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld.

Zij beletten een schuldeiser om, nadat een hoofdschuldenaar werd toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling (artikel 1675/, § 2, derde lid) en zeker nadat de persoonlijke zekerheidssteller een verzoek om bevrijding van zijn verbintenis heeft neergelegd (artikel 1675/16bis), onmiddellijk over te gaan tot gedwongen tenuitvoerlegging lastens de persoonlijke zekerheidssteller.

Op grond van de wettelijke bepalingen is (de eiseres) uitsluitend beschermd tegen de gedwongen tenuitvoerlegging, voor zover deze tegen haar wordt aangevat in haar hoedanigheid van persoonlijke zekerheidssteller.

In deze zaak is er door (de eiseres) evenwel cumulatief:

enerzijds een persoonlijke zekerheid gesteld, te weten haar solidaire medegehoudenheid tot de lening, waarvan zij thans bevrijding tracht te bekomen overeenkomstig artikel 1675/16bis, Gerechtelijk Wetboek voor de arbeidsrechtbank te Nijvel,

anderzijds een zakelijke zekerheid verstrekt tot waarborg van een hoofdverbintenis, te weten de solidaire medegehoudenheid van (de eiseres), krachtens de notariële akte van kredietopening.

De artikelen 1675/7, § 2 en 1675/16bis, Gerechtelijk Wetboek beschermen (de eiseres) niet in haar hoedanigheid van hypotheekverstrekker. In zoverre (de eiseres), naast haar persoonlijke zekerheidsstelling, ook een hypotheek heeft verleend, kan deze hypotheek worden uitgewonnen los van het lot van de persoonlijke zekerheid, waarvan zij desgevallend nog kan worden bevrijd. (De verweerster) kon terecht overgaan tot beslag op grond van deze hypotheek.

Het gaat niet op te stellen dat wanneer een solidaire medeschuldenaar de hoedanigheden cumuleert van een persoonlijke zekerheidssteller en een hypotheekgever, een bevrijding van de persoonlijke zekerheid ook een bevrijding van de zakelijke zekerheid impliceert.

Dergelijke interpretatie zou het stelsel van de zakelijke zekerheden ondermijnen en leiden tot een onverantwoorde discriminatie tussen derde-hypotheekverleners, die niet tegelijk (zoals (de eiseres)) ook een persoonlijke zekerheid hebben gesteld en tegen wie de hypotheek steeds kan worden ingewonnen, omdat de wet niet in hun bescherming heeft voorzien, ook als de hoofdschuldenaar werd toegelaten tot de collectieve schuldenregeling en later van zijn schuld geheel of ten dele wordt kwijtgescholden, en hypotheekverleners die naast hun zakelijke zekerheid ook een persoonlijke zekerheid hebben gesteld.

11. De wet heeft de mogelijkheid van bevrijding uitdrukkelijke beperkt tot de persoonlijke zekerheden. De bevrijding van dergelijke zekerheden kan niet doorwerken ten aanzien van de zakelijke zekerheden.

Dat de mogelijkheid tot bevrijding - en daaraan gekoppeld de mogelijkheid tot schorsing van de gedwongen tenuitvoerlegging - door de werkgever in het kader van de collectieve schuldenregeling expliciet werd beperkt tot de persoonlijke zekerheid en niet kan worden ingeroepen door de steller van een zakelijke zekerheid, óók niet wanneer hij beide hoedanigheden cumuleert, zoals in casu, kan ook steun vinden in de reeds hiervoor vermelde rechtspraak van het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof), bij de toepassing van de analoge bepalingen van de Faillissementswet. In een arrest van 25 januari 2006 stipte het Hof aan dat artikel 82 Faillissementswet, dat eveneens betrekking heeft op de bevrijding van de persoonlijke zekerheidssteller een billijk evenwicht beoogt tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers.

