- Arrest van 13 mei 2011

13/05/2011 - C.10.0479.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De partij die de goede trouw betwist van degene die beweert zijn eigendom te hebben verkregen door verjaring, moet de kwade trouw bewijzen; als degene die beweert eigenaar te zijn door verjaring, hiertoe bij zijn eigen bezit dat voegt van zijn rechtsvoorganger teneinde op die wijze de termijn te verkrijgen waarvan sprake in artikel 2265 Burgerlijk Wetboek, dan geldt het vermoeden van goede trouw eveneens voor die rechtsvoorganger; de partij die de goede trouw van de rechtsvoorganger betwist, moet diens kwade trouw bewijzen.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0479.N

1. F. A.,

2. E. V.,

3. W. V.,

4. K. R.,

5. AERNOUTS SWA bvba, met zetel te 2990 Wuustwezel-Loenhout, Jonkersweg 17,

6. HERVAPAL bvba, met zetel te 2990 Wuustwezel-Loenhout, Popendonkseweg 28,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. J. V. G.,

2. M. F.,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 29 maart 2010.

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid

1. De verweerders voeren aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang. De appelrechters hebben immers in overeenstemming met hun stelling geoordeeld dat de eisers niet aantonen dat hun rechtsvoorgangers te goeder trouw waren bij de verkrijging van de betwiste eigendom.

2. De eisers hebben in hun conclusie aangevoerd dat als degene die zich beroept op de verkrijgende verjaring "kan aantonen dat hij bij zijn eigendom te goeder trouw ook dat van zijn rechtsvoorganger kan voegen zodat samen meer dan 10 jaren eigendom te goeder trouw wordt aangetoond (...) is er ontegensprekelijk sprake van verjaring".

De eisers betoogden daarmee niet dat zij de goede trouw van hun rechtsvoorganger dienden te bewijzen, maar betoogden alleen dat voor de berekening van de termijn van artikel 2265 Burgerlijk Wetboek, niet alleen rekening dient te worden gehouden met de termijn gedurende welke zijzelf eigenaar waren, maar dat daarbij ook de termijn dient gevoegd te worden gedurende dewelke hun rechtsvoorganger eigenaar was te goeder trouw.

De grond van niet-ontvankelijkheid die uitgaat van een verkeerde lezing van de conclusie van de eisers, moet worden verworpen.

Gegrondheid

3. Artikel 2265 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat hij die te goeder trouw en uit kracht van een wettige titel een onroerend goed verkrijgt, daarvan de eigendom bekomt door verjaring na tien jaren, indien de ware eigenaar woont binnen het rechtsgebied van het hof van beroep waarin het onroerend goed gelegen is en na twintig jaren, indien hij buiten dat gebied zijn woonplaats heeft.

Artikel 2268 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat goede trouw steeds wordt vermoed, en hij die zich op kwade trouw beroept, die moet bewijzen.

5. Hieruit volgt dat de partij die de goede trouw betwist van degene die beweert zijn eigendom te hebben verkregen door verjaring, de kwade trouw moet bewijzen.

Als degene die beweert eigenaar te zijn door verjaring, hiertoe bij zijn eigen bezit dat voegt van zijn rechtsvoorganger teneinde op die wijze de termijn te verkrijgen waarvan sprake in artikel 2265 Burgerlijk Wetboek, dan geldt het vermoeden van goede trouw eveneens voor die rechtsvoorganger. De partij die de goede trouw van de rechtsvoorganger betwist, moet diens kwade trouw bewijzen.

6. De appelrechters oordelen dat "wanneer de eisers er wellicht van uitgingen dat de grensscheiding met het perceel van de verweerders zich bevond op de lijn A-C en zulks overeenkomstig het plan dat bij hun aankoopakte was gevoegd waren zij wel te goeder trouw, doch zij tonen niet aan dat ook hun rechtsvoorgangers (...) dezelfde goede trouw hebben gehad".

De appelrechters die aldus de eisers de bewijslast opleggen dat hun rechtsvoorgangers te goeder trouw waren, schenden de in het middel aangehaalde wetsbepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zover het uitspraak doet over de vordering van de eisers tegen V..

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, zitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitters Edward Forrier en Robert Boes, en de raadsheren Eric Stassijns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 13 mei 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Onroerend goed

  • Eigendom

  • Termijn

  • Bewijs