- Arrest van 19 mei 2011

19/05/2011 - C.09.0645.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De ontbinding van een wederkerig contract heeft, in beginsel, ex tunc uitwerking en heeft tot gevolg dat de partijen opnieuw in dezelfde toestand moeten worden geplaatst als die waarin zij niet hadden gecontracteerd; zij mag echter niet leiden tot vernietiging van de wederzijdse prestaties die ter uitvoering van de overeenkomst zijn verricht, wanneer ze niet kunnen worden teruggegeven (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0645.F

1. J.-M. L.,

2. C. B.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. F. M. en,

2. J. D.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Bergen van 13 mei 2009.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In hun cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voeren de eisers een middel aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Tweede onderdeel

De ontbinding van een wederkerig contract met toepassing van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek heeft, in beginsel, ex tunc uitwerking en heeft tot gevolg dat de partijen opnieuw in dezelfde toestand moeten worden geplaatst als die waarin zij zich zouden bevonden hebben indien zij niet hadden gecontracteerd.

Zij mag echter niet leiden tot vernietiging van de wederzijdse prestaties die ter uitvoering van de overeenkomst zijn verricht, wanneer ze niet kunnen worden teruggegeven.

Daaruit volgt dat de gerechtelijke ontbinding van een contract met doorlopende prestaties ook terugwerkende kracht kan hebben vanaf het ogenblik dat de uitvoering van de overeenkomst niet meer wordt nagestreefd en er bijgevolg geen reden tot teruggave is.

Door de beëindiging van het contract om een andere reden op de datum waarop de gerechtelijke ontbinding uitwerking moet hebben, verdwijnt het voorwerp van de vordering tot die ontbinding niet.

Het bestreden vonnis stelt vast dat de verweerders, verhuurders, op 10 september 2003 een vordering hebben ingesteld tot ontbinding van het huurcontract tussen partijen ten nadele van de eiseres en hun tijdens het geding kennis hebben gegeven van een opzegging vanaf 30 april 2007 wegens persoonlijke ingebruikneming.

Het overweegt dat de tekortkomingen van de eisers de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen en dat zij uitwerking moet hebben op voornoemde datum van 30 april 2007.

Het bestreden vonnis dat vermeldt dat "de omstandigheid dat de eigenaars gezorgd hebben voor de vrijwaring van hun rechten [door die opzegging te geven] niet in de weg staat" aan de ontbinding van de huurovereenkomst, verantwoordt naar recht zijn beslissing om die ontbinding uit te spreken en de eisers te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens beëindiging ten gevolge van die ontbinding.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 19 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gerechtelijke ontbinding

  • Wederkerig contract met doorlopende prestaties

  • Ontbinding

  • Gevolgen

  • Tijdstip