De verschoonbaarheid, die de gefailleerde in staat moet stellen zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hernemen, is een gunstmaatregel die de gecombineerde belangen van de gefailleerde, zijn schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel, in evenwicht wil brengen. Om de doeltreffendheid van deze maatregel aan te scherpen heeft de wetgever bepaalde medeverbondenen van de gefailleerde laten meegenieten van de aan de gefailleerde toegekende verschoonbaarheid. Hierbij wijkt hij af van de beginselen van artikel 1134 Burgerlijk Wetboek en artikel 7 Hypotheekwet. De opoffering, in economische aangelegenheden, van het belang van de schuldeisers voor bepaalde categorieën van schuldenaars, is verantwoord door het socio-economisch beleid waarin de maatregel past. Een objectief criterium leidt ertoe dat de hypotheeksteller niet van de bevrijding geniet. Hij loopt enkel het risico het tot waarborg gestelde onroerende goed te verliezen. Dit alles heeft tot gevolg dat de wetgever personen die heel hun vermogen hebben verbonden prima facie kwetsbaarder acht. De vraag of degenen die alleen ten belope van hun onroerend goed verbonden zijn ook moeten worden beschermd, behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever en het ontbreken van deze bescherming schendt volgens het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) de grondwet niet.

In een arrest van 15 maart 2006 bevestigde het Arbitragehof deze visie. Het Hof bevestigde dat artikel 82, eerste lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals vervangen bij de wet van 4 september 2002, in zoverre het niet van toepassing is op de natuurlijke personen die kosteloos, als borg een onroerend goed met hypotheek hebben bezwaard, de artikelen 10 en 11, Grondwet niet schendt.

12. Aangezien op dezelfde gronden in het kader van de procedure van collectieve schuldenregeling kan worden aangenomen dat wie een hypotheek heeft verleend, anders dan de persoonlijke zekerheidssteller, niet in aanmerking komt voor de in art. 1675/16bis, Gerechtelijk Wetboek bedoelde bevrijding, hoeft deze hypotheeksteller evenmin van de artikel 1675/7, § 2, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging te kunnen genieten.

Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat, ongeacht het antwoord op de vraag of M. L. B. als ‘persoon die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld' in de zin van artikel 1675/16bis, Gerechtelijk Wetboek kan worden beschouwd, niettegenstaande het feit dat zij zich als medekredietneemster ten aanzien van (de verweerster) heeft verbonden, (de verweerster) mocht overgaan tot uitvoerend beslag op onroerend goed krachtens een door M. L. B. gestelde zakelijke zekerheid, te weten een conventionele hypotheek.

In het licht van het voorgaande is het Hof ook van oordeel dat op de twee door (de eiseres) voorgestelde prejudiciële vragen niet dient te worden ingegaan".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 1675/7, § 1, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat "onverminderd de toepassing van § 3, de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop (doet) ontstaan tussen de schuldeisers en de opschorting van de loop van de interesten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg (heeft)".

Krachtens artikel 1675/7, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek "(worden) alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot betaling van een geldsom geschorst. De reeds gelegde beslagen behouden echter hun bewarende werking".

Artikel 1675/7, § 2, derde en vierde lid, preciseert wat in het boven vermelde geval van samenloop gebeurt ten aanzien van de personen die een persoonlijke zekerheid hebben toegestaan om een schuld van de schuldenaar te waarborgen. Aldus bepaalt het derde lid dat "de middelen van tenuitvoerlegging (worden) geschorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1 bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling".

Het vierde lid van voormeld artikel 1675/7, § 2 heeft het over de persoonlijke zekerheidsstellers die de in artikel 1675/16bis bedoelde verklaring hebben neergelegd. Ten aanzien van hen worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding (zie ook artikel 1675/16bis, § 5, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek).

Uit al deze wetsbepalingen, in hun onderlinge samenhang, vloeit voort dat met "de middelen van tenuitvoerlegging" wordt bedoeld elke wijze waarop een schuldeiser tot betaling van zijn schuldvordering verhaal neemt op het vermogen van zijn debiteur, d.i. zowel de hoofdschuldenaar als de codebiteur-persoonlijke zekerheidssteller voor de hoofdschuldenaar.

Hieruit volgt dat de bedoelde schorsing ook de hypothecaire schuldeisers van die schuldenaars raakt.

