- Arrest van 18 mei 2011

18/05/2011 - P.10.2049.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter kan weigeren een bewijs te weren dat door een onrechtmatige daad is verkregen wanneer de derde, via wie dat bewijs bij de speurders terecht is gekomen, zelf geen onrechtmatige daden heeft gesteld (1). (1) Cass. 14 feb. 2001, AR P.00.1350.F - P.00.1353.F - P.00.1363.F, AC, 2001, nr. 91, R.W., 2002-2003, p. 1624 e.v., noot J. VAN DONINCK.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.2049.F

P. A.,

Mrs. Laurent Kennes, Audrey Marc en Fanny Vansiliette, advocaten bij de balie te Brussel, en mr. Eric Lemmens, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

SOCIETE WALLONNE DU LOGEMENT, naamloze vennootschap,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 24 november 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de tegen de eiser ingestelde strafvordering

Eerste middel

Het middel dat aanvoert dat de artikelen 6.1 en 8 EVRM en artikel 14 IVBPR zijn geschonden en dat het recht van verdediging is miskend, verwijt het arrest dat het de vervolgingen ontvankelijk verklaart.

Eerste onderdeel

De eiser verwijt de appelrechters dat zij, na de vertrouwelijke nota en de op onrechtmatige wijze door de aangever vergaarde stukken te hebben geweerd, de gevolgen van die nietigheid voor de overige stukken van het dossier niet hebben onderzocht.

In zoverre het middel aanvoert dat het gerechtelijk vooronderzoek uitsluitend op klacht van de aangever werd geopend, vereist het onderzoek ervan een nazicht van feitelijke gegevens, waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

De rechter kan weigeren een bewijs te weren dat door een ongeoorloofde daad is verkregen wanneer de derde, via wie dat bewijs bij de speurders terecht is gekomen, zelf geen uitstaans heeft met enige onrechtmatige handeling.

Het hof van beroep heeft eerst beslist dat de vervolging gegrond was op de door de Waalse huisvestingsmaatschappij verrichte doorlichting waartegen overeenkomstig artikel 29 Wetboek van Strafvordering officieel aangifte is gedaan, en op andere stukken die de aangever de speurders heeft doen toekomen en die volgens het dossier van onverdachte oorsprong zijn. Het vermeldt tevens dat, ook al zou de voormelde doorlichting zijn opgestart op grond van de uit het debat geweerde stukken, de Waalse huisvestingsmaatschappij dan nog geen uitstaans heeft met de ongeoorloofde daad, zodat het bewijs ontvankelijk is. Het heeft vervolgens de vertrouwelijke nota samen met de ringmap geweerd en die aan de procureur des Konings meegedeeld met de vermelding dat de auteur van de nota op bedrieglijke wijze in bezit was gekomen van de bij zijn zending gevoegde stukken. Het heeft ten slotte beslist geen acht te slaan op de gedeelten van de door de speurders opgestelde processen-verbaal die op die stukken waren gebaseerd.

Het arrest beslist aldus dat er geen oorzakelijk verband is tussen de nietige gegevens en de bewijzen die het regelmatig verrichte onderzoek heeft opgeleverd, zodat het hof van beroep, zonder het recht van verdediging te miskennen of de in het middel bedoelde wetsbepalingen te schenden, heeft beslist dat de strafvordering tegen de eiser ontvankelijk was.

Voor het overige blijkt niet uit het arrest, en de eiser voert dat ook niet aan, dat de appelrechters zich tot staving van hun overtuiging zouden gebaseerd hebben op gegevens uit de processen-verbaal die zij beslist hadden niet in aanmerking te nemen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser verwijt het arrest dat het niet vaststelt dat de onderzoekshandelingen het gevolg zijn van een nietige klacht en dat het de vervolging niet onontvankelijk verklaart.

Aangezien de appelrechters hebben vastgesteld dat de vervolging niet op de door hen afgewezen aangifte is gegrond maar op een onderzoek dat gebaseerd is op een op regelmatige wijze aan het openbaar ministerie meegedeelde doorlichting, beslissen zij, zonder de aangevoerde wetsbepalingen te schenden of het recht van verdediging te miskennen, dat de strafvordering ontvankelijk was.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Wanneer de rechter vaststelt dat de vervolging niet op een ongeoorloofde daad is gegrond maar op inlichtingen die vergaard zijn door iemand die daarmee geen uitstaans heeft, dient hij niet te onderzoeken of de persoon die de onregelmatigheid heeft gepleegd, dat gedaan heeft met de bedoeling om de feiten bij het gerecht aan te geven.

Het onderdeel dat op de bewering van het tegendeel berust, faalt naar recht.

Tweede middel

Het middel verwijt het arrest dat het artikel 240 Strafwetboek schendt door de eiser schuldig te verklaren aan verduistering van de gemeentegelden die als vergoeding van de gemeentelijke ambtenaren en van het wijkbeheer zijn uitgegeven voor prestaties die deel uitmaken van zijn kiescampagne, zonder vast te stellen dat hij de verduisterde goederen in zijn bezit heeft gehad.

