- Arrest van 12 mei 2011

12/05/2011 - C.10.0057.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Sinds 1 juli 2003 bezit de vereniging zonder winstoogmerk rechtspersoonlijkheid vanaf de dag dat haar statuten, de akten betreffende de benoeming van de bestuurders en in voorkomend geval van de personen die gemachtigd zijn om de vereniging te vertegenwoordigen worden neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel (1). (1) Art. 3, §1, eerste lid, en 26novies, V.Z.W.-wet, gewijzigd bij de wetten van 2 mei 2002 en 16 januari 2003.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0057.F

ENTREPRISES KOECKELBERG nv,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

HAUTE ECOLE DE LOUVAIN EN HAINAUT vzw,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in tegenwoordigheid van

SOMVILLE, PRESCIUTTI & PARTNERS - ARCHITECTES, burgerlijke vennootschap in de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 11 september 2009.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 10 van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, vóór de vervanging ervan bij de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;

- de artikelen 3, 9, 26novies en 66 van de wet van 27 juni 1921, die werden ingevoegd of vervangen bij de wet van 2 mei 2002, de artikelen 26novies en 66 na de vervanging ervan bij artikel 69 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;

- de artikelen 1 en 4 van het koninklijk besluit van 2 april 2003 tot vaststelling van de termijnen voor de inwerkingtreding van de bepalingen van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, zoals gewijzigd bij de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen en bij de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;

- de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 tot bepaling van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;

- de artikelen 1 tot 8 van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 op de openbaarmaking van akten en stukken van verenigingen zonder winstoogmerk, van internationale verenigingen zonder winstoogmerk, van stichtingen en van organismen voor de financiering van pensioenen;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest erkent eerst dat de lijst van de bestuurders die de verweerster in 1996 heeft bekendgemaakt noch het beroep noch de woonplaats van de bestuurders vermeldde en dat slechts vier van de veertien voornamen vermeld waren, zodat die bekendmaking niet strookte met het bepaalde in artikel 3 van de wet van 27 juni 1921, verklaart vervolgens de bij dagvaarding van 2 januari 2007 ingestelde vordering ontvankelijk, dit op grond van al zijn redenen die geacht worden hier integraal te zijn weergegeven en inzonderheid om de onderstaande redenen:

"(De verweerster) had op de dag van de dagvaarding haar toestand geregulariseerd en zich naar de wet van 2 mei 2002 geschikt;

Die wet is op deze zaak van toepassing aangezien de dagvaarding gebeurde bij exploot van 2 januari 2007;

Zij bepaalt dat de vereniging rechtspersoonlijkheid bezit vanaf de dag dat haar statuten, de akten betreffende de benoeming van de bestuurders en in voorkomend geval van de personen gemachtigd om de vereniging overeenkomstig artikel 13, vierde lid, te vertegenwoordigen worden neergelegd op de griffie van de rechtbank;

Uit de stukken die (de verweerster) overlegt, blijkt dat zij in mei 2001 een afschrift van haar statuten alsook de geactualiseerde lijst van haar bestuurders met vermelding van hun naam, voornaam en woonplaats op de griffie van de rechtbank heeft neergelegd;

In juni 2005 heeft zij op de griffie een wijziging van haar statuten neergelegd;

Aldus blijkt dat (de verweerster) op de dag van de dagvaarding wel degelijk rechtspersoonlijkheid bezat, aangezien haar statuten en de akten betreffende de benoeming van haar bestuurders op de griffie waren neergelegd, zodat haar vordering ontvankelijk was".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 3 van de wet van 27 juni 1921, na de wijziging ervan bij de wet van 2 mei 2002, bezit de vereniging zonder winstoogmerk rechtspersoonlijkheid vanaf de dag dat haar statuten en de akten betreffende de benoeming van de bestuurders die de bij artikel 9 voorgeschreven vermeldingen bevatten, worden neergelegd overeenkomstig artikel 26novies § 1, dat is ingevoegd in de wet van 27 juni 1921 bij de wet van 2 mei 2002. Die stukken worden dus neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel volgens de regeling waarin de wet van 2 mei 2002 en het uitvoeringsbesluit van 26 juni 2003 voorzien.

Die regeling vormt een volledig systeem van bescherming van derden en is onlosmakelijk verbonden met het bezit van rechtspersoonlijkheid op grond van de nieuwe wet. Artikel 26novies van de wet en de artikelen 1 tot 8 van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 omschrijven immers duidelijk aan welke verplichtingen respectievelijk de vereniging, de griffie van de rechtbank en het Belgisch Staatsblad moeten voldoen bij het aanleggen van het dossier, de overdracht ervan met het oog op de bekendmaking en de bekendmaking ervan.

