- Arrest van 11 mei 2011

11/05/2011 - P.11.0168.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Binnen de vijftien dagen die voorafgaan aan de voor de regeling van de rechtspleging vastgestelde rechtszitting kunnen de partijen om bijkomende onderzoekshandelingen verzoeken, maar, als die termijn eenmaal is verstreken, hebben zij dat recht niet meer; als de zaak is vastgesteld, geeft de verdaging ervan de partijen niet het recht de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen te verzoeken tot op het ogenblik dat de raadkamer de rechtspleging regelt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0168.F

E. D. W.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 december 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Tegen de eiser zijn twee zaken geopend, waarvan de behandeling was vastgesteld voor de rechtszitting van 5 mei 2009, met het oog op de regeling van de rechtspleging, en daarna verdaagd naar 17 november 2009.

Bij een op 13 november 2009 neergelegd verzoekschrift heeft de eiser om bijkomende onderzoekshandelingen verzocht.

Bij beschikking van 15 december 2009 heeft de raadkamer beslist dat er geen grond was om het onderzoek van het dossier te verdagen aangezien het voormelde verzoekschrift te laat was ingediend. Zij heeft de zaken vervolgens gevoegd, de rechtspleging geregeld en, met name, de eiser wegens twee telastleggingen naar de correctionele rechtbank verwezen.

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser gedeeltelijk niet ontvankelijk en voor een ander gedeelte niet gegrond.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing waarbij het hoger beroep niet ontvankelijk verklaard wordt

De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing waarbij het hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond verklaard wordt

Middel

Het middel voert schending aan van de artikelen 61quinquies en 127, § 2 en 3, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht van verdediging. De eiser voert aan dat zijn verzoekschrift tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen, dat vijftien dagen voor de vastgestelde rechtszitting is neergelegd, nadat de zaak met het oog op de regeling van de rechtspleging werd verdaagd, niet kennelijk als te laat ingediend kon worden beschouwd.

Krachtens artikel 127, § 3, kunnen de partijen, binnen de vijftien dagen die voorafgaan aan de rechtszitting die voor de regeling van de rechtspleging is vastgesteld, overeenkomstig artikel 61quinquies om bijkomende onderzoekshandelingen verzoeken. In het geval waarin een verzoekschrift in die zin wordt neergelegd, wordt de rechtspleging geschorst in afwachting van de definitieve behandeling van het verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen. Als die termijn eenmaal verstreken is, hebben de partijen dat recht niet meer.

Daaruit volgt dat, als de zaak is vastgesteld, de verdaging ervan de partijen niet het recht geeft de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen te verzoeken tot op het ogenblik dat de raadkamer de rechtspleging regelt.

In zoverre faalt het middel naar recht.

Voor het overige wordt de miskenning van het recht van verdediging volledig afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van artikel 127 van het voormelde wetboek.

Het middel kan dienaangaande niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de beslissing waarbij het hoger beroep van de eiser niet ontvankelijk wordt verklaard

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 11 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Regeling van de rechtspleging

  • Verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen

  • Termijn

  • Verdaging van de zaak