- Arrest van 17 mei 2011

17/05/2011 - P.11.0068.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Zowel bij overtreding van de bestemmingsvoorschriften als voor de andere overtredingen is, meer nog dan de overtreding zelf, de omvang van de schade aan de plaatselijke ruimtelijke ordening bepalend voor de keuze van de herstelmaatregel; in beide gevallen blijven de evenredigheids- en redelijkheidstoets onverminderd van toepassing, moet het gevorderde herstel evenredig zijn aan de in concreto vastgestelde aantasting van de ruimtelijke ordening en moet de maatregel redelijk blijven in vergelijking tot de last die dit voor de betrokkene meebrengt (1). (1) Zie: Cass. 4 feb. 2003, AR P.01.1462.N, AC, 2003, nr. 80; Cass. 15 juni 2004, AR P.04.0237.N, nr. 323 met concl. van advocaat-generaal De Swaef; Cass. 18 maart 2008, AR P.07.1509.N, AC, 2008, nr. 187; Cass. 10 feb. 2009, AR P.08.1163.N, AC, 2009, nr. 108 en Cass. 17 feb. 2009, AR P.08.1587.N, AC, 2009, nr. 131.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0068.N

1. W L N G J,

beklaagde,

2. M B V R,

beklaagde,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR, bevoegd voor de provincie Vlaams-Brabant, met kantoor te 3000 Leuven, Blijde Inkomststraat 103-105,

eiser tot herstel,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 december 2010.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 1° en 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: bij hun beoordeling van de wettigheid van de gevorderde afbraak oordelen de appelrechters zowel dat "door het niet uitvoeren van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand door afbraak van de constructies, de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad" als "het door de overheid gevorderde herstel beantwoordt aan de voorwaarde van evenredigheid tussen het voordeel van deze herstelmaatregel ter behoud van een goede ruimtelijke ordening en de last die daaruit voor de [eisers] voortvloeit"; deze oordelen zijn aan elkaar tegengesteld waarbij het ene oordeel verband houdt met de toets van de "niet-kennelijke onredelijkheid of onevenredigheid van de afbraakmaatregel", overeenkomstig artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening enkel toepasselijk in geval van overtreding van de bestemmingsvoorschriften, terwijl het andere oordeel betrekking heeft op de "kennelijke onevenredigheid van de schade bij meerwaarde", die alleen geldt bij een herstel door meerwaardebepaling in geval van overtredingen bepaald bij artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; de appelrechters die met dit onderscheid geen rekening houden en aldus te kennen geven dat de wettigheidstoets bij een vordering tot afbraak niet anders geschiedt voor inbreuken op de bestemmingsvoorschriften dan voor inbreuken op andere stedenbouwkundige voorschriften of nog, dat de toets van de kennelijk onevenredige aantasting van de ruimtelijke ordening op hetzelfde neerkomt als de toets van de niet-kennelijke onredelijkheid van de afbraakmaatregel, schenden de bepalingen van artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 1 ° en 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, of hun motivering is op zijn minst dubbelzinnig.

2. Voor misdrijven die bestaan, of onder meer bestaan, uit het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of met de bestemmingsvoorschriften van het gebied, verplicht artikel 6.1.41, § 1, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening hetzij tot een herstel in de oorspronkelijke toestand hetzij, zo dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, tot de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken. Voor de andere misdrijven dan deze vermeld in artikel 6.1.41, § 1, 1°, bepaalt artikel 6.1.41, § 1, 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening dat de betaling van de meerwaarde wordt gevorderd, tenzij wordt aangetoond dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, in welk geval een van de maatregelen, vermeld in 1°, wordt gevorderd.

De uitzonderingen op het principieel te bevelen herstel overeenkomstig het in artikel 6.1.41, § 1, 1° en 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gemaakte onderscheid, tonen aan dat de omvang van de schade aan de plaatselijke ruimtelijke ordening, nog meer dan de overtreding zelf, bepalend is voor de keuze van de herstelmaatregel, zowel bij overtreding van de bestemmingsvoorschriften (artikel 6.1.41, § 1, 1°) als voor de andere overtredingen (artikel 6.1.41, § 1, 2°). In beide gevallen blijft de evenredigheids- en redelijkheidstoets onverminderd van toepassing: het gevorderde herstel moet evenredig zijn aan de in concreto vastgestelde aantasting van de ruimtelijke ordening en de maatregel moet redelijk blijven in vergelijking tot de last die dit voor de betrokkene meebrengt.