Die bepaling straft met name ieder die een openbaar ambt uitoefent, die bedrieglijk openbare gelden die hij krachtens of uit hoofde van zijn ambt onder zich heeft, aan hun bestemming onttrekt of die gelden voor een ander doel aanwendt dan datgene waarvoor zij waren voorzien.

De dader dient dus het precair bezit te hebben gehad van het bedoelde goed ofwel door de bewaargeving of de fysieke overdracht van de zaak ofwel door de overdracht van rechten die verbonden zijn aan het gebruik of het beheer ervan.

Krachtens artikel 247, eerste lid, Nieuwe Gemeentewet, die te dezen van toepassing is, mag geen betaling uit de gemeentekas geschieden dan op grond van een op de begroting voorkomende post, een bijzonder krediet of een voorlopig krediet, toegestaan onder de voorwaarden en binnen de grenzen die de Koning bepaalt. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de leden van het college van burgemeester en schepenen persoonlijk aansprakelijk zijn voor de uitgaven die zij in strijd met het eerste lid hebben gedaan of bevolen.

Daarnaast bepaalt artikel 123, 4°, van de voormelde wet dat dit college met name belast is met de afgifte van bevelschriften tot betaling van de uitgaven van de gemeente.

Daaruit volgt dat de burgemeester, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het voormelde college, samen met de leden van dat college, de gemeentelijke uitgaven beheert en het precair bezit heeft van de op de begroting ingeschreven gelden van de gemeente, in de zin van artikel 240 Strafwetboek.

Door de aldus omschreven telastlegging bewezen te verklaren, stelt het arrest vast dat de eiser de feiten in zijn hoedanigheid van burgemeester en voorzitter van de sociale huisvestingsmaatschappij heeft gepleegd en dat daarom de gelden die contractueel bestemd waren om de lonen van de arbeiders uit te betalen, in zijn materieel of juridisch bezit zijn geweest.

Die vaststellingen verantwoorden de beslissing naar recht volgens welke de eiser de gemeentelijke gelden heeft verduisterd, ten bedrage van de waarde van de in zijn voordeel geleverde onverschuldigde prestaties.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Het middel voert aan dat, aangezien de opheffing van de onschendbaarheid die de eiser als lid van het Parlement van de Franstalige Gemeenschap genoot, werd beslist op een openbare zitting van die vergadering, de appelrechters door de strafvordering ontvankelijk te verklaren, de artikelen 58, 59 en 120 Grondwet schenden, afzonderlijk of samen gelezen met de artikelen 10 en 11 Grondwet.

Wat dat betreft zet het in substantie uiteen dat het arrest artikel 33 van het reglement van bovengenoemd parlement buiten toepassing had moeten laten. Aangezien die bepaling de openbaarheid van de zitting niet uitsluit, miskent zij volgens het middel immers "het algemeen rechtsbeginsel van de geheime stemming met gesloten deuren" alsook de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie ten opzichte van de procedure die wordt gevolgd voor de opheffing van de onschendbaarheid van de leden van de federale kamers en van het Waals Parlement alsook voor de machtiging om leden van de federale, regionale of gemeenschapsregering te vervolgen.

De artikelen 58, 59 en 120 Grondwet waarborgen de onschendbaarheid van de parlementsleden en regelen de procedure om die op te heffen, terwijl artikel 103 betrekking heeft op het verzoek om een minister te mogen vervolgen. De in de voormelde bepalingen bedoelde personen zijn aldus niet vergelijkbaar.

Noch de voormelde artikelen 59 en 120 noch enig algemeen rechtsbeginsel leggen de verplichting op om de beraadslaging over het verzoek tot opheffing van de onschendbaarheid van een lid van een parlementaire vergadering met gesloten deuren te laten plaatsvinden en de stemming in het geheim te laten verlopen.

Bovendien voorziet artikel 160 van het reglement van de Kamer niet in een behandeling met gesloten deuren.

Ten slotte, in de materies waar de gewesten en de gemeenschappen, zoals hier, zélf bevoegd zijn om het reglement van hun parlementaire vergadering op te stellen, is een verschillende behandeling geoorloofd wegens de autonomie die hen door of krachtens de Grondwet is toegekend. Een dergelijk verschil kan op zich niet als strijdig met het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie worden aangemerkt.

Het middel faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen die op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster tegen de eiser, uitspraak doen over

1. het beginsel van de aansprakelijkheid

De eiser voert geen bijzonder middel aan.

2. de omvang van de schade

Het arrest kent de verweerster een provisionele vergoeding toe en houdt de uitspraak aan over de overige punten van de vordering.

Een dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en valt niet onder de in het tweede lid van dat artikel bepaalde gevallen.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 18 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onrechtmatig verkregen bewijs