Vóór de inwerkingtreding van de wet van 2 mei 2002, en meer bepaald in mei 2001, was er volgens de wet van 27 juni 1921 geen enkele neerlegging van stukken ter griffie van de rechtbank van koophandel vereist; zij bepaalde enkel dat een ledenlijst op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg moest worden neergelegd (artikel 10 van de wet, vóór de wijziging ervan bij de wet van 2 mei 2002). Die neerlegging hield voor de griffie geen enkele verbintenis in tot gevolg en had geen weerslag op het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid.

De regelingen voor het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid en voor de bescherming van derden die in de wet van 27 juni 1921 waren vastgelegd vóór de wijziging ervan bij de wet van 2 mei 2002 en na die wijziging verschillen dus wezenlijk van elkaar.

Daaruit volgt dat de neerlegging van een akte onder vigeur van de oude wet niet de rechtsgevolgen kan hebben van de nieuwe wet.

De wet van 2 mei 2002 trad, overeenkomstig artikel 32 van de wet van 16 januari 2003 dat artikel 66 van de wet van 2 mei 2002 verving, pas in werking op de door de Koning bepaalde datum. Het koninklijk besluit van 2 april 2003 heeft (in artikel 1 en 2) bepaald dat met name de artikelen 3, 9 en 26novies van de wet van 27 juni 1921, gewijzigd bij de wet van 2 mei 2002, in werking zouden treden op de dag van de inwerkingtreding van titel 3 en 4 van de wet van 16 januari 2003. Krachtens het koninklijk besluit van 15 mei 2003 (artikelen 2 en 3) zijn die titels pas in werking getreden op 1 juli 2003.

Het arrest dat uit het onderling verband tussen het feit dat de verweerster het afschrift van haar statuten en van de geactualiseerde lijst van haar bestuurders heeft neergelegd in mei 2001, dus onder vigeur van de oude wet, en het feit dat de verweerster de gewijzigde statuten heeft neergelegd in juni 2005, dus onder vigeur van de nieuwe wet, afleidt dat zij rechtspersoonlijkheid heeft verkregen aangezien zij de toestand heeft geregulariseerd op basis van de wet van 2 mei 2002, schendt bijgevolg alle in het middel aangewezen wettelijke bepalingen, met uitzondering van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 149 van de Grondwet.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Overeenkomstig de artikelen 3, § 1, eerste lid, en 26novies van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, die gewijzigd werden bij de wetten van 2 mei 2002 en 16 januari 2003 en in werking zijn getreden op 1 juli 2003, bezit de vereniging zonder winstoogmerk rechtspersoonlijkheid vanaf de dag dat haar statuten, de akten betreffende de benoeming van de bestuurders en, in voorkomend geval, van de personen gemachtigd om de vereniging overeenkomstig artikel 13, vierde lid, te vertegenwoordigen worden neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel.

Het arrest stelt vast dat uit de door de verweerster overgelegde stukken blijkt "dat zij in mei 2001 een afschrift van haar statuten alsook de geactualiseerde lijst van haar bestuurders met vermelding van hun naam, voornaam en woonplaats op de griffie van de rechtbank neergelegd" en dat "zij op de griffie een wijziging van haar statuten [heeft] neergelegd in juni 2005".

Het arrest dat op grond van die vaststelling oordeelt dat de verweerster op de dag van de dagvaarding van 2 januari 2007 rechtspersoonlijkheid bezat "overeenkomstig de wet van 2 mei 2002", "aangezien haar statuten en de akten betreffende de benoeming van haar bestuurders op de griffie waren neergelegd", schendt geen enkele van de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Vordering tot bindendverklaring van het arrest

De eiseres heeft er belang bij dat het arrest bindend wordt verklaard voor de partij die daartoe door het Hof in de zaak is opgeroepen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre het de hogere beroepen ontvankelijk verklaart en beslist dat de verweerster rechtpersoonlijkheid bezat toen zij haar hoofdvordering instelde bij dagvaarding van 2 januari 2007.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Verklaart het arrest bindend voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Somville, Presciutti & Partners - Architectes.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten; houdt de overige kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van 12 mei 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bezit van rechtspersoonlijkheid

  • Regels van toepassing vanaf 1 juli 2003