Het bestreden arrest stelt vast dat "bij beschikking van 6 november 2008 van de arbeidsrechtbank te Nijvel mevrouw Jasmine Lambot (werd) toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling" (p. 2, al. 5).

Het bestreden arrest stelt tevens vast dat door de eiseres "enerzijds een persoonlijke zekerheid (is) gesteld, te weten haar solidaire medegehoudenheid tot de lening (...)" en "anderzijds een zakelijke zekerheid (is) verstrekt tot waarborg van een hoofdverbintenis, te weten de solidaire medegehoudenheid van (de eiseres) (...)" (p. 9, al. 1; zie ook p. 2, al. 1 en 2). Bovendien is vastgesteld dat eiseres een verzoek tot bevrijding als persoonlijke zekerheidssteller heeft ingediend (p. 2, voorl. al.).

Ten slotte stelt het arrest ook vast dat "op 8 december 2008 (de verweerster) uitvoerend beslag (liet) leggen op het onroerend goed waarop (de eiseres) een hypotheek had verleend" (p. 2, derde laatste al.).

Hiermee staat vast dat het kwestieuze uitvoerend beslag op onroerend goed een middel van tenuitvoerlegging betreft strekkende tot de betaling van de schuld van mevrouw Lambot en van de eiseres, als medeondertekenaar van de authentieke akte van kredietopening van 28 januari 2006.

Uit dit alles volgt dat het bestreden arrest het voordeel van de schorsing van het uitvoerend beslag op het onroerend goed van de eiseres niet kon weigeren om de reden dat de schorsingsregels vervat in artikel 1675/7, § 2 en in artikel 1675/16bis, § 5 de eiseres niet beschermen in haar hoedanigheid van hypotheekverstrekker.

Door aldus te oordelen, beperkt het bestreden arrest op onwettige wijze de draagwijdte van voormelde wetsbepalingen en is het dus niet wettig verantwoord (schending van de artikelen 1675/7, § 1 en § 2, en 1675/16bis, § 5, Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Uit de artikelen 41 en 108, 1°, Hypotheekwet van 16 december 1851 blijkt dat de hypotheek een accessoir recht is, waarvan het lot afhangt van het lot van de gewaarborgde schuldvordering.

Hieruit volgt dat het gehypotheceerde goed slechts voorwerp van gedwongen uitvoering kan zijn wanneer de schuldvordering zeker, vaststaand en opeisbaar is, zoals vereist door de artikelen 1494, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en 1186 Burgerlijk Wetboek.

De schuldvordering is slechts opeisbaar wanneer de schuldeiser er de onmiddellijke betaling van kan vorderen (artikel 1186 Burgerlijk Wetboek).

Uit artikel 1675/7, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot betaling van een geldsom zijn geschorst door de beschikking die de schuldenaar toelaat tot de procedure van collectieve schuldenregeling, volgt dat de procedure van collectieve schuldenregeling de eisbaarheid van de schuld in de weg staat.

Dit geldt evenzeer voor de schuld van de hoofdelijke medeschuldenaar die als persoonlijke zekerheidssteller, krachtens artikel 1675/7, § 2, derde lid, ook van de schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging strekkende tot betaling van zijn schuld geniet.

Dit is des te meer zo wanneer die persoonlijke zekerheidssteller een verzoek tot bevrijding als bedoeld in artikel 1675/16bis, Gerechtelijk Wetboek heeft ingediend. Krachtens de artikelen 1675/7, § 2, vierde lid, en 1675/16bis, § 5, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek worden alle middelen van tenuitvoerlegging ten aanzien van die persoonlijke zekerheidssteller geschorst totdat definitief over het verzoek tot bevrijding is beslist.

Het bestreden arrest stelt vast dat " bij beschikking van 6 november 2008 van de arbeidsrechtbank te Nijvel mevrouw Jasmine Lambot (werd) toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling" (p. 2, al. 5). Hierdoor waren alle middelen van tenuitvoerlegging strekkende tot betaling van de schuld van mevrouw Lambot geschorst (artikel 1675/7, §2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek).

