- Arrest van 9 mei 2011

09/05/2011 - S.10.0078.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Vooraleer een beslissing genomen wordt inzake ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen, wordt de werknemer opgeroepen om gehoord te worden omtrent zijn verweermiddelen en omtrent de feitelijke grondslag van de beslissing; bij gebrek aan het voorafgaand verhoor wordt de administratieve beslissing nietig verklaard (1), zonder dat die nietigheid zich uitstrekt tot de stukken van het administratief dossier dat de eiser reeds had aangelegd. (1) Zie Cass. 7 feb. 1983, AR 3731, AC, 1982-83, nr. 322.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0078.F

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

D. O.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 22 april 2010 gewezen door het arbeidshof te Bergen.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;

- algemeen beginsel van het recht van verdediging;

- algemeen beginsel van behoorlijk bestuur "audi alteram partem";

- artikel 144, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;

- artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gedaan te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat de litigieuze beslissing van 14 april 1995 nietig verklaart wegens miskenning van het recht van verdediging en erkent dat het arbeidshof in de plaats van de eiser mocht treden om uitspraak te doen over het recht van de verweerster op de werkloosheidsuitkeringen voor de litigieuze periodes na te hebben nagegaan of alle toekenningvoorwaarden waren vervuld, beslist vervolgens, om de daarin vermelde redenen, dat de miskenning van verweerders recht van verdediging niet alleen leidt tot de nietigheid van de administratieve beslissing van 14 april 1995 maar ook van de gehele administratieve procedure die aan die beslissing ten grondslag ligt, zodat het arbeidshof geen acht kan slaan op het administratief onderzoek, aangezien het onregelmatig is, maar alleen op de stukken die daarmee geen verband houden, meer bepaald de verschillende formulieren die de betrokkene heeft ingevuld en de inlichtingen die door het arbeidsauditoraat te Charleroi zijn medegedeeld.

Het arrest, dat bijgevolg over de zaak zelf uitspraak doet op basis van de enige stukken waarop het verklaart acht te kunnen slaan, stelt alleen vast dat de verweerster niet de hoedanigheid van gezinshoofd had gedurende de enige periode van 7 januari 1989 tot 2 december 1991, die verjaard was verklaard.

Het arrest grondt die beslissing hierop dat "het arbeidshof, na de betwiste administratieve beslissing wegens miskenning van het recht van verdediging nietig te hebben verklaard, bijgevolg over de subjectieve rechten van de verweerster uitspraak moet doen na te hebben nagegaan of alle toekenningsvoorwaarden zijn vervuld.

Bij de uitspraak over die rechten rijst niettemin de vraag of het arbeidshof acht mag slaan op een onregelmatige administratieve procedure.

De miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging leidt immers niet alleen tot de nietigheid van de administratieve beslissing, maar ook tot de nietigheid van de volledige administratieve procedure die hieraan ten grondslag ligt (zie, in die zin, arbeidshof Bergen, 4 mei 1990, J.T.T., 1990, bladzijden 318 en volgende). Het laatste en concrete gevolg daarvan is dat de betrokkene gewoonweg in zijn recht(en) moet worden hersteld tijdens de in aanmerking te nemen litigieuze periode, zonder dat hoeft te worden onderzocht of het arbeidshof wel in de plaats van de eiser mocht treden, aangezien het administratieve dossier, door die volledige nietigheid, tot op zekere hoogte ‘inhoudsloos geworden is'.

Om het niet zover te laten komen, moeten bepaalde voorwaarden worden vervuld, te weten dat er een (of verschillende) bewijskrachtige gegeven(s) in een debat op tegenspraak moet(en) worden gebracht op grond waarvan de nietigheid van de administratieve procedure kan worden verholpen met totale inachtneming van het recht van verdediging in de rechtspleging voor de rechter (...).

Bij de uitspraak over de rechten van de verweerster, kan het arbeidshof bijgevolg geen acht slaan op het administratieve onderzoek van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

Het arbeidshof kan daarentegen wel acht slaan op alle stukken die geen verband houden met dat onregelmatige administratieve onderzoek, meer bepaald de verschillende formulieren die de verweerder heeft ingevuld en de inlichtingen die door het arbeidsauditoraat te Charleroi werden medegedeeld".

Grieven

Eerste onderdeel

Hoewel artikel 144, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, overeenkomstig het algemeen beginsel van het recht van verdediging en het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur "audi alteram partem", bepaalt dat "de werknemer, vooraleer in toepassing van artikel 142 of 149 een beslissing genomen wordt inzake ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen, opgeroepen wordt om gehoord te worden omtrent de feitelijke grondslag van de beslissing en omtrent zijn verweermiddelen", hoewel de miskenning van die regel leidt tot de nietigheid van de beslissing van de eiser tot weigering, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen, kan die nietigheid toch niet tot gevolg hebben dat de gehele administratieve procedure die aan de onregelmatige beslissing is voorafgegaan ongeldig wordt. Die nietigheid kan zich alleen uitstrekken tot handelingen die zouden zijn verricht nadat de werknemer werd gehoord. Dat zijn immers de enige handelingen die aangetast kunnen worden door de miskenning van het recht van de werknemer om gehoord te worden.

Het arrest, dat beslist dat het arbeidshof op geen enkel stuk van de administratieve procedure acht kon slaan, maar alleen op de stukken die daarmee geen verband hielden, miskent dus de grenzen van het verbod om het recht van verdediging van de aanvrager te miskennen, door de nietigheid uit te breiden tot stukken en handelingen die door die miskenning niet zijn aangetast (schending van artikel 144, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 en miskenning van de in het middel bedoelde algemene beginselen).

Het arrest, dat in zijn motivering niet aangeeft waarom de administratieve procedure, in concreto, van bij het begin zou zijn aangetast door het feit dat de verweerder niet was gehoord, stelt het Hof van Cassatie op zijn minst in de onmogelijkheid zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen op de omvang van de uitgesproken nietigheid en is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel

Eerste onderdeel

Luidens artikel 144, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, wordt de werknemer, vooraleer met toepassing van artikel 142 of 149 een beslissing genomen wordt inzake ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen, opgeroepen om gehoord te worden omtrent de feitelijke grondslag van de beslissing en omtrent zijn verweermiddelen.

Bij gebrek aan het voorafgaand verhoor wordt de administratieve beslissing nietig verklaard, zonder dat die nietigheid zich uitstrekt tot de stukken van het administratief dossier dat de eiser reeds had aangelegd.

Het arrest, dat de stukken van de administratieve procedure uit het debat weert omdat het voorafgaand verhoor niet had plaatsgevonden, terwijl de voorlegging van die stukken op geen enkele andere wijze is bekritiseerd, schendt artikel 144, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede onderdeel van het middel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaart en de betwiste administratieve beslissing nietig verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Gelet op artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt de eiser in de kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 9 mei 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Beslissing

  • Weigering of beperking van het recht

  • Werkloze die moet worden gehoord

  • Geen voorafgaand verhoor

  • Regelmatigheid van de administratieve procedure