- Arrest van 19 mei 2011

19/05/2011 - C.10.0329.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het op 18 januari 2010 op de algemene vergadering van de Ordre des barreaux francophones et germanophone goedgekeurde reglement, dat een onderscheid invoert waarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat, tussen advocaten die een niet-gerechtelijk bestuurs-, beleids- en toezichtsmandaat uitoefenen in een privaatrechtelijke rechtspersoon en advocaten die een identiek mandaat uitoefenen in een publiekrechtelijke rechtspersoon, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0329.F

C. B., advocaat,

Mr. Ludo Cornelis, advocaat bij de balie van Brussel,

in tegenwoordigheid van

ORDRE DES BARREAUX FRANCOPHONES ET GERMANOPHONE,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie, Mr. François Tulkens, advocaat bij de balie van Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het verzoek tot nietigverklaring is gericht tegen het reglement van de Ordre des barreaux francophones et germanophone van 18 januari 2010 relatif à l'acceptation et à l'exercice par les avocats de mandats non judiciaires d'administration, de gestion, de surveillance ou de liquidation d'une personne morale de droit privé. (Belgisch Staatsblad 17 maart 2010).

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De verzoeker voert vijf middelen aan waarvan het tweede als volgt is gesteld.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Grieven

Het tweede middel voert de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het litigieuze reglement geeft aanleiding tot een verschil in de behandeling tussen advocaten die bestuurder zijn van privaatrechtelijke rechtspersonen en advocaten die bestuurder zijn van publiekrechtelijke rechtspersonen, alsook tussen de advocaten-bestuurders en de advocaten-vereffenaars. Die verschillen kunnen niet redelijkerwijs verantwoord worden en staan niet in verhouding tot het doel van het litigieuze reglement.

Het litigieuze reglement geldt immers slechts voor:

- advocaten die bestuurder zijn van privaatrechtelijke rechtspersonen met uitsluiting van advocaten die bestuurder zijn publiekrechtelijke rechtspersonen;

- voor advocaten-bestuurders, met uitsluiting van advocaten- vereffenaars.

De naleving van de plichten van waardigheid, rechtschapenheid, kiesheid en onafhankelijkheid, die volgens het litigieuze reglement de grondslag vormt van het absoluut verbod dat het oplegt, is een vereiste zowel in de uitoefening van een opdracht als raadgever en vertegenwoordiger voor een publiekrechtelijke rechtspersoon, als in de uitoefening van een opdracht als raadgever en vertegenwoordiger voor een privaatrechtelijke rechtspersoon van wie die advocaat de vereffenaar is. Daaruit volgt dat het uitsluiten van advocaten-bestuurders van publiekrechtelijke rechtspersonen en van advocaten-vereffenaars van privaatrechtelijke rechtspersonen uit het toepassingsgebied van het litigieuze reglement aantoont dat het door het litigieuze reglement opgelegde verbod niet in verhouding staat tot het beoogde doel en elke redelijke verantwoording mist.

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Beoordeling

Tweede middel

De regel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet die vervat is in artikel 10 van de Grondwet en die van de niet-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden die vervat is in artikel 11 van de Grondwet, impliceren dat eenieder die in dezelfde toestand verkeert op dezelfde wijze wordt behandeld maar sluiten niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld in het licht van het doel en de gevolgen van de maatregel.

Door het bestreden reglement goed te keuren heeft de verzoeker tot tussenkomst belangenconflicten willen voorkomen, die bij een advocaat konden ontstaan, ingevolge de uitoefening van, enerzijds, een bestuurs-, beleids- en toezichts-mandaat in een rechtspersoon en van, anderzijds, een opdracht ertoe strekkende, in de hoedanigheid van advocaat, voor dezelfde rechtspersoon raad te geven, voor haar te verschijnen of te pleiten voor de rechter of in het kader van andere vormen van conflictregeling.

Uit de aanhef van het reglement, noch uit de notulen van de algemene vergaderingen van de Ordre des barreaux francophones et germanophone van 14 september 2009 en 18 januari 2010, waarop het ontwerp werd besproken, volgt dat de kans op belangenconflicten minder groot zou zijn voor de advocaat die de in het reglement vermelde mandaten uitoefent voor publiekrechtelijke rechtspersonen dan voor de advocaat die de bedoelde mandaten uitoefent voor privaatrechtelijke rechtspersonen.

De omstandigheid, die door de Ordre des barreaux francophones et germanophone in haar verzoekschrift tot tussenkomst wordt aangevoerd, namelijk dat, in beginsel, de wettelijke regeling op de openbare aanbestedingen van toepassing is op publiekrechtelijke rechtspersonen bij de keuze van een advocaat, heeft geen weerslag op de kans dat er belangenconflicten ontstaan voor de advocaat. De twee voornoemde categorieën van advocaten zijn bijgevolg vergelijkbaar.

Op de voornoemde algemene vergaderingen heeft de Ordre des barreaux francophones et germanophone verklaard dat zij van plan was een afzonderlijk reglement goed te keuren over de politieke en openbare mandaten, waarin de niet-gerechtelijke bestuurs-, beleids- en toezichtsmandaten in een publiekrechtelijke rechtspersonen zouden worden geregeld.

Het vooruitzicht op de eventuele goedkeuring van een afzonderlijk reglement dat een einde zou maken aan de gelaakte discriminatie kan het verschil in behandeling niet verantwoorden dat voortvloeit uit de goedkeuring en de inwerkingtreding van het bestreden reglement.

Het bestreden reglement, dat een onderscheid invoert waarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat, tussen advocaten die een niet-gerechtelijk bestuurs-, beleids- en toezichtsmandaat uitoefenen in een privaatrechtelijke rechtspersoon en advocaten die een identiek mandaat uitoefenen in een publiekrechtelijke rechtspersoon, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

In zoverre is het middel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het reglement van 18 januari 2010 relatif à l'acceptation et à l'exercice par les avocats de mandats non judiciaires d'administration, de gestion, de surveillance ou de liquidation d'une personne morale de droit privé.

Legt de kosten van de verzoeker tot vernietiging ten laste van de Staat.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare rechtszitting van 19 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Reglement van de Ordre des barreaux francophones et germanophone

  • Niet-gerechtelijke mandaten

  • Privaatrechtelijke rechtspersonen

  • Publiekrechtelijke rechtspersonen

  • Onderscheid

  • Gelijkheid

  • Niet-discriminatie

  • Artikelen 10 en 11 van de Grondwet

  • Schending