Daarenboven blijkt ook uit de vaststellingen van het arrest dat de kredietopening waartoe de eiseres zich hoofdelijk met mevrouw Lambot had verbonden enkel ten behoeve van mevrouw Lambot was toegestaan, zodat de eiseres de hoedanigheid had van persoonlijke zekerheidssteller voor mevrouw Lambot (arrest p. 2, al. 1 en p. 9, al. 1) (artikel 1216 Burgerlijk Wetboek). Hierdoor waren ook alle middelen van tenuitvoerlegging ten aanzien van de eiseres geschorst (artikel 1675/7, §2, derde lid, Gerechtelijk Wetboek).

Uit die vaststellingen volgt dat op 8 december 2008, op het ogenblik waarop zij uitvoerend beslag liet leggen op het onroerend goed dat de eiseres in hypotheek had gegeven, de verweerster geen titularis meer was van een opeisbare schuldvordering ten aanzien van haar schuldenaars en bijgevolg geen uitvoerend beslag lastens hen kon leggen.

Daarbij komt nog dat de eiseres op 15 december 2008, overeenkomstig artikel 1675/16bis, Gerechtelijk Wetboek, een vordering strekkende tot haar bevrijding als kosteloze persoonlijke zekerheidssteller had ingesteld (arrest p. 2, voorl. al.). Indien de eiseres zou worden bevrijd, zou ook de door haar gevestigde hypothecaire zekerheid tenietgaan door het tenietgaan van de hoofdverbintenis (artikel 108, 1°, Hypotheekwet en 1675/16bis, § 1 en § 5, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek).

Uit al het bovenstaande volgt dat door het verzet strekkende tot handlichting van het uitvoerend beslag op onroerend goed van de eiseres te verwerpen, het bestreden arrest een uitvoerend beslag op onroerend goed toelaat voor schuldvorderingen die niet opeisbaar zijn, noch ten aanzien van mevrouw Lambot, noch ten aanzien van de eiseres.

Hierdoor miskent het bestreden arrest de wettelijke vereiste inzake de opeisbaarheid van de schuldvordering en het accessoir karakter van de hypotheek en schendt het derhalve de artikelen 41 en 108, 1°, Hypotheekwet, de artikelen 1186 en 1216 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1494, eerste lid, 1675/7, § 2, 1675/16bis, § 1 en § 5, Gerechtelijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel in zijn geheel

1. Krachtens artikel 1675/7, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek worden ten gevolge van de beschikking waarbij de verzoeker wordt toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling, alle middelen van tenuitvoerlegging geschorst die strekken tot betaling van een geldsom. Volgens het derde lid van deze bepaling worden de middelen van tenuitvoerlegging ook ten aanzien van de personen die een persoonlijke zekerheid hebben toegestaan om een schuld van de verzoeker te waarborgen, geschorst tot de in dit lid bepaalde tijdstippen.

Het vierde lid van deze bepaling schorst de maatregelen tot tenuitvoerlegging eveneens ten aanzien van natuurlijke personen die kosteloos een persoonlijke zekerheid hebben gesteld ten behoeve van de verzoeker en die overeenkomstig artikel 1675/16bis, § 2, van hetzelfde wetboek een verklaring hebben neergelegd dat hun verbintenis onevenredig is met hun inkomsten en hun vermogen.

2. Uit deze bepalingen kan niet afgeleid worden dat de middelen van tenuitvoerlegging ook worden geschorst ten aanzien van personen die een zakelijke zekerheid hebben gesteld om een schuld van de verzoeker te waarborgen. De in deze bepalingen bedoelde schorsingsgronden gelden evenmin wanneer deze zakelijke zekerheidsteller tevens een persoonlijke zekerheid heeft gesteld ten behoeve van de verzoeker en de tenuitvoerlegging het goed of de goederen betreffen die het voorwerp zijn van de zakelijke zekerheid.

Het middel dat berust op een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 407,42 euro jegens de eisende partij en op de som van 107,42 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Albert Fettweis en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 6 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Uitvoerend beslag op onroerend goed

  • Collectieve schuldenregeling

  • Toelaatbaarheid

  • Schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging

  • Zakelijke zekerheid

  • Persoonlijke zekerheid

  • Gelding