3. Bij hun beoordeling van de wettigheid van de gevorderde afbraak oordelen de appelrechters dat "door het niet uitvoeren van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand door afbraak van de constructies, de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad", alsook "het door de overheid gevorderde herstel beantwoordt aan de voorwaarde van evenredigheid tussen het voordeel van deze herstelmaatregel ter behoud van een goede ruimtelijke ordening en de last die daaruit voor de [eisers] voortvloeit".

4. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordelen de appelrechters hiermede niet dat de belangenafweging niet anders geschiedt naargelang de inbreuk betrekking heeft op bestemmingsvoorschriften (artikel 6.1.41, § 1, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) of op andere stedenbouwkundige voorschriften (artikel 6.1.41, § 1, 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) of nog, dat de toets van de kennelijk onevenredige aantasting van de ruimtelijke ordening in geval van principieel herstel door meerwaardebepaling op hetzelfde neerkomt als de toets van de niet-kennelijke onredelijkheid van de afbraakmaatregel.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

5. De appelrechters doen een belangenafweging in overeenstemming met zowel de evenredigheidstoets van artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening als de evenredigheidtoets van artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening waarbij zij, gelet op de in concreto vastgestelde ernst van de aantasting van de plaatselijke ruimtelijke ordening, oordelen dat niet een meerwaardebepaling maar enkel een herstel door afbraak naar redelijkheid te verantwoorden is en het niet-bevelen van deze maatregel kennelijk tot een (blijvende) onevenredige schade van de ruimtelijke ordening zou leiden.

6. Voormelde vaststelling van schade aan de plaatselijke ruimtelijke ordening volstaat om het bevolen herstel naar recht te verantwoorden, zonder dat de appelrechters de evenredigheidstoets die zij uitvoeren nader moeten toelichten in functie van de gepleegde overtreding en de modaliteiten zoals bepaald in artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 1° en 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

In zoverre wordt aangevoerd dat de appelrechters bij het uitvoeren van de evenredigheidstoets nalaten rekening te houden met de aard van de gepleegde overtreding en de daaruit volgende verschillende modaliteiten van uitvoering van deze toets, zoals bepaald in artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 1° en 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest oordeelt onterecht dat wanneer de inbreuk betrekking heeft op voorschriften inzake afmetingen en inplanting, waarvoor het herstel principieel bestaat in de betaling van een meerwaarde, het voor de motivering van de vordering tot volledige afbraak volstaat te vermelden waaruit de inbreuk materieel en juridisch bestaat.

8. De appelrechters oordelen dat de gevorderde afbraakmaatregel wettig is op grond van hun vaststellingen, niet alleen dat de bouw- en verkavelingvoorschriften werden overtreden maar ook dat vaststaat dat de gevolgen van die aard zijn dat bij het niet uitvoeren van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand door afbraak van de constructies, de plaatselijke ordening hierdoor kennelijke op onevenredige wijze zou worden geschaad.

Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest stelt enkel de onwettigheid van de constructies wegens hun onwettige afmetingen en inplanting vast en poneert zonder meer dat de niet-afbraak kennelijk onevenredig zou zijn of dat de afbraak niet kennelijk onredelijk is; hoewel hiertoe uitgenodigd door de conclusie van de eisers en door het andersluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, onderzoekt het arrest niet in concreto hoe ernstig de inbreuk is, noch welke de impact ervan is op de plaatselijke ruimtelijke ordening; bij gebrek aan motivering in concreto laat het arrest niet toe na te gaan of zijn besluit over de gevorderde afbraakmaatregel wettig is.

10. Na een omstandige beschrijving van eisers' overtredingen op de vergunningsplicht, de stedenbouwkundige vergunning en de verkavelingvergunning, oordeelt het arrest: "Het staat vast dat door het niet uitvoeren van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand door afbraak van de constructies, de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad."

Dit betreft geen "zuiver theoretische beschouwing" met betrekking tot een nog te verrichten evenredigheidtoets, maar een concrete beoordeling van de ernst van de gepleegde overtredingen en de impact ervan op de plaatselijke ruimtelijke ordening, met als besluit dat eisers' verweer dat het behoud van de onwettig opgerichte constructies voor de ruimtelijke ordening geen kennelijk onevenredige schade kon meebrengen, moet worden verworpen.

De appelrechters verantwoorden zodoende hun beslissing naar recht, zonder dat zij daarbij bijzonder hoefden te antwoorden op de in het onderdeel vermelde argumenten die slechts ter ondersteuning van dit verweer van de eisers werden aangevoerd zonder zelf afzonderlijke verweermiddelen uit te maken.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 63,39 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 17 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Herstelmaatregel

  • Keuze

  • Criteria

  • Wettigheidstoezicht