- Arrest van 10 mei 2011

10/05/2011 - P.11.0057.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een cassatiemiddel dat aan de feitenrechter niet is voorgelegd en waarover die op eigen initiatief niet heeft beslist, ook al is het gegrond op een wettelijke bepaling of verdragsbepaling die of op een algemeen rechtsbeginsel steunt dat de openbare orde raakt of van dwingend recht is, kan slechts voor het Hof worden opgeworpen, wanneer de feitelijke gegevens die voor de beoordeling noodzakelijk zijn, blijken uit de bestreden beslissing of uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan (1); wanneer niet uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt of de eiser in cassatie al dan niet bij zijn verhoor de mogelijkheid van bijstand van een raadsman heeft gehad en hij zich over de grond van de zaak verdedigd heeft zonder zich op de schending van artikel 6 EVRM dat hij bij de rechter kon aanvoeren, te beroepen, is het middel nieuw en derhalve niet ontvankelijk (1). (1) Cass. 7 dec. 1999, AR P.98.0487.N, A.C., 1999, nr. 666.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0057.N

J. C. G. R.

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie te Antwerpen,

tegen

S. D.

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 13 december 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 31, 375, 377 en 378 Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet op concrete wijze eisers conclusie; de loutere beweringen van een medebeklaagde en het slachtoffer zijn geen bewijs van penetratie; ook de deskundige blijft het antwoord schuldig; er wordt geen rekening gehouden met de verklaring van de vriendin van de eiser, evenals met de handelswijze van het slachtoffer die een herkwalificatie naar "aanranding van de eerbaarheid" rechtvaardigde; het gebrek aan bijstand van een raadsman bij het verhoor heeft "impact (...) gehad om over te gaan tot de veroordeling van (de) eiser".

2. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 31, 375, 377 en 378 Strafwetboek zonder aan te geven hoe en waardoor de bestreden beslissing die bepalingen schendt, is het niet ontvankelijk.

3. Een middel dat aan de feitenrechter niet is voorgelegd en waarover die op eigen initiatief niet heeft beslist, ook al is het gegrond op een wettelijke bepaling of verdragsbepaling die of op een algemeen rechtsbeginsel dat de openbare orde raakt of van dwingend recht is, kan slechts voor het Hof worden opgeworpen, wanneer de feitelijke gegevens die voor de beoordeling noodzakelijk zijn, blijken uit de bestreden beslissing of uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan.

Het blijkt niet uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan of de eiser al dan niet bij zijn verhoor de mogelijkheid van bijstand van een raadsman heeft gehad. Hij heeft zich over de grond van de zaak verdedigd zonder zich op de schending van dit verdragsartikel dat hij bij de rechter kon aanvoeren, te beroepen.

Het middel is in zoverre nieuw en derhalve niet ontvankelijk.

4. De rechter hoeft niet te antwoorden op argumenten die aangevoerd worden ter ondersteuning van een middel maar die afzonderlijk genomen geen middel uitmaken.

De in het middel vermelde argumenten werden door de eiser enkel aangevoerd ter ondersteuning van zijn verweer dat hij zich slechts schuldig heeft gemaakt aan feiten van aanranding van de eerbaarheid en dat hij niet betrokken was bij de tweede reeks verkrachtingen. De appelrechters dienden niet alle argumenten afzonderlijk te beantwoorden.

Het arrest beantwoordt dit verweer met de erin vermelde redenen.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

5. In zoverre het middel voor het overige opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de appelrechters of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het evenmin ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Beslissing over de onmiddellijke aanhouding

7. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep tegen de beslissing op de strafvordering, heeft deze beslissing kracht van gewijsde. Het cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing waarbij eisers onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, heeft derhalve geen bestaansreden meer.

Tweede middel

8. Het middel komt alleen op tegen de beslissing over de onmiddellijke aanhouding, waartegen het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft.

Het middel behoeft geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 94,74 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